Pulpzusje - Life
Essay, Nieuws, Cultuur, België, Cultuur, Semiotiek, Arjen mulder -

Hoeveel van het nieuwe kun jij aan?

Arjen Mulder is auteur en docent semiotiek, de leer van de symbolen, aan het KASK in Gent. Begin 2014 verschijnt zijn nieuwe boek 'Wat is leven?'. In deze bijdrage vind je zijn visie op het jaar 2050. Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het toekomstnummer van rekto:verso.

zaterdag 26 oktober 2013 14:00

Het nieuwe is het smeer van de toekomst. Maar wat is het nieuwe, in tijden van innovatie? Het verleden leert dat onverwachtse interactie een sterke motor is. Eén plus één maakt drie, soms.

Een enkele keer begint het nieuwe met zomaar een zotte inval. Albert Einstein rijdt, op weg naar zijn werk op het patentbureau van Zürich, over het stadsplein.

“Als deze tram nu met de lichtsnelheid weg zou rijden, zou ik de klok op de kerktoren stil zien staan. Wat leert dat over de gang van de tijd? Dat hij niet absoluut maar relatief is, afhankelijk van je snelheid.”

Soms komt het nieuwe voort uit langdurig onderzoek en wordt in de eindconclusie opeens iets gezegd dat nooit eerder door een mens is gedacht. Charles Darwin schrijft, na een wereldreis van drie jaar, dertig jaar literatuurstudie en tienduizend pagina’s aantekeningen, in zijn befaamde slotzin van Het ontstaan van soorten over ‘endless forms most beautiful’ die het evolutieproces zijn grandeur geven.

Schoonheid, daar gaat het om in de wereldgang. Steeds nieuwe schoonheden tot stand brengen, dat is wat een natuur zonder God doet.

Het nieuwe verschijnt ook wel eens in een garage waar een jongen met een printplaat en een heleboel draadjes zit te prutsen en, verhip, een apparaat heeft gemaakt waarvan hij het nut, de maatschappelijke impact en de marktkansen in één blik overziet en voorspelt voor de komende eeuw. Zo gaat het althans in de oerscène van de mythe van Steve Jobs.

Of neem Bill Gates die een nacht doorwerkt achter een van de eerste pc’s om te snappen wat het programma MS-DOS precies kan dat hij morgen aan IBM wil verkopen.

Het nieuwe nieuw houden

Het nieuwe kan alleen nieuw zijn doordat het verschilt van het oude, concludeert Boris Groys spitsvondig in Über das Neue(1992). Alleen als er een archief bestaat waarin de bekende vormen en uitingen worden bewaard en gekoesterd, kun je bepalen of een product, kunstwerk of wetenschappelijke ontdekking werkelijk nieuw en nooit eerder bedacht is.

Tegelijk doet het nieuwe volgens Groys zijn uiterste best om zelf in het archief te worden opgenomen, want alleen daarin kan het voortbestaan, niet verouderend maar tijdloos. Al het nieuwe dat buiten het archief van musea, collecties, bibliotheken, databanken en Gutenberg-projecten wordt gehouden, verdwijnt achter de horizon van de geschiedenis.

Ezra Pound weerlegde Groys’ analyse al in de jaren 1920 toen hij definieerde: ‘Literature is news that stays news.’ Of het nu Homerus, de Provençaalse dichters of Eliot en Joyce betreft, het is wel degelijk mogelijk het nieuwe nieuw te houden, als je het maar goed aanpakt. Het nieuwe hoeft zich niet af te zetten tegen, of aan te sluiten bij het oude. Het nieuwe volgt een eigen route door de tijd.

Het nieuwe is ongrijpbaar

Het nieuwe is altijd uniek. Er is maar één exemplaar van. Het heeft nog geen bedoeling of betekenis, maar wel al een vector. Deze is op de toekomst gericht.

Het nieuwe maakt het voorafgaande oud en onthult de beperktheid ervan. Wat ooit het laatste antwoord leek, is ineens niet meer dan een lokale oplossing. Einstein maakte van de newtoniaanse natuurkunde een leer die niet over het hele universum gaat, maar slechts over het middenniveau van de fysische werkelijkheid, met eronder de atoomkrachten en erboven de kosmische effecten daarvan.

Daarmee bewees Einstein dat de mens niet de laatste ken-instantie binnen een absolute tijd en ruimte is. Ons waarnemingsvermogen is afgestemd op de alleen bij ons geldige ruimte- en tijdcondities.

Aan ons de keuze het bestaande te ontplooien, of te vernietigen. Want dat kan sinds Einstein de fysica op het spoor zette van de atoombom en de kerncentrale. Het nieuwe is niet per se het betere, het gezondere, dat wat de aarde een fijnere plek maakt om op te leven in het hier en nu en in het grotere proces van de wereldgeschiedenis en de ecosfeer.

Het nieuwe is ongrijpbaar zolang het nieuw is. Je kunt er alle kanten mee op. Het biedt vele investeringskansen, maar er wordt geen garantie geboden op grond van eerder behaalde resultaten, want die zijn er nog niet.

Dan biedt innovatie een veel degelijker verdienmodel. Het uitgangspunt is duidelijk, de richting gekozen. Soms snijden de ontwikkelingslijnen elkaar en botsen of versmelten ze, waarbij de telefoon mobiel wordt en in haar oorspronkelijke toestand van communicatieapparaat ook de agenda integreert, het horloge, het fototoestel, de terminal, de website en alle Web 2.0-applicaties.

Als vernieuwing van bestaande zaken verouderen innovaties heel snel. Dat is tegelijk hun economische potentieel.

Het nieuwe komt voort uit een gesprek

“Daar zij licht”, riep God in den beginne, en zie, er was licht, en dat was meteen de laatste keer dat er op aarde op bevel iets nieuws ontstond. Sindsdien komt het nieuwe altijd voort uit interactie, een goed gesprek, een gedachte-uitwisseling die de deelnemers naar onbekende gronden voert.

Ook Einstein in die door de kosmos voortrazende Zürichse tram was in gesprek, met Henri Poincaré, zijn grote voorganger in de theorie van ruimte en tijd, massa en energie. Denkend over Poincaré kwam Einstein op het idee hoe je de tijd kunt stilzetten: door je met de lichtsnelheid te verplaatsen. E = mc².

In Het ontstaan van soorten is Darwin in gesprek met de intellectuele gemeenschap van zijn tijd die hij alle verzamelde bewijzen voorlegt over hoe het evolutieproces functioneert. Maar in die slotwoorden over ‘endless forms most beautiful’ spreekt hij de christelijke geloofsgemeenschap van zijn tijd aan, waaruit hijzelf voortkwam.

De evolutie verloopt ook zonder God. Maar in de natuur, houdt Darwin de gelovigen voor, is wel iets goddelijks aanwezig in de vorm van schoonheid, telkens anders, telkens weer.

Steve Jobs was in gesprek met Steve Wozniak. De jongens hadden het in hun schuurtje over de vraag hoe je uit de bestaande mainframes een personal computer kon destilleren.

Welke onderdelen waren te gebruiken, welke nieuwe combinaties kon je maken? DIY, in plaats van de logge corporate Big Blue.

Wat Jobs en Wozniak deden, was geen innovatie. Het nieuwe schuilde eerder in downsizing. Dat is vaak een kenmerk van het nieuwe. Het nieuwe is bijna altijd eenvoudiger dan het oude, tenminste als je het snapt, als je ziet wat het mogelijk maakt.

Op zes continenten begrijpen miljarden mensen, ondanks complexe en taaie cultuurverschillen, hoe een mobieltje werkt en een iPhone. Jobs creëerde een universele taal met zijn eerste grafische interface, door hem gejat uit Xerox PARC.

Hij ontsloot er een nieuw gedragsarsenaal mee: van het altijd aangesloten willen zijn op het net, tot het continu strelen van de iPhone en de gracieuze, filmische gestiek van het over de iPad strijken, versus het logge duwen tegen touchscreens dat tot dan de regel was.

Ere wie ere toekomt. Alleen, wat is er tegen het logge? Is een dolfijn een beter dier dan een zeekoe? Beide zijn briljante oplossingen voor het probleem hoe je als zoogdier in zee overleeft.

De third mind

Niet in elk gesprek verschijnt het nieuwe. Het doet zich alleen voor als de sprekers al pratend en gebarend gegrepen worden door een inspiratie die het gesprek op een ander plan tilt. Dan wordt er geen informatie meer uitgewisseld, geen bevel meer gegeven, geen beleefdheidsformule meer gehanteerd.

Het gesprek gaat ineens over zaken waar de gespreksgenoten niet eerder over na hebben gedacht, althans niet op deze ene manier. Kenmerkend aan deze situatie is dat de deelnemers werken aan een gezamenlijk project – een probleemstelling, een idee, een tekst, een afbeelding, een muziekstuk.

De eerste beschrijving van dit fenomeen vond ik bij William Burroughs en Brion Gysin in hun gezamenlijk geschreven en geïllustreerde cultboek The Third Mind (1978). Wanneer twee mensen – zijzelf in hun voorbeeld – samen een tekst schrijven, spreekt zich daarin een stem uit die geen van de twee deelnemers herkennen als eigen of van henzelf.

Het is alsof een derde, autonome auteur de woorden uit de beide auteurs trekt om daarmee zichzelf en z’n tekst tevoorschijn te schrijven. De third mind in het gezelschap van twee denkt en doet dingen waar de single minds nooit op waren gekomen.

Burroughs meende dat het kosmische agentschap ‘Control’ op deze manier bevelen doorgaf. Hijzelf althans ving de boodschap op: verknip je teksten, vernietig de overgeleverde betekenis. ‘Rub out the word.’

Een nieuwe boodschap heeft een nieuw medium nodig. ‘The cut-up is your method.’ Brion Gysin tekende uit de mond van de third mind het toekomstperspectief op van de mens in het ruimtevaarttijdperk.

“What are we here for? Does the great metaphysical nut revolve around that? Well, I’ll crack it for you, right now. What are we here for? We are here to go!”

Unidentified Theoretical Objects (UTO’s)

Ik ken het verschijnsel van de third mind uit de zeven of acht jaar dat ik samen met Geert Lovink en Bas Jan van Stam, en later ook Lex Wouterloot en Christian Unverzagt teksten schreef voor bladen en boeken. De third mind waar wij materiaal aan leverden heette Bilwet, een door Jo van der Spek verzonnen afkorting voor de Stichting ter Bevordering van de Illegale Wetenschappen i.o.

Een ochtendlijke kop koffie hielp en dan kwamen de eerste woorden, een toverterm zoals we het noemden. Dan vroegen wij ons af: wat bedoelt Bilwet met deze eerste zin? En dan antwoordde hij/zij met zin twee.

We typten om beurten op een elektrische schrijfmachine en later een vroege pc. Een zin die Geert begon kon ik zo misbegrijpen dat de tweede helft een totaal onverwachte wending nam en omgekeerd.

We wisten dat een uitspraak goed was, authentieke illegale wetenschap, als we er hard om moesten giechelen. Want dat is wel het mooie van een third mind, je hoort steeds kosmisch geschater op de achtergrond klinken.

Bilwet toverde een theorie tevoorschijn die een verklaring gaf voor de kraakbeweging en haar afgeleiden in de jaren 1980, een ‘bewegingsleer’ die sociale actie afzette tegen en samensmolt met de media waarin zij zich moest uiten. ‘De beweging is de herinnering aan de gebeurtenis.’

Daarna kwam Bilwets Media-archief tevoorschijn. Het boek zou uiteindelijk worden opgebouwd uit een reeks korte ‘Unidentified Theoretical Objects’ (UTO’s), langere ‘Definitieve Essays’ en ten slotte een eerbetoon aan de leermeesters, ‘Bronnen’.

Zesentwintig nieuwe ideeën per pagina, dat was in de UTO’s het streven en de uitkomst. ‘Media = mens + alien.’ ‘Vage media gaan niet in op succes.’ ‘Op den duur wordt alles interessant, dat is het noodlot van normale media.’

We stonden er zelf ook iedere keer van te kijken. Het kon ons niet schelen of wat we produceerden theorie of literatuur was, of noem nog eens een zijstraat. Het was aan ons de Bilwet-tekst op zo’n niveau te brengen dat wijzelf er ons in elk geval slap om lachten.

Kortsluiting als belangrijkste bron van contact. Een third mind heeft spanning nodig, misverstand en moedwillige verdraaiing zijn creatieve middelen.

De third space

Gilles Deleuze en Félix Guattari, een ander schrijfduo. Ze melden in de eerste regel van Rhizome, de inleiding bij Mille plateaux (1980): ‘We hebben de Anti-Oedipe met z’n tweeën geschreven. Omdat ieder van ons uit velen bestond, vormden we samen al een hele massa.’ Anders gezegd: een third mind hoeft niet per se uit één derde geest te bestaan, maar kan zelfs een massa omvatten.

Een third mind zet ertoe aan nieuwe ideeën te ontwikkelen, een sprong te maken buiten de denkkaders van de twee of meer deelnemende geesten. De ervaring is die van verliefden die op hun eerste uitje opeens heel interessante dingen zeggen en subtiele gebaartjes maken, terwijl ze anders onhandig en nors zijn.

Waar komt al dat liefs en leuks opeens vandaan? Uit de third mind die ze voortbrengen en in stand willen houden.

Ontbreekt zo’n third mind, dan blijft het bij dat ene afspraakje. Duikt hij wel op, dan is het the beginning of a wonderful friendship.

Docenten hopen altijd dat er zo’n derde ruimte ontstaat met hun leerlingen. Daarom geven veel kunstenaars en schrijvers les op academies in plaats van vlijtig op hun atelier of werkkamer het werk te doen waaraan ze hun reputatie te danken hebben.

Een legendarisch experiment met een massale third mind is gedaan met een groot publiek dat, zonder regisseur of coördinator, gezamenlijk een vliegtuigsimulator diende te besturen die op een beeldscherm voor in de zaal werd geprojecteerd. Na één of twee crashes kreeg men het toestel onder controle en wist men al snel de fraaiste loops uit te voeren.

De third mind ontvouwde zich hier in wat sinds Myron Kruegers experimenten van rond 1970 een third space heet, de ruimte van de communicatie. Waar ben je precies als je op een straathoek of een zandbank je telefoon beantwoordt en “nee, natuurlijk stoor je niet” zegt?

Of neem een wolk spreeuwen boven een weiland of bosrand. Elke spreeuw afzonderlijk volgt slechts vier regels, vier algoritmen. Houd globaal een lichaamslengte afstand van de spreeuw voor en achter, links en rechts, onder en boven. En ontwijk obstakels.

De speling in de onderlinge afstanden tussen de individuele spreeuwen bepaalt het gedrag van de wolk als geheel. Dat gedrag is voor deelnemers en buitenstaanders onvoorspelbaar, maar coherent. Het spreeuwenballet is van begin tot einde authentiek en zonder aanstellerij.

Men danst voor zijn plezier. Een visuele of meer nog organische third mind-prestatie van de hoogste orde.

Een geistige Gemeinschaft

Aan het begin van elke grote vernieuwing in het Europese geestesleven, voor zover mij bekend, staat een third mind in een third space. De mooiste is wel die in Tübingen, van 1790-1794.

Op één klein kamertje in het reuzengebouw van de Tübinger Stift heeft het bestuur drie studenten bijeengeplaatst, lukraak of welbewust is niet duidelijk. Friedrich Hölderlin, Georg Hegel en Friedrich Schelling, de eerste twee zeventien jaar oud, de laatste nog maar vijftien. De grootste dichter van Duitsland en haar twee grootste filosofen, jarenlang bijeengepakt op een paar vierkante meter.

De third mind die er tussen hen oprijst noemen ze ‘het Duitse idealisme’. Een nieuwe stroming in de filosofie en het geestesleven.

Er is één gezamenlijke tekst overgeleverd uit deze vier gouden jaren van de Europese geest, in die krocht in kleingeestig Tübingen. De geleerdenstrijd gaat al eeuwen over de vraag wie daar nu de echte auteur van is – het overgeleverde handschrift is van Hegel. Het is evenwel een tekst van hen alle drie, althans van hun third mind, hun geistige Gemeinschaft.

Van de tekst is maar anderhalve pagina teruggevonden. Hij staat bekend als Das älteste Systemprogramma des deutschen Idealismus. Het begin is meteen raak, geschreven in de vorm van het slot van een verdwenen voorafgaande zin. ‘ – eine Ethik.’ Met dat als uitgangspunt volgen al snel de twee basisideeën.

Één: ik stel mij mijzelf voor als absoluut vrij wezen. Dat was het nieuwe dat de vrienden ontdekt hadden, vooral dat ‘absoluut’. En idee twee, nog verbluffender: vrije wezens zijn in staat tot Schöpfung aus nichts. De basis van alle creativiteit is vrijheid.

Het nieuwe ligt binnen handbereik, als we vrij durven zijn. Dat is de ethiek en deze maakt de latere oeuvres van de drie afzonderlijke leden van de third mind van het Duitse idealisme zo aangrijpend.

Hölderlin vertaalt de ethiek in späte Hymnen, Hegel in De fenomenologie van de geest, en Schelling in zijn onsterfelijk mooie boekje Philosophische Untersuchungen über das Wesen der menschlichen Freiheit und die damit zusammenhängende Gegenstände uit 1809, toen ook voor hem het feest voorgoed voorbij was.

Homerus was een groepje mensen

Zo stel ik me ook Homerus als een third mind voor. De verhalen over die ene blinde dichter met zijn notulist Palamedes die de verzen van de oude meester neerschreef in een alfabet dat nog niemand anders kon lezen, ja, die zijn prachtig natuurlijk.

Maar volgens mij pleit er niets tegen mijn theorie dat Homerus niet één iemand was maar een groepje mensen, misschien een duo à la Deleuze en Guattari, al denk ik eerder aan een kring van rapsoden (rondtrekkende zanger bij de Oude Grieken) rond een kampvuur. Daar in Euboea, of waar het ook was, kwamen ze eens per jaar bijeen en vertelden elkaar en luisteraars om hen heen dat ene verhaal of – en dat is wel het godswonder – die twee oerverhalen.

De Ilias en de Odyssee werden uit het niets geschapen, elk jaar opnieuw, opgediept uit het instabiele collectieve geheugen dat een orale cultuur in stand houdt. Anamaxander doet Odysseus vanavond, Parabochus speelt Telemachus en zo de kring en alle personages rond.

Het wisselt misschien avond na avond, of misschien mogen alleen heel bekwame zangers een bepaalde rol vertolken. Ik weet het niet, maar ik zie ze daar zingen. Het Lied weeft zich uit hun stemmen rond het vuur in hun midden, in de kring van het flakkerende of golvende licht dat hun zang leidt, in de warmte die hen een nachtlang door laat zingen.

Het raadsel van de third mind genaamd Homerus is dat elke zin die hij uitspreekt goed is. Er zitten geen zwakkere delen in de twee maal vierentwintig boeken, geen bladvulling of verlies van spanning.

Zoiets lukt alleen wanneer elk woord nieuw is, verrassend, een feest om in de mond te mogen nemen. Ook al is een standaarduitdrukking al tientallen keren gevallen die avond, daar komt weer zo’n heerlijk ‘koe-ogig’ of ‘speerdragend’ langs. Elke zin die je leest bij Homerus is steeds weer nieuw en als je dat niet zo ervaart, ligt dat aan jou.

Eén keer, aan het begin van de westerse beschaving, is het een collectief gelukt om in de loop van duizenden jaren ons hele verhaal, nee, onze twee hele verhalen helemaal uit te werken en te doorleven en tot in de puntjes goed te doen. Dat is de kracht van een third mind.

Hij produceert aan de lopende band ‘news that stays news’, door Pound ooit herleid tot de ‘irregularities underlying regular verse’ of wat Burroughs aan het begin van Nova Express (1964) samenvatte als: “Listen to my last words anywhere”.

Third mind-onderwijs

Het nieuwe is niet dat je iets ziet wat je nog niet eerder hebt gezien – lees: koop ons nog betere product, dan hoor je erbij. Het nieuwe is een proces dat elke keer in jou op gang komt als je ermee in aanraking bent.

Er zijn vele vormen van, van verslaving tot wat we gerust kunst mogen noemen. Het nieuwe is iets heel eigenaardigs. Het is alles wat in principe niet mogelijk is. Het bestaat nog niet en kan alleen door een auteur of kunstenaar worden voortgebracht die zelf ook niet bestaat.

Deelname aan een third mind van enige duur en intensiteit is geen vrijblijvende belevenis. Lees Het laatste jaar (2013), de prachtige zwanenzang van Dirk van Weelden over ‘de derde schrijver’ die hij met Martin Bril vormde, een paar gelukkige jeugdjaren lang. En hoe die in hem doorwerkt, nog steeds.

Het nieuwe is een ethiek. Een manier van leven, van ‘schrijvend leven’ zoals Van Weelden het bij herhaling noemt. De third mind van Het ABC van Bril en Van Weelden werkte, zoals elke third mind voor hen, met specifieke technische middelen om zich te realiseren in een gezamenlijk project. In hun geval waren dat mechanische typemachines – vandaar dat zij de vertellers vormen in Het laatste jaar.

Hölderlin, Schelling en Hegel, of om nog een paar third minds te noemen, Friedrich Nietzsche en Paul Ree, of Gottfried Benn en zijn Herr Oelze: ze hebben wat afgelachen, maar o wee, er is ook veel geleden. Ik pleit niet voor algehele omscholing tot third mind-onderwijs. Ik weet ook niet of het kan.

Maar wat een geluk als er een third mind verschijnt in een gesprek tussen een docent en student. Er ontstaan dan genoeg nieuwe ideeën voor een heel leven. Maar dit is niet iets om op hobbyïstische of toeristische grondslag te doen. Voorzichtigheid blijft geboden.

Hoeveel van het nieuwe kun jij aan?

Arjen Mulder

Arjen Mulder is auteur en docent semiotiek aan het KASK in Gent. Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het toekomstnummer van rekto:verso.

take down
the paywall
steun ons nu!