De hekken die de Spaanse exclave Ceuta afsluiten van Marokko. "We hebben ze de nieuwe ijzeren gordijnen genoemd, ze zijn misschien wel de meest allegorische (en obscene) monumenten van onze Nieuwe Wereld (Wan)Orde." (foto's: Google images).
Opinie, Nieuws, Wereld, Cultuur, Lieven DE CAUTER, Tmd, Filosofie, Einde van de geschiedenis, Klimaatrampen, Burgeroorlogen, Posthistorie -

Postscriptum bij de toekomst (Nabeschouwingen over posthistorie)

Filosoof Lieven De Cauter las de artikels van onze Week van de Toekomst en bedacht dat er misschien wel geen toekomst is. Wat als we in een soort vreemd vagevuur terechtkomen na het einde van de geschiedenis? Wat als er een duistere periode komt tussen 2050 en 2100, iets wat vergelijkbaar is met de 'waanzinnige 14de eeuw' (van 'de zwarte dood', de pest) met burgeroorlogen en klimaatrampen?

dinsdag 5 november 2013 12:30

Als postscriptum bij de toekomstweek van DeWereldMorgen.be in het kader van het eeuwfeest van Vooruit hier een vertaling en licht bewerkte versie van ‘Afterthoughts on Posthistory’ (uit Entropic Empire, Nai010publishers, Rotterdam, 2012).

Voor filosofische geesten, (want de slottekst van een heel boek, dus schiet niet op de pianist, maar lees eerst het boek:).

Maar toch ook hoogst actueel: ‘Verandering door vooruitgang?’ Vooruitgang door verandering (van de vooruitgang als onhoudbare groei en alibi voor ongelijkheid)! 

[Dus is dit ook een laattijdige bijdrage aan de derde dag van het socialisme (een goed excuus voor mijn afwezigheid? Misschien mijden filosofen massabijeenkomsten, omdat denken moeilijk en lastig is, en dus inspanning en stilte vergt … Nee, flauw, … maar het is wel geen flauwe tekst. Dus: Fasten seatbelts!]  

‘Is het mogelijk dat we uit de geschiedenis vallen?’

Is het mogelijk dat wij zoiets als de nageschiedenis betreden, de posthistorie, een vreemd vagevuur na het einde van de geschiedenis? Deze vraag die ten grondslag ligt aan al mijn recente teksten, al mijn recente gedachten, achtervolgt me in feite al jaren, eigenlijk sinds mijn eerste boek.

Natuurlijk, er is het gezond verstand om ons te redden: men kan niet uit de geschiedenis vallen, net zo min als men van de aarde kan vallen. Maar zijn we wel zeker dat we niet van de aarde af kunnen vallen? De laatste tijd zijn we misschien een beetje minder overtuigd.

De mensheid is op een ramkoers met ‘ruimteschip aarde’. Als we de grenzen van de aarde overschrijden, de grenzen van het ecosysteem, van onze natuurlijke habitat, in die mate dat we onherstelbare schade kunnen veroorzaken en een reeks catastrofes ontketenen …

Dan begint een mens zich toch vragen te stellen. We kunnen wel degelijk van de aarde vallen. Wij zijn de afvalligen, de afvalligen van moeder aarde. Op het moment dat de mensheid de grenzen van de planeet als ecosysteem overschrijdt, is de vraag of je uit de geschiedenis kan vallen, niet meer zo van de pot gerukt. 

Het idee van posthistorie, van nageschiedenis, zowel eindpunt en doel, eindtoestand van de geschiedenis, heeft een lange en nogal indrukwekkende genealogie: Hegel, Marx, Cournot, Gehlen, Kojève, en recent Fukuyama.

Maar ook Vattimo, Baudrillard en af en toe Agamben hebben erover geschreven. Voor Hegel begon nageschiedenis toen de staat werd gevormd en filosofie had begrepen dat de persoonlijke geest en objectieve geest één waren en een synthese vonden in de absolute geest; dit proces van bewustwording was de filosofie van Hegel zelf. In meer politieke termen: de Duitse staat was de laatste fase van de geschiedenis.

Zoals het einde van de kunst, voorspelde Hegel het einde van de geschiedenis. Hij was behoorlijk profetisch over kunst, dus zou hij ook een punt over het einde van de geschiedenis kunnen hebben. Maar dat is veel minder overtuigend gebleven.

Marx had natuurlijk een minder saaie visie: niet de burgerlijke staat was het einde van de geschiedenis, maar de klasseloze maatschappij. Het afsterven van de staat, het einde van de kapitalistische uitbuiting, was een soort materialistische versie van messiaanse verlossing: de klasseloze maatschappij als het paradijs op aarde.

De verzorgingsstaat kwam dichtbij en dat is de reden waarom Kojève de Japanse consumptiemaatschappij van de jaren zeventig zag als een neo-hegeliaanse vorm van posthistorie. De mensen hadden niets anders te doen dan zichzelf te amuseren met allerlei gadgets. Kunst, voorspelde Kojève, zou een soort van ikebana worden, een formeel spel zonder dat er echt iets op het spel stond.

De neoconservatieve visie van Fukuyama zat op dezelfde lijn: het kapitalisme had eindelijk gewonnen van haar concurrenten, communisme en fascisme. Het kapitalisme onder de vorm van de liberale democratie zou nog lang en gelukkig voortbestaan en de consument was de realisatie van Zarathustra’s profetie van de ‘laatste mens’: een lang levend, dood en ziekte vrezend, op zichzelf gericht, passief en gepacificeerd schepsel.

Interessant is de opvatting van de vroege 19de-eeuwse wiskundige Antoine Cournot, die misschien de term ‘posthistoire’ heeft bedacht. Hij geloofde dat de geschiedenis en de samenleving berekenbare entiteiten waren, en wetten hadden zoals de natuurkunde.

Eén daarvan is dat elk systeem drie fasen heeft: een fase van opbouw, een van het zoeken naar evenwicht en een derde fase van gevonden evenwicht, waarbij een systeem hetzelfde bleef zonder grote veranderingen. Deze derde fase noemde hij de posthistorische fase.

Onze eigen ‘posthistorie’ lijkt precies het tegenovergestelde te zijn: het systeem, te beginnen met het ecosysteem, maar ook het politieke systeem en de ideologieën lijken alle gevoel van evenwicht te hebben verloren, alle parameters lijken door te slaan, en alle pogingen om de parameters te wijzigen, veroorzaken nieuwe problemen.

Biobrandstof is inmiddels een schoolvoorbeeld: zij veroorzaakt meer problemen dan zij oplost (want heeft de voedselprijzen de hoogte ingejaagd en neemt grote delen van de grond in beslag, die hard nodig zijn voor een steeds groeiende wereldbevolking).

Dus onze posthistorie lijkt meer in de buurt te komen van de chaostheorie: een soort entropisch universum, waar de complexiteit enorm is en alle evenwicht is verdwenen; in feite een systeem dat op elk moment abrupte veranderingen kan ondergaan, zodra kantelpunten worden bereikt. Een fase van turbulenties.

De Nageschiedenis, zo blijkt, heeft vele gezichten. Het meest onschuldige, maar meest alomtegenwoordige is: de stad als themapark, posthistorie als citymarketing van de neoliberale stad, die generieke geschiedenis vermarkt, geschiedenis als nep (echt nep – Amerikaanse versie, of vervalste stedelijke werkelijkheid – Europese versie): geschiedenis als déjà vu.  De geschriften van Koolhaas over de generische stad en over ‘Junk Space’ zijn vol sardonische beschrijvingen van deze concrete posthistorie.

Ernstiger zijn de andere gezichten. Nageschiedenis is het einde van de verzorgingsstaat: het neoliberalisme. Het is het einde van de staat: globalisering. Het is het einde van de Verlichting: fundamentalisme. Het einde van de internationale rechtsorde: de oorlog tegen de terreur.

Het betekent misschien ook wel het einde van Empire: de piramide van macht door Antonio Negri getekend, davert op haar grondvesten. De hedendaagse wereldorde lijkt op de Stars Wars sequel: The Empire Strikes Back, met Shock and Awe en pre-emptive strike als een neoconservatief ‘Project voor een nieuwe Amerikaanse eeuw’.

Het is het einde van de vooruitgang als onbegrensde groei: de opwarming van de aarde. Het is het einde van de territoriale integriteit: massale migratie. Het einde van de schijnbaar naadloze netwerksamenleving: de naden van de wereld worden meer en meer zichtbaar: de muren in Ceuta en Mellila (Lampedusa is de bres in die muren van Fort-Europa), in Tijuana/San Diego (de muur van ca. 1000 kilometer tussen de VS en Mexico).

We hebben ze de nieuwe ijzeren gordijnen genoemd, ze zijn misschien wel de meest allegorische (en obscene) monumenten van onze Nieuwe Wereld (Wan)Orde. Veiligheidroutines op alle niveaus, inderdaad: de opkomst van een ‘capsulaire beschaving’.

Posthistorie dat is dan: de nieuwe Middeleeuwen, waar neo-theocratie, een bijna feodaal kapitalisme, de politiek van angst, veiligheid en repressie (en dus inbreuken op privacy en basisrechten), en uiteraard ‘verburchting’ hand in hand gaan.

Al blijft uit de geschiedenis vallen nog steeds zo ondenkbaar en belachelijk als het vallen van de aarde, toch is het misschien juist deze onmogelijkheid die we aan het meemaken zijn. Het is vanuit dit perspectief dat we de mensenstad opnieuw moeten bekijken.

Wat we (naast misschien veel andere dingen) nodig hebben is: een nieuwe filosofie van de geschiedenis.

Wat komt er na de vooruitgang? Het lijkt nog zo’n vreemde, absurde vraag, en toch is dat de vraag die we moeten stellen. We moeten proberen de toekomst te denken. Dat het mogelijk is, bewees Kant toen hij 150 jaar vóór de komst van de VN, de internationale rechtsorde, een Völkernbund voorspelde. Het is interessant dat hij het niet een liga van staten noemde. Wat is ‘het volk’ in de ‘bond der volkeren’? Is er een internationale rechtsorde te denken buiten een verdrag tussen (en gedomineerd door) staten? Dat is een andere manier om onze vraag te stellen: wat komt er na de staat?

Kant maakte niet zozeer een voorspelling, het was een pleidooi: als wij doen alsof er ‘een plan van de natuur of de voorzienigheid met de mensheid’ bestaat, zal dat de realisatie van dat plan bevorderen. In het beroemde alsob van Kant, zijn ‘alsof’, steekt de kern van zijn filosofie van de geschiedenis: als je doet alsof er vooruitgang is (althans in de wetten en in de legaliteit), dan is de kans om die vooruitgang te realiseren groter. En dan zal de geschiedenis misschien inderdaad een daadwerkelijke vooruitgang vertonen.

Het helpt om progressief zijn. In dat opzicht had zijn tekst over “het idee van de algemene geschiedenis vanuit kosmopolitisch opzicht” iets dat nog steeds inspirerend kan werken: vooruitgang was voor hem (net als Verlichting overigens: treedt uit onmondigheid en begin met zelf te denken) een ‘self-fulfilling prophecy’. En hij kon haar benoemen: de komst van een internationale rechtsorde was het einddoel van de geschiedenis.

Wat we nu nodig hebben, is een soortgelijke visie, een analoge zelfvervullende profetie. En het is dat wat ons fataal lijkt te ontbreken op het moment. Alles welbeschouwd is dat het deficit van links vandaag; en niet alleen van links, maar van de politiek in het algemeen, of zelfs de moderniteit in zijn geheel.

Dat is en blijft de wereldhistorische betekenis van het nogal academische, verwarrende en verwarde debat over postmodernisme, dat in 1979 werd gelanceerd door wijlen Jean-François Lyotard, met La Condition postmoderne, waarin hij het beroemde “einde van grote verhalen (over vooruitgang en emancipatie)” afkondigde.

Later, in L’Inhumain, is Lyotard ook begonnen met zijn zwarte hypothese te formuleren over nageschiedenis. Het was zijn manier om de verre toekomst te denken: de hypothese dat de technologie steeds meer een instantie wordt die zal proberen de dood van de zon en de dood van de menselijke soort indien nodig, te overleven.

Technoscience als nieuw ‘subject’ of motor van de geschiedenis – het was zijn vorm van de filosofie van de geschiedenis in het tijdperk  van de gerealiseerde science fiction. Deze ‘zwarte hypothese’ is, nu ik eraan denk, misschien ook wel een verborgen horizon van mijn geschriften.

Behoorlijk indrukwekkend als nieuwe telos van de geschiedenis: de absolute geest van Hegel als Ghost niet in, maar van de machine. Maar, de zwarte hypothese is a long shot, te ver (en ook dystopisch) omdat zij zich afspeelt in de kosmologische tijd: de dood van de zon, dat is 4,5 miljard jaar vooruit ( … we hebben dus nog even tijd).

Maar, in elk geval hebben we een self-fulfilling prophecy nodig, een projectie, een politiek-filosofisch project voor Vandaag. En voor de wereld morgen. En het is dringend. De menigte, het maatschappelijk middenveld, kan een hulpmiddel, of zelfs de drijvende kracht van de geschiedenis zijn, maar het is niet het doel, het einddoel van de geschiedenis.

Ik heb nog een zwarte hypothese. Laten we nog één keer kijken naar de curve van de Club van Rome (die ook een referentiepunt is in mijn recente geschriften) en we maken er een grimmige en eenvoudige versie van: een perfecte Gauss-curve.

Als we in 2000 met zes miljard waren en in 2050 met 9 à 10 miljard zullen zijn, zouden we in 2100 kunnen eindigen met weer 6 miljard. Puur statistische logica. Pure symmetrie. Het betekent 3 miljard minder in 50 jaar (en dat zijn dan niet alleen natuurlijke doden, zo lijkt me). Dat is het concrete, droge, statistische gezicht van het abstracte en ‘hysterische’ begrip ‘permanente catastrofe’.

Het zal niet het einde van de wereld zijn en niet het einde van de mens. Maar het zal wel hels zijn. Het lijkt een bijna wetenschappelijke prognose om een zeer duistere periode te voorspellen ergens voorspellen tussen 2050 en 2100, iets wat vergelijkbaar is met de ‘waanzinnige 14de eeuw’ (van ‘de zwarte dood’, de pest, die evenmin het einde van de wereld noch van de mensheid was). En daarna? Wat komt er dan? Moeilijk te zeggen. Maar het zou kunnen worden genoemd: ‘voorbij de nageschiedenis’.

En wat leert ons de recente geschiedenis, het decennium van Nine-Eleven tot de Arabische lente, van Ground Zero tot Tahrirplein? Van wanhoop naar hoop? Ja. De protesten waren inderdaad een teken van hoop. Dit ontwaken, deze kracht van de zwakke, noemde Derrida, in een poging om de geschiedfilosofie (een negatieve theologie van de geschiedenis) te herdenken: ‘messianiteit zonder messianisme’ en hij zag deze zwakke messiaanse kracht aan het werk in de andersglobaliseringsbeweging.

Negri en Hardt, Žižek en Badiou – allemaal lijken ze te geloven in een nieuw communisme. Ik wou dat ik hen kon geloven. Is de commons (de verdediging van het gemeengoed) een doel op zich? Hoe de ‘commoning’ van het gemeenschappelijke te denken als telos van de geschiedenis? Terug naar de taal (als de kunstmatige commons), terug naar de natuur? Misschien. Maar niet zoals we het nu kunnen denken. Een ding is zeker: de behartiging van het algemeen belang, het gemeengoed, the commons, kan een soort kompas worden om te sturen door de zware wateren die komen.

Agamben wedt, nog radicaler (en meer radicaal theologisch), op de (anarchistische) messiaanse onderbreking. De algemene weigering van nationale of enige andere identiteit (gesymboliseerd door identiteitspapieren) is voor hem het ultieme politieke gebaar dat de mensheid, ons allen, zou blootstellen en openbaren, in een toestand voorbij wettigheid en mensenrechten (die alleen functioneren als burgerrechten, en dus niet voor illegale migranten en vluchtelingen en andere staatlozen), als een … “multipliciteit van onbepaalde  singulariteiten”. Ik wou dat ik ook hem kon geloven.

De onderbreking of de revolutie denken, is hoogst actueel. Maar het kapitalisme en de internationale politiek, de Nieuwe Wereld (Wan)Orde, Het Entropic Imperium, wordt pas echt getransformeerd door structurele veranderingen, en deze liggen niet alleen in handen van een ‘historisch subject’ (dat wil zeggen de drijvende kracht van de geschiedenis: het proletariaat van Marx, civic society, het maatschappelijk middenveld voor de liberalen en sociaaldemocraten). Want het zijn objectieve, materiële processen van de economische en technologische infrastructuur (ofte onderbouw), die de geschiedenis bepalen (hierin volg ik het marxisme).

Misschien is het historisch subject (de drijvende kracht van de geschiedenis) reeds, zoals Lyotard voorspelde in zijn zwarte hypothese, de technologie. Meer nog dan het kapitalisme, zal technologie zijn gang gaan, tenzij we een bijna totale ineenstorting meemaken, in dezelfde grootteorde van de val van het Romeinse Rijk, toen kennis en technologie scherp regresseerden.

Het duurde meer dan duizend jaar, tot de renaissance, voor een echte paradigma-shift zich voordeed??: de renaissance, als het begin van het kapitalisme als systeem en de ‘moderniteit’ als ‘epistemè‘ van een wereldhistorisch tijdperk.

Technologie is ouder dan het kapitalisme, ze is in zekere zin zo oud als de mensheid, daarom zal het de ijzeren (of cybernetische) hand blijven achter de vooruitgang. Helaas, oorlog en technologie vormen een tweeling – alle technologie begint als militaire technologie. Van de silex tot internet en GPS, zal militaire technologie een drijvende kracht blijven – tenzij en totdat we de oorlog buiten de wet stellen.

Verbod op oorlog klinkt even vreemd en utopisch als ‘de klasseloze maatschappij’, zo al niet meer. En toch, dit is de weg vooruit. In een geglobaliseerde wereld zal oorlog de planeet uitputten en de bevolking decimeren, zoals gebeurde op het Paaseiland.

Het in internationaal recht verbieden van de oorlog, is dus de enige mogelijke optie om dergelijke implosie te vermijden, niet alleen de ‘implosie van de polis’, maar ook de implosie van het ecosysteem zelf. Dit verbod op oorlog is haalbaar, de geschiedenis is er om het ons te bewijzen: sinds Nürnberg is de aanvalsoorlog de hoogste misdaad tegen het internationaal recht, maar ook de facto is de oorlog in steeds grotere delen van de planeet verboden, binnen de VS is oorlog ondenkbaar zoals dat in Europa, ondanks de Joegoslavische nachtmerrie (die een burgeroorlog was, en dat is heel wat anders) ook het geval is. Dus een wereldsysteem (wat zijn naam zou zijn: de Verenigde Staten van de Wereld of wat dan ook) is perfect denkbaar. Kants visie 2.0.

De verzorgingsstaat ligt niet achter ons, maar voor ons. Misschien niet in de vorm die hij had in mijn jeugd, maar wel als ecologische en sociale wereldconstitutie, als een nieuw sociaal contract, dat in één of andere vorm de beloften van de welvaartsstaat realiseert.

De verzorgingsstaat is naar alle waarschijnlijkheid, de beste politieke ordening of maatschappijvorm die de geschiedenis tot nu toe heeft opgeleverd. Degenen die dromen van de commons zonder een publieke sfeer (in handen of eigendom van de staat) en zonder (op privé-eigendom gebaseerde) privésfeer, dromen van iets buiten de geschiedenis, voorbij de historische Mens (zonder familie, zonder bedrijven, zonder natiestaten).

Ze grijpen meestal terug op presedentaire, nomadische stammen voor vage voorbeelden. Of anders nemen ze heterotopische voorbeelden, zoals de Fransiscaanse kloosterorde (zoals Agamben expliciet in De la tres haute pauvreté en Negri impliciet in het hoofdstuk over liefde in Commonwealth, en proberen die te projecteren op een hele samenleving.

Maar hoe inspirerend ook, de heterotopie kan en mag niet worden omgezet in een utopie voor de hele samenleving, want het zal een totalitaire zijn (zoals de theocratie van de fundamentalisten of zoals Utopia van Morus). We kunnen politiek niet denken door van de mogelijkheid van een werkelijk posthistorische, paradaisical Mens uit te gaan.

Wat we nodig hebben is een echt historisch politiek programma. Vandaar mijn hardnekkige verdediging van de verzorgingsstaat, niet als iets van het verleden, maar een (zij het onvolmaakt) model voor de toekomst.

“Wat we nodig hebben is een echt historisch politiek programma. Vandaar mijn hardnekkige verdediging van de verzorgingsstaat, niet als iets van het verleden, maar een (zij het onvolmaakt) model voor de toekomst”

Het wereldsysteem zal nooit perfect zijn, want de mens is niet perfect. Degenen die dromen van perfectie, voorbij staat en eigendom, voorbij het publieke en private, voorbij de scheiding van de machten, enz., dromen van een utopische of messiaanse posthistorie. Een misleidende en gevaarlijke droom.

Aan hen schreeuw ik met Zarathustra Gegen den Hinterwelten!: nee tegen de achterwerelden en hiernamaalsen, er is geen buiten! De mens transcenderen of overstijgen is geen optie. Politiek moet vasthouden aan wat we hebben, aan een (deleuziaanse) immanentie.

Het is met deze wereld, met deze menselijke soort en binnen deze geschiedenis dat we zullen moeten leven. Er is geen andere. Omdat er nooit een paradijs en nooit verlossing zal zijn. Amen en uit.

Maar een planetaire burgeroorlog blijft daarentegen wel plausibel. Volgens Carl Schmitt leidt pacifisme tot ‘de laatste oorlog’: de oorlog tegen oorlog. Voor hem was dat een reden om de politiek te definiëren als de strijd op leven en dood met de vijand en het bevestigen van de natuurtoestand in de internationale politiek.

Vandaag zou de affirmatie van de politiek, meer dan ooit tevoren in de geschiedenis, moeten zijn: de negatie van de natuurtoestand (als oorlog van alleen tegen allen, burgeroorlog). Posthistorie mag en kan niet de eeuwige terugkeer van de prehistorie zijn.

We moeten dialectisch denken: in dat opzicht is nietscheanisme als filosofie van de geschiedenis onaanvaardbaar. Een filosofie van de geschiedenis kan niet instemmen met het onaanvaardbare. Nietzscheanen beweren dat een tragische filosofie van de geschiedenis de enige optie is na de dood van God: zij is posttheologisch.

Maar de eeuwige terugkeer weigert geschiedenis, geschiedenis is niet cirkelvormig, maar lineair, of in ieder geval onomkeerbaar. Er is, zelfs in entropie, de pijl van de tijd. Hoe een niet-lineaire geschiedenis te denken? Ik weet het niet.

Maar ik weet wel dat zonder een ethico-politieke houding geen filosofie van de geschiedenis mogelijk is. Dat was het alsof van Kant. Bij Hegel, Benjamin en Agamben, Derrida, hoe verschillend ook, vindt men steeds een theologische, messiaanse verdedigingslinie tegen de nietzscheaanse hamer.

Hegel had gelijk op zijn manier: alle filosofie van de geschiedenis is een theodicee. Of nauwkeuriger, zoals Benjamin zei, in een paradox die al zijn pogingen, ja, zowat heel zijn denken omvat: “de geschiedenis geeft ons een ervaring die het ons verbiedt de geschiedenis te lezen op een niet-theologische [lees: amorele, waardevrije] manier, maar we kunnen haar niet op een theologische manier voorstellen”.

En zelfs Adorno had zijn verborgen dwerg van de theologie als een teleologie van de geschiedenis. In een artikel genaamd ‘Vooruitgang’, droomde hij, met een fin de siècle-decadentie, “over een vooruitgang die nog niet was begonnen”.

De politieke term ‘progressief’ heeft naast zijn banale betekenis (zoals links en rechts) zijn ware filosofische wortels en diepe betekenis; of heeft die gehad. Maar wat betekent progressief als we uit de geschiedenis vallen? Dit is nog een andere manier om de vraag te stellen.

Vele boeken en artikels hebben stukken en brokken van antwoorden te berde gebracht. Het echte antwoord echter ligt buiten het bereik van boeken – van om het even welk boek. Het ligt in de praktijk, in het activisme van ieder van ons.

Of de menigte bestaat of niet, levensvatbaar is of niet, is een academische discussie, maar als we doen alsof de menigte zou kunnen bestaan ??en ernaar handelen, dan kunnen we het misschien halen. En eindelijk de vooruitgang die nog niet begonnen is, opstarten.

Lieven De Cauter

Lieven De Cauter is filosoof.

(Voorlopige vertaling en lichte bewerking van ‘Afterthoughts on Posthistory’, uit Entropic Empire, Nai010publishers, Rotterdam, 2012, met dank aan Veerle van Vlierberghe en mijn vrouw Leen voor de correcties, natuurlijk: Etienne Vermeersch en andere schoolmeesters zullen wel nog (spel- en) denkfouten vinden).

take down
the paywall
steun ons nu!