Foto: Elizabeth Lalasz, SocialistWorker.org / CC BY-NC-ND 3.0 (More information about the rights of this work, see below article)
Interview - Rebeca Martínez, Vertaald door Grenzeloos.org

Het feminisme voor de 99% is geen alternatief voor de klassenstrijd, het is een ander front erin

donderdag 31 oktober 2019 17:29

Nancy Fraser schreef samen met Cinzia Arruzza enTithi Bhattacharya Feminisme voor de 99%. In dit manifest keren ze zich tegen het liberale feminisme dat zich richt op de carrièremogelijkheden van vrouwen en pleiten ze voor een feminisme dat aan de kant van de meerderheid van de vrouwen staat: werkneemsters, gemigreerde vrouwen, lesbische vrouwen en transvrouwen en hun problemen. De vrouwen die geconfronteerd worden met institutioneel racisme en met de uitbuiting die zij ervaren in hun banen en hun huizen, waar zij opdraaien voor de zorg voor anderen. Rebeca Martínez van Viento Sur interviewde haar over het boek, haar kritiek op het zogenaamde ‘progressieve neoliberalisme’ en haar begrip van een feminisme dat de stemmen van de arbeidersklasse en de geracialiseerde vrouwen centraal stelt.

Rebeca Martínez: Wat is Feminisme voor de 99% precies – en waarom nu zo’n manifest?

Nancy Fraser: Het manifest is een kort stuk dat bedoeld is om toegankelijk te zijn voor een breed publiek in plaats van academisch. Ik schreef het samen met de Italiaanse feministe Cinzia Arruzza, die in New York woont, en Tithi Bhattacharya, een Indiaans-Britse vrouw die lesgeeft in de Verenigde Staten.

Dit is de eerste keer sinds ik als activiste in de jaren zestig en zeventig weer een echt agitatorisch politiek geschrift heb geschreven. Ik ben immers vooral hoogleraar filosofie. Maar de tijden zijn nu zo heftig, de crisis van de politiek zo diep, dat ik echt het gevoel had dat ik er in moest springen en moest proberen een breder publiek te bereiken. Het manifest probeert dus een nieuwe weg uit te stippelen voor de feministische beweging, die de laatste decennia gedomineerd wordt door een liberale vleugel van het feminisme, zoals  in de Verenigde Staten verpersoonlijkt door Hillary Clinton.

Dat was het feminisme van de professionele managementklasse, van relatief bevoorrechte vrouwen – vrouwen uit de midden- of hogere middenklasse die hoogopgeleid en meestal wit zijn – die proberen vooruit te komen in de wereld van het bedrijfsleven, het leger of de media. Hun project was om op te klimmen in de bedrijfshiërarchie, om op dezelfde manier behandeld te worden als de mannen van hun eigen klasse, met hetzelfde salaris en prestige.

Dit was geen echt egalitair feminisme – het was geen feminisme dat veel te bieden had aan de overgrote meerderheid van de vrouwen die arm zijn en deel uitmaken van de arbeidersklasse, die deze privileges niet hebben, die migrante, vrouw van kleur, trans of non-cis vrouwen zijn. En dit feminisme van de 1 procent, of in het beste geval 10 procent, heeft de naam van het feminisme aangetast. Het heeft onze zaak verbonden met elitarisme, met individualisme, met het bedrijfsleven. Het heeft het feminisme een slechte naam gegeven, door ons te associëren met neoliberalisme, met financialisering, met globalisering, met een politiek gericht tegen de arbeidersklasse.

Wij drieën vonden dit een goed moment om in te springen en te proberen een kort, toegankelijk statement te poneren: een visie, een project van een feminisme dat de situatie van arme en werkende vrouwen als uitgangspunt neemt, waarbij we ons afvragen wat we echt moeten doen om het leven van vrouwen te verbeteren. Natuurlijk zijn wij drieën niet de enigen, er zijn andere linkse feministen die een alternatief proberen te ontwikkelen.

Dit zien we bij de grote marsen en demonstraties rond 8 maart [Internationale Vrouwendag]: deze protesten hebben een anti-systeem karakter, omdat ze protesteren tegen de bezuinigingen en de aanval op de sociale (re)productie. De beweging kan zich niet alleen richten op traditionele vrouwenkwesties zoals het recht op abortus – hoewel die zeer belangrijk zijn – maar moet ook nadenken over de grotere crisis van de samenleving en beleid en programma’s formuleren ten behoeve van iedereen. Daarom noemen we het een feminisme voor de 99 procent. Dat betekent niet alleen 99 procent van de vrouwen, maar 99 procent van de mensen op de planeet.

Je noemde 8 maart en de feministische stakingen die sinds 2017 in veel landen georganiseerd worden, ook in Spanje. Sterker nog, daarnaast zijn in Spanje de laatste jaren de meeste arbeidsprotesten door vrouwen gevoerd, bijvoorbeeld door huishoudelijk- en verplegend personeel. Dus, staan we voor een nieuwe golf binnen het feminisme? En op welke fase van het neoliberale kapitalisme reageert die?

Ik denk dat het een nieuwe golf is, of tenminste het potentieel heeft om er een te worden, als er echt gebroken wordt met het liberale feminisme. En ik denk dat er veel tekenen zijn die daarop wijzen.

Het neoliberalisme heeft een felle aanval gepleegd op wat wij de sociale reproductie noemen. Dat betekent alle activiteiten en programma’s die mensen en hun voortplanting ondersteunen: van de bevalling en de opvoeding van kinderen, de zorg voor ouderen en het werk dat er gedaan wordt in particuliere huishoudens tot zaken als onderwijs, gezondheidszorg, vervoer, pensioenen en huisvesting. Het neoliberalisme heeft dat allemaal uitgekleed. Het neoliberalisme zegt dat vrouwen fulltime moeten werken als betaalde arbeidskrachten en tegelijkertijd dat staten moeten bezuinigen op de uitgaven voor sociale programma’s als onderdeel van de bezuinigingen en financialisering.

We zien hier dus zowel de terugtrekking van de publieke steun op deze gebieden, als het er op aandringen dat vrouwen hun tijd steken in het produceren van winst voor het kapitaal. Dat betekent een echte crisis in de zorg en sociale reproductie. Op dit gebied is er – zoals je al zei – het meeste strijd en zijn er strijdbare stakingen.

In de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw stond de industriële arbeid in het centrum: de strijd voor de vorming van vakbonden, de strijd voor arbeidsrechten, enzovoort. Vandaag de dag is de situatie anders, mede door de déindustrialisatie en de verplaatsing van de productie naar het Zuiden. Nu staat de sociale reproductie centraal.

Je noemde een aantal belangrijke stakingen onder leiding van vrouwen; ik zou hieraan willen toevoegen dat we in de Verenigde Staten een grote golf van stakingen van leraren hebben gehad. Het is buitengewoon: leraren worden zo slecht betaald dat velen van hen ‘s avonds een tweede baan moeten aannemen om genoeg te hebben om te kunnen leven, zelf en hun gezinnen. Maar de stakingen van deze leraren waren niet alleen voor hogere lonen, maar ook voor meer geld voor onderwijs, om de scholen beter te maken. Ze hebben dan ook enorm veel steun gekregen.

Dat is een voorbeeld van de sociale reproductie als een belangrijke bron van strijd. En ik begrijp dat de grote marsen en stakingen van 8 maart in Spanje ook protesten waren tegen de bezuinigingen op de sociale uitgaven op al deze gebieden. De strijd om de sociale reproductie staat vandaag de dag op het snijvlak van de linkse, anti-systeem, antikapitalistische strijd en vrouwen staan aan de voorhoede. Dit feit moet centraal staan in een nieuwe manier van denken over wat feministische politiek is.

Hoe is de wisselwerking van deze strijd om sociale reproductie met de klassenstrijd en met antiracistische- en LHBTQ-bewegingen?

Allereerst denk ik dat we opnieuw moeten nadenken over wat we bedoelen met klassenstrijd. Ook hier is ons beeld van de klassenstrijd nog steeds geworteld in de jaren dertig van de vorige eeuw – de witte, mannelijke industriële arbeider met een vakbond. Maar ik zou zeggen dat deze strijd om sociale reproductie ook klassenstrijd is. Want je kunt geen productie en geen industrieel werk hebben als je niet iemand hebt die het werk doet om de arbeiders te produceren en aan te vullen en om te zorgen voor de volgende generatie die hen zal vervangen. Sociale reproductie is essentieel voor de kapitalistische productie.

Het werk dat deze mensen voortbrengt en sociaal vormt is net zo goed werk als het werk dat in fabrieken wordt gedaan. Wat een klasse maakt, is niet alleen de relatie van het werk in de fabriek, maar ook de relaties van sociale reproductie die de arbeiders produceren. Dit maakt dus allemaal deel uit van de klassenstrijd.

Ons idee van klassenstrijd was in het verleden te beperkt. Ik denk niet dat het feminisme voor de 99 procent een alternatief is voor de klassenstrijd. Het is een ander front in de klassenstrijd, dus het zou verbonden moeten worden met de meer bekende arbeidersbewegingen en de andere dingen die je noemde – de antiracistische strijd, de strijd voor migrantenrechten en de strijd voor LHBTQ-rechten.

Dat is ook van belang vanwege de nieuwe klassen- en rassenscheiding onder vrouwen. De vrouwlijke ondernemers, de hoogopgeleide vrouwen uit de hogere middenklasse die proberen de discriminatie te verslaan en in bedrijven aan  de top te komen, werken zestig uur per week in zeer veeleisende banen. Ze huren vrouwen van kleur in, vaak migrantenvrouwen, om het werk in de zorg, de kinderopvang, het schoonmaken van hun huizen, het koken voor hun kinderen, de zorg in verpleeghuizen voor hun ouders, enzovoort, te doen. Deze liberaal-feministische vrouwen leunen dus op het werk van geracialiseerde vrouwen. Deze laatsten zijn kwetsbaar: ze hebben geen arbeidsrechten, worden slecht betaald en zijn kwetsbaar voor mishandeling en misbruik.

Deze hele klassen- en rassendimensie moet binnen het feminisme centraal staan. Het feminisme voor de 99 procent moet een antiracistische beweging zijn en moet rekening houden met de situatie van arme, werkende en geracialiseerde vrouwen – dat wil zeggen de meerderheid van de vrouwen – en hun behoeften op de voorgrond plaatsen, niet de behoeften van vrouwen die in bedrijven carrière willen maken, die het glazen plafond willen kraken.

Ook binnen de LHBTQ-beweging is er een liberale vleugel die overheersend is, maar ook een bredere massa mensen wiens behoeften en problemen gemarginaliseerd zijn. Dus ik denk dat er een vergelijkbare strijd gaande is binnen de LHBTQ-bewegingen over de vraag wiens problemen centraal moeten staan. Ik zou graag zien dat ons feminisme voor de 99 procent zich inzet  voor trans- en homoseksuelen en lesbische vrouwen, en ik zou graag een LHBTQ-beweging zien voor de 99 procent, wat haar natuurlijke bondgenoot is.

Het is duidelijk dat de strijd om de sociale reproductie een blok tegen het neoliberalisme en kapitalisme zou kunnen vormen. Maar hoe zit het met patriarchale verhoudingen – kunnen we mannelijk geweld bestrijden binnen de voorwaarden van de strijd om reproductie? Kunnen we dit front gebruiken om onze relaties met andere vrouwen en vooral met mannen te veranderen?

Dat is een goede vraag. Laat ik beginnen met het noemen van de #MeToo-beweging. Het publieke imago van deze beweging is gericht op Hollywood, hoogbetaalde actrices, entertainers, de media, enzovoort. Maar de brede massa van veel minder bevoorrechte vrouwen is nog veel kwetsbaarder voor seksuele agressie en pesterijen op het werk. Ik heb het over flexarbeidsters, van wie sommigen zelfs geen papieren hebben, en die door hun gebrek aan macht en middelen zeer kwetsbaar zijn voor de eisen van bazen en voormannen. Hetzelfde geldt voor hotelmedewerksters – het geval Dominque Strauss-Kahn – of werkneemsters die kantoren schoonmaken. Mensen die als huishoudelijke hulp in privé-woningen werken, worden heel vaak het slachtoffer van verkrachting en seksueel geweld.

De #MeToo-beweging gaat, als je er breder naar kijkt, over arbeidsconflicten. Het is een strijd voor een veilige werkplek waar je niet wordt misbruikt. Dat de media zich alleen op het hoogste niveau concentreren is jammer, want zo lijkt het er niet op dat het een klassenstrijd is. Maar de kwestie van de sociale reproductie heeft ook te maken met het veranderen van de relaties tussen productie en reproductie en dus met het veranderen van de machtsverhoudingen binnen huishoudens.

Sociale reproductie mag niet alleen genderbepaald neergezet worden als vrouwenwerk. Het is belangrijk werk in de maatschappij, waarvan sommige aspecten zeer aangenaam en creatief zijn. Mannen moeten daar toegang toe hebben en moeten zich verantwoordelijk voelen om hun deel te doen en hun volledige gewicht in de schaal te leggen. Ook dit gaat over het veranderen van de dynamiek binnen huishoudens. En natuurlijk is een feminisme voor de 99 procent tegen alle geweld tegen vrouwen, transseksuelen, non-cis mensen, mensen met een raciale achtergrond, enzovoort.

Ik moet zeggen dat patriarchaat een woord is, dat ik zelf niet graag gebruik, want het suggereert een beeld van macht dat dyadisch is – je hebt een meester en zijn onderworpen bediendes. Dat bestaat voor een  deel natuurlijk nog steeds, daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de werkelijk centrale vormen van macht in onze samenleving bestaan op een onpersoonlijke en structurele manier, die de mogelijkheden van de arbeidersklasse en arme mensen beperkt.

Ik denk dus dat het belangrijk is om een ander beeld van macht te hebben. Het werkt via de banken en het IMF, via de organisatie van financiën en industrie en via de opbouw van genderbepaalde en geracialiseerde arbeidsmarkten. Dat is wat bepaalt wie toegang heeft tot middelen, wie zijn/haar aanspraken kan waarmaken en zelfs binnen gezinnen en persoonlijke relaties als gelijken kan functioneren.

Als je het over sociale rechtvaardigheid hebt, maak je onderscheid tussen drie niveaus. Er is distributie (de economie) maar ook erkenning (cultuur) en vertegenwoordiging (politiek). In hoeverre zijn deze drie niveaus aanwezig in de nieuwe feministische golf?

Ik denk dat we ons met al deze dingen bezighouden en dat ze met elkaar verbonden zijn. Je kunt de economische sfeer en de distributierelaties niet veranderen als je ook die andere dingen niet verandert.

Wat belangrijk is in de politieke sfeer wordt vaak bepaald in fuctie van wat belangrijk is in de economische sfeer, hoewel kapitalistische krachten erop staan dat wat er op de werkplek gebeurt, moet worden beslist door de markt en door bazen, alsof  dat geen kwesties zijn voor democratische, politieke, collectieve zelfbeschikking. Er is een grens tussen wat de particuliere eigenaren van kapitaal beslissen en wat wij als democratische meerderheid beslissen.

Dat heeft veel te maken met culturele kwesties – met de taal die ons ter beschikking staat om onze situatie te begrijpen. Hebben we begrippen als seksuele intimidatie en verkrachting binnen een relatie, de terminologie om te praten over wat de misstanden in de samenleving zijn, om te praten over onze ervaringen en om onze eisen te formuleren?

Het feminisme heeft veel gedaan om nieuwe taal te creëren en, in die zin, om de cultuur te veranderen, om het begrip van mensen te veranderen voor wat ze wel en niet te verdragen hebben. Het heeft dus het politieke discours verruimd over wat potentieel een kwestie is van democratische besluitvorming en niet van de privébeslissingen van een gezin of een bedrijf.

Op dit culturele niveau hebben we meer vooruitgang geboekt dan op het niveau van institutionele verandering en transformatie, zowel op politiek als op economisch vlak. Maar het gaat altijd om de onderlinge verbanden tussen deze drie dingen.

Je hebt erop gewezen dat het neoliberalisme zich een deel van de kritiek en de eisen van het feminisme van de tweede golf en andere bewegingen uit de jaren zeventig heeft toegeëigend en deze in zijn eigen voordeel heeft verwerkt. Zou dit opnieuw kunnen gebeuren met de opkomende vormen van feminisme – en wat kunnen we doen om dit te voorkomen?

Het liberale feminisme, het liberale antiracisme en de liberale LHBTQ-bewegingen en het zogenaamde ‘groene kapitalisme’ werden gehegemoniseerd – opgenomen – in een hegemoniaal heersend blok dat in de Verenigde Staten de vorm aannam van wat ik ‘progressief neoliberalisme’ noem.

Deze bewegingen leenden hun charisma, hun ideologie, om deze afschuwelijke politiek – financialisering, de precarisering van werk en de verlaging van lonen – het fineer van het pro-homo, pro-vrouwen, enzovoort – te geven. Dat is zeker gebeurd en daarom is het zo belangrijk dat de nieuwe golf van feminisme met dat soort feminisme breekt en een nieuwe weg uitzet.

Het is altijd mogelijk om overgenomen en ingekapseld te worden door machtigere krachten, waarvan het uiteindelijke doel sterk in strijd is met het eigen doel. Het is altijd belangrijk dat de emancipatorische en linkse beweging hiervoor op haar hoede is.

We krijgen tegenwoordig te horen dat we eigenlijk maar twee opties hebben – ofwel rechts autoritair populisme, dat racistisch en xenofoob is, of een terugkeer naar onze liberale beschermers en het progressieve neoliberalisme. Maar dat is een verkeerde keuze – we moeten beide opties afwijzen.

Dit is een tijd van enorme crisis waarin we de kans hebben om een andere weg uit te stippelen, een echte systeemkritische beweging op te bouwen voor de 99 procent waarin het feminisme voor de 99 procent een stroming is, samen met de arbeidersbewegingen, het milieubewustzijn voor de 99 procent, de strijd voor de rechten van de migranten voor de 99 procent, enzovoort.

Je hebt geschreven dat de natiestaat (in wat je het Westfaals-Keynesiaanse model noemt) in een crisis is geraakt met het neoliberalisme en dat zijn grenzen nu diffuser zijn. Je noemt dit ‘deframing policy’. Maar wat is de rol van de natiestaat vandaag de dag. Kunnen we zeggen dat die verdwenen is?

Nee, die is niet verdwenen. Historisch gezien, is de belangrijkste kracht, die bescherming en veiligheid heeft geboden aan werkende mensen tegen het kapitaal, de natiestaat geweest. En het is nog steeds zo dat de natiestaat de belangrijkste geadresseerde van eisen blijft. Als we bescherming willen, als we sociale steun willen, wie vragen we dan? Wij eisen dat onze regering ons een antwoord geeft.

Dat is begrijpelijk omdat de politiek nog grotendeels op nationale basis georganiseerd is en nationale verkiezingscampagnes de belangrijkste activiteiten zijn voor de politiek op nationaal niveau. Maar het blijft zo, dat dit uiteindelijk onvoldoende is.

Dat zien we als we kijken naar migratie, een groot punt van conflict en inderdaad een crisis. Er zijnop de hele wereld mensen, die geen staten hebben die hen kunnen beschermen of iets kunnen geven zoals wij in de rijke landen onze staten vragen om ons te geven. Ze leven in mislukte staten, in vluchtelingenkampen, ze worden gedwongen om te vertrekken door politiek geweld, door religieuze vervolging, door het feit dat de Verenigde Staten hun landen zijn binnengevallen en hebben vernietigd, door de klimaatcrisis, door vele aspecten van de wereldwijde crisis waarin we leven.

Als deze mensen komen, voeren de rechtse populistische bewegingen hun nationalistische en uitsluitingspolitiek op. Wat is de slogan van Trump? ‘Maak Amerika weer groot’ – zoals het was voordat al deze zwarte mensen verschenen en ons land ruïneerden. Dat is de ideologie van deze populistische beweging. We moeten dus op een transnationale en wereldwijde manier nadenken over hoe we sociale rechten voor alle mensen in de wereld kunnen garanderen. Ze hebben die rechten nodig, zodat ze niet in een boot hoeven te stappen en hun leven op het spel hoeven te zetten, alleen maar om een fatsoenlijke plek te vinden om te leven, ergens halverwege de wereld.

 

Dit interview werd gepubliceerd op Viento Sur. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

 

Foto: Elizabeth Lalasz, SocialistWorker.org / CC BY-NC-ND 3.0 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!