Foto: jewishvoiceforlabour.org.uk
Boekrecensie - Peter Beinart, Jewish Voice for Labour, Jewish Currents,

Barack Obama’s boek geeft timide inkijk in échte besluitvorming over Palestina en Israël

Jewish Voice for Labour is een organisatie van Joodse leden van Labour. Ze verdedigt Jeremy Corbyn tegen de onterechte beschuldiging van 'antisemitisme' wegens zijn standpunt over gelijke Palestijnse rechten. Volgens deze recensie op hun website van zijn boek 'The Promised Land' geeft Barack Obama een zeer bescheiden en misleidende inkijk in de échte beleidsvorming van Washington over Palestina en Israël.

maandag 30 november 2020 23:36
Spread the love

 

Inleiding door Jewish Voice for Labour:

Zoals Peter Beinart in dit artikel uitlegt geeft voormalige president Barack Obama in zijn autobiografie “de lezer genoeg informatie om een glimp op te vangen van wat het beleid van Washington op het gebied van Israël/Palestina werkelijk is. Het vertoont een opmerkelijke gelijkenis met het beeld dat Mearsheimer & Walt in 2006 schetsen in hun boek The Israel Lobby en dat bij de publicatie zwaar werd aangevallen vanwege zijn beweerd ‘antisemitisme’.

De echte les stelde Obama niet duidelijk genoeg. Hij probeerde misschien wel maar slaagde er niet in het Amerikaanse beleid ten opzichte van Israël te veranderen, omdat de binnenlandse politieke kosten te hoog waren. De enige manier om dat beleid te veranderen is met andere woorden dat pro-Palestijnse activisten de prijs voor het negeren van de Palestijnse rechten hoger moeten maken dan de prijs voor het irriteren van de Israëlische lobby in de VS.

Obama en de Israëllobby

Israël-Palestina is geen gemakkelijk onderwerp voor autobiografen in Washington. Samantha Powers kritiek op de Joodse staat werd een centraal onderwerp in de hoorzittingen voor haar benoeming in 2013 tot VS-ambassadeur bij de Verenigde Naties. In de index van haar memoires The Education of an Idealist (2019) komt het woord ‘Israël’ niet voor. Het leek haar waarschijnlijk het veiligst om het onderwerp helemaal weg te laten.

In zijn nieuwe autobiografie A Promised Land probeert haar voormalige baas Barack Obama een andere weg in te slaan. Hij geeft de lezer genoeg informatie om te zien hoe de beleidsvorming van Washington ten aanzien van Israël/Palestina er werkelijk uitziet. Hij geeft details over de politieke realiteit die zijn vermogen om de bezetting van de Westelijke Jordaanoever door Israël aan te vechten beperkte (en die president-elect Joe Biden waarschijnlijk ook zal beperken).

Barack Obama beheerst zijn public relations veel beter dan de president die nu (nog even) in het Witte Huis zit. Eigen foto

Hij vertelt echter niet wat de implicaties van zijn verhaal zijn, misschien omdat die zo sterk lijken op het centrale argument van een van de meest opruiende buitenlandse beleidsboeken van de laatste twee decennia: Stephen Walt en John Mearsheimer’s The Israel Lobby.

In 2006 publiceerden Stephen Walt, politicoloog aan de Harvard University, en Mearsheimer, politicoloog aan de University of Chicago, een essay – dat vervolgens een boek werd – waarin werd gesteld dat “de echte reden waarom Amerikaanse politici zo onderdanig zijn” ten opzichte van de Israëlische regering “de politieke macht van de Israëlische lobby is”.

Die eerbied, stelden ze, “brengt de Amerikaanse nationale veiligheid in gevaar.” Het boek veroorzaakte een woeste terugslag. Abraham Foxman, toen directeur van de Anti-Defamation League, schreef een eigen boek, volledig gewijd aan de stelling dat argumenten zoals die Walt en Mearsheimer antisemitisch zouden zijn. De Harvard University en de Universiteit van Chicago verklaarden Walt en Mearsheimer’s “artikel niet moet worden geïnterpreteerd of weergegeven als een weerspiegeling van het officiële standpunt van beide instellingen”.

In bepaalde opzichten hebben Walt en Mearsheimer hun zaak feitelijk overdreven. In hun essay schreven ze dat “Israël en de Lobby” “een kritische impact” hadden op het besluit van de regering van president W. Bush om Irak binnen te vallen, wat niet het geval was. Noam Chomsky beschuldigde de auteurs ervan de rol te bagatelliseren van bedrijfsbelangen bij het bepalen van het beleid van de VS.

Desondanks bevatte Walt en Mearsheimer’s kernbewering – dat lobby’s als AIPAC1 het veel moeilijker maken voor Amerikaanse beleidsmakers om het Israëlische beleid uit te dagen, dat zij als schadelijk beschouwen voor de Amerikaanse belangen – meer dan een kern van waarheid. Als je Obama’s memoires zorgvuldig leest, is het duidelijk dat hij het hier mee eens is.

Obama is zeker van mening dat de steun van de VS voor de bezetting van de Westelijke Jordaanoever door Israël de belangen van de VS heeft geschaad. Die steun, zo schrijft hij, “bleef de Arabische gemeenschap ontvlammen en voedde het anti-Amerikaanse sentiment in de hele moslimwereld.” Hij vat het zo samen: “De afwezigheid van vrede tussen Israël en de Palestijnen maakte Amerika minder veilig”.

Als president probeerde Obama daar verandering in te brengen, maar hij werd in grote mate gedwarsboomd door de Israëlische lobby. Al snel na zijn aantreden in 2009 vroeg hij Israëlische eerste minister Benjamin Netanyahu om de uitbreiding van de koloniale nederzettingen in de bezette gebieden te bevriezen. Obama heeft tevens kritiek op Palestijns leider Mahmoud Abbas, die hij te voorzichtig vond.

Maar hij betoogt dat “er niet veel was dat de Israëli’s aan Abbas konden bieden wat de Israëli’s niet al zelf konden nemen.” Dus, “gezien de asymmetrie van de macht … dacht ik dat het redelijk was om de sterkere partij te vragen een grotere eerste stap te zetten in de richting van de vrede.”

Obama ging zo niet alleen met Netanyahu de strijd aan, maar ook met AIPAC. “Leden van beide partijen (Democraten en Republikeinen) maakten zich zorgen over het irriteren van AIPAC”, schrijft hij. “Zij die te veel kritiek hadden op het Israëlische beleid, riskeerden te worden bestempeld als ‘anti-Israël’ (en mogelijk antisemitisch) en geconfronteerd te worden met een goed gefinancierde tegenstander bij de volgende verkiezingen”.

Toen Obama voorstelde om de bouw van nederzettingen te bevriezen, “begonnen de telefoons van het Witte Huis te rinkelen, omdat leden van nationale veiligheidsteam oproepen kregen van journalisten, van leiders van Amerikaans-Joodse organisaties, van prominente aanhangers en leden van het Congres. Die vroegen zich allemaal af waarom [de leden van zijn team] Israël onder druk zetten … dit soort druk ging door gedurende een groot deel van 2009”.

Obama geeft toe dat deze druk zijn tol eiste. Hij schrijft verder dat het “lawaai dat Netanyahu orkestreerde het beoogde effect had. Onze tijd werd opgeslokt, waardoor we in het defensief werden gedrukt”. Door dit gevecht met Israël, verklaart hij dat een “binnenlandse politieke kost werd afgedwongen die gewoonweg niet bestond wanneer ik te maken had met Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, Japan, Canada of een van onze andere naaste bondgenoten.”

Het is het waard om even bij deze laatste regel hierboven wat te blijven hangen. Obama omschrijft hier de pro-Israëlische infrastructuur niet zomaar als machtig. Hij zegt dat het vanwege de Israëlische lobby moeilijker werd om het beleid van de VS ten opzichte van Israël af te stemmen op het nationale belang van de VS dan bij eender welke andere bondgenoot het geval was.

Door te beschrijven hoe AIPAC zijn financiële spieren rolde om politici te intimideren, herhaalt hij in feite een aanklacht die hielp Walt en Mearsheimer (en meer recentelijk Ilhan Omar) het etiket ‘antisemieten’ opgeplakt te krijgen.

Na Obama’s ruzie met AIPAC stemde Netanyahu toch in met een tien maanden durende gedeeltelijke stop op de bouw van nederzettingen, die echter geen betrekking had op Oost-Jeruzalem of op gebouwen waar al aan gewerkt werd. Abbas was op zijn hoede om in eigen land in diskrediet te worden gebracht door te lange onderhandelingen met een eerste minister die niet geïnteresseerd was in de creatie van een levensvatbare Palestijnse staat. Hij ging alleen maar akkoord met rechtstreekse gesprekken toen de tien maanden bevriezing bijna voorbij was.

Obama besluit het Israëlische/Palestijnse deel van zijn memoires met zijn relaas van een topontmoeting in september 2010, die gericht is op het starten van deze besprekingen. Daar waren Netanyahu en Abbas bij, evenals Egyptisch president Hosni Mubarak en koning Abdullah van Jordanië”. De sfeer, zo schrijft Obama, was er “warm en collegiaal”.

Maar het was allemaal een schone schijn: “Diep van binnen geloofde geen van de leiders die ik ontmoette dat iets anders mogelijk was.” Obama beeldt zich in hoe ze het Witte Huis verlieten als “acteurs die backstage hun kostuums uittrekken, hun make-up wegvegen, voordat ze terugkeren naar de wereld die ze kenden.” Kort na deze ontmoeting weigerde Netanyahu de bevriezing (van de bouw van nieuwe nederzettingen) verder te zetten en Palestijns president Abbas brak vervolgens de onderhandelingen af. De top was een “pantomime” geweest.

Dit dus is de nieuwe Obama, de schrijver die zich terugtrekt uit zijn rol als machtigste man ter wereld, om zijn medegezellen-wereldleiders weer te geven – en te minachten. Dit is gewoon niet eerlijk van hem. Als deze mensen uit het Midden-Oosten pantomime speelden, dan deed Obama dat ook. Hij schildert zichzelf af als een soort onschuldige, ietwat naïeve, bijstaander in dit grimmige Oosterse drama. In werkelijkheid was Obama de beschermheer van Netanyahu – Obama’s regering hielp het Israëlische leger te financieren en schermde het land af van de VN.

Noot van de vertaler:

Obama laat hier cruciale informatie weg. In september 2016, enkele maanden voor het einde van zijn tweede presidentiële mandaat tekende hij een decreet dat Israël, verspreid over de 10 volgende jaren, 38 miljard dollar militaire hulp toekent, waarmee hij zich vestigt als de grootste financiële steungever van Israël ooit in het Witte Huis. Tot voor Obama was de jaarlijkse steun aan Israël gemiddeld 3,1 miljard per jaar. Obama verhoogde dat voor tien jaar – over de vier jaar van zijn opvolger president Trump heen – naar 3,8 miljard per jaar. Netanyahu noemde Obama’s beslissing toen “zonder precedent”, “historisch” en “de beste verwezenlijking sinds de uitvinding van gesneden brood”. In The Guardian verschenen reeds vier recensies van Obama’s boek. Geen enkele rept over deze passages.

Als Obama echt het volle gewicht van de Amerikaanse macht had ingezet, had hij er zeer waarschijnlijk voor kunnen zorgen dat de top heel anders zou uitpakken. Hij had het Israëlische gedrag wel degelijk kunnen veranderen. Hij koos er integendeel voor om dat niet te doen “omdat de binnenlandse politieke kostprijs te hoog was”. Die binnenlandse politieke kostprijs was te hoog door het werk van de Israëlische lobby, zoals hij hierboven al erkende.

Obama’s echte boodschap is te vinden in een gedachtenwisseling die niet in zijn boek wordt vermeld. In 2010 zou een man bij een inzamelingsactie hem als nieuwe president hebben gevraagd om te ijveren voor een rechtvaardige oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Foto:John Bottega/Library of Congress/Public Domain

Obama antwoordde met het antwoord dat president Franklin Roosevelt gaf toen de zwarte arbeidsleider A. Philip Randolph (foto) hem smeekte om meer te doen voor de burgerrechten. “Ik ben het eens met alles wat je hebt gezegd”, antwoordde FDR naar verluidt, “maar ik vraag één ding van u, Mr. Randolph, en dat is dat u me dwingt het te doen.”

In zijn memoires maakt Obama impliciet hetzelfde punt: Dat hij het beleid van de VS niet kan veranderen totdat de Amerikanen, door hun activisme, de politieke obstakels die de Amerikaanse presidenten in de weg staan, elimineren. Voor progressieve activisten klinkt “make me do it” misschien als een manier van politici om de schuld van het eigen gebrek aan moed af te schuiven.

Dit is desalniettemin een vrij nauwkeurige weergave van hoe de Amerikaanse politiek eigenlijk werkt. Het presidentschap van Joe Biden – een man die nog minder geneigd is om de Israëlische lobby uit te dagen dan Obama – zal onthullen hoeveel meer mobilisatie we nog steeds nodig hebben.

 

Het artikel Obama and the Israel Lobby op de website van Jewish Voice for Labour (JVL) werd vertaald door Lode Vanoost.

JVL is een netwerk van Joodse leden van de Britse Labour Party. “Wij komen op voor de rechten van het Joodse volk waar ook, en tegen het onrecht dat Palestijnen en andere onderdrukte volkeren ondergaan. Wij steunen het recht van de strijders voor de rechten van de Palestijnen om zich te engageren in solidariteitsacties zoals Boycot-Divestment-Sanctions (BDS). Wij verzetten ons tegen de pogingen om de definitie van antisemitisme uit te breiden voorbij zijn betekenis van vijandigheid en discriminatie van Joden als Joden”.

Peter Beinart is hoofdredacteur van Jewish Currents, “een tijdschrift toegewijd aan de rijke traditie van gedachten, activisme en cultuur van Joods links. Hij schrijft regelmatig Opinies in The New York Times.

 

Note:

1   De American Israel Public Affairs Committee (AIPAC) is een zionistische lobby-organisatie die de bezetting en de kolonisatie van Palestina door Israël verdedigt in het Amerikaanse Congres.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!