Een actie voor een basisinkomen in Zwitserland
Opinie -

Het basisinkomen als breekijzer tegen de vakbonden?

Michel Bauwens en Rogier De Langhe zien het basisinkomen als een middel om de macht van vakbonden ("die enorme vergoedingen opstrijken") in te perken. Er zijn nochtans goede redenen te verzinnen om vakbonden net wel een cruciale plaats te geven in de discussie over een basisinkomen.

dinsdag 2 juni 2015 12:08

CD&V heeft de deeleconomie – ook wel de
peer-to-peermaatschappij genoemd – in de armen gesloten. Het begon
met Jean-Luc Dehaene die de laatste jaren van zijn leven met het boek
De wereld redden van Michel Bauwens en Jean Lievens onder de arm
liep. CD&V-voorzitter Wouter Beke stapt mee op de trein en
schreef vorig weekend in De Morgen dat “de deeleconomie de wereld
kan redden”.

In datzelfde stuk zette Beke wel vraagtekens bij het basisinkomen.
Michel Bauwens en Rogier De Langhe, een economiefilosoof aan de
Universiteit Gent, schreven een repliek waarin ze het basisinkomen
verdedigen. Dit blijft merkwaardig genoeg een discussie binnen CD&V.
Rogier De Langhe was vorig jaar nog lid van de congrescommissie van
JongCD&V.

Terwijl links in Vlaanderen vooral bezig is met de langst
aanslepende voorzittersverkiezing ooit en mogelijke frontvorming in
2018, trekt CD&V het debat over de toekomst van de welvaartsstaat
en de economie naar zich toe. Best tragisch allemaal. Voor links dan
toch.

Factcheck? Iemand?

Maar daar gaat dit stuk niet over. Wel over een aantal
redeneringen in het artikel van Bauwens en De Langhe. “Het wordt
stilaan onverdedigbaar dat traditionele mastodonten zoals vakbonden
en mutualiteiten enorme vergoedingen opstrijken voor hun rol als
middenveld terwijl het nieuwe middenveld dat ontstaat rond thema’s
als duurzaamheid en gezonde levensstijl veelal is aangewezen op
karige cultuursubsidies”, schrijven De Langhe en Bauwens.

Een basisinkomen zou in die optiek dan een nieuw
financieringsmodel zijn voor het middenveld. Nu moeten zij hengelen
naar subsidies om personeel te betalen. Via het basisinkomen zou dat
personeel zelf kunnen beslissen hoeveel tijd ze vrij willen maken
voor de organisatie of beweging waarin ze actief zijn.

De redenering van Bauwens en De Langhe is zowel strategisch als
inhoudelijk problematisch. De vakbonden staan huiverig tegenover een
basisinkomen. Een dergelijke gratuite uithaal over de “enorme
vergoedingen” die vakbonden opstrijken, zal daar niet bij helpen.
Het argument dat vakbonden veel te veel geld krijgen voor de
uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen, is al in verschillende
factchecks gesneuveld.

Ten eerste zijn de vakbonden nu al de helft goedkoper dan de
overheidsinstelling de Hulpkas. Bij het ACV bijvoorbeeld bedraagt de
administratiekost 16,36 euro per dossier. Bij de Hulpkas is dat 29,17
euro per dossier. Bovendien verliezen de vakbonden geld aan die
uitbetaling. “Over het algemeen eindigen de bonden de laatste jaren
altijd in de min”, liet de RVA een tijd geleden weten.

De redenering van Bauwens en De Langhe sluit trouwens aan bij die
van Roland Duchâtelet, de ondernemer die ooit een partij oprichtte
om het basisinkomen te promoten. “Het basisinkomen is zo’n geniaal
systeem, dat vakbonden niet meer nodig zijn”, schreef hij onlangs aan
De Morgen
.

De rol die de Belgische vakbonden spelen in het maatschappelijk
middenveld is historisch gegroeid. Het waren de werknemers zelf die
stukken van de sociale zekerheid hebben opgebouwd door een deel van
hun inkomen te stoppen in werkloosheids- en pensioenkassen. In het
grote sociale compromis na de Tweede Wereldoorlog gaven de
arbeidersbewegingen hun hulpkassen af aan de overheid, maar in ruil
mochten ze de sociale zekerheid mee beheren. De vakbonden bleven ook
de werkloosheidsuitkeringen uitbetalen.

Basisinkomen als loonsubsidie?

Het basisinkomen kent een aantal notoire neoliberale aanhangers.
Die hebben meestal twee motieven. Ten eerste wordt het basisinkomen
gezien als een middel om de fijnvertakte boom van de sociale
zekerheid om te hakken. “We moeten het samenraapsel van specifieke
welzijnsprogramma’s vervangen door één alomvattend programma van
inkomenssupplementen in cash”, schreef Milton Friedman, één van
de grondleggers van het neoliberalisme.

Tweede neoliberale argument voor het basisinkomen is dat het een
loonsubsidie kan zijn voor de werkgevers. De Britse econoom en
Nobelprijswinnaar James Meade schreef in 1995 dat de volledige
werkgelegenheid van na de Tweede Wereldoorlog nooit meer zou
terugkeren, tenzij de lonen ver onder het bestaansminimum zouden
zakken. Het verlies aan koopkracht voor mensen die zo’n laagbetaalde
jobs doen zou dan kunnen opgevangen worden met een basisinkomen.

Om al die redenen is het net wel een goed idee om het basisinkomen
een plaats te geven binnen de sociale zekerheid. Het kindergeld –
een vaste som voor elk kind – heeft al heel wat kenmerken van een
basisinkomen. Je zou ook enkele uitkeringen zoals bij zorgverlof veel
minder voorwaardelijk kunnen maken. Dat zouden de eerste stappen
kunnen betekenen in de richting van een basisinkomen dat niet
tegenover de bestaande sociale zekerheid staat, maar er net uit
ontspruit.

En als een dergelijk basisinkomen een pijler wordt van de sociale
zekerheid kunnen de vakbonden ook hun rol blijven spelen. De economen
Kavanagh en Clark schrijven: “Het bestaan van een minimumloon,
sterke vakbonden en strenge pro-werknemers-wetgeving zijn essentieel
om te verhinderen dat het basisloon uitdraait op een
loonsubsidiepolitiek.”

Met andere woorden: zelfs wanneer een volwaardig basisinkomen er
komt, dan blijft het absoluut noodzakelijk dat er onafhankelijke
organen bestaan die waken over de rechten van werknemers. De grens
tussen een basisinkomen dat emanciperend werkt en een basisinkomen
dat verdoken subsidie is voor werkgevers, is dun. Die grens moet dus
constant bewaakt en heronderhandeld worden. Wie anders dan de
vakbonden zijn daar het meest geschikt voor?

Tijd dringt

Misschien wordt het tijd voor links om deze discussie over het
basisinkomen naar zich toe te trekken. Of we het nu graag
hebben of niet, de structurele economische condities waarop de
klassieke welvaartsstaat rustte zijn vervaagd, waardoor het concept
van de welvaartsstaat zelf moet herdacht worden. De creativiteit om
die welvaartsstaat te herdenken is tegenwoordig vooral te vinden aan
de rechterzijde. Met alle asociale gevolgen van dien.

De
urgentie is hoog om arbeid, solidariteit en de rol van het
middenveld te herdenken en opnieuw vorm te geven op een
geloofwaardige wijze. Maar nooit eerder was de ideeënarmoede op
links zo schrijnend in Vlaanderen. Het wordt dus hoog tijd om
opnieuw te durven denken. En daarna te handelen.

Van
Thomas Decreus en Christophe Callewaert verschijnt dit najaar bij EPO
het boek
Dit is morgen over het basisinkomen en andere recepten voor
de toekomst.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!