Essay, Nieuws, Wereld, Economie, Tmd, Marxistische Studies, Keynes -

Keynes en de crisis

Vandaag blijven er slechts twee overtuigende verklaringen over voor de crisis: die van Keynes en het marxisme. En gezien “men niet tegen het systeem kan zijn”, wordt het bijgevolg het keynesianisme. Marxisten hebben er dus alle belang bij zich voor deze concurrerende analyse van de crisis te interesseren. Is zij juist? Is zij wetenschappelijk? Verdienen haar oplossingen onze aandacht?

dinsdag 5 april 2011 16:05


doc
Drie grote theorieën betwisten
elkaar de juiste verklaring van de crisis. De courante stroming
interpreteert de crisis als het plotselinge opduiken van een storend
element (een aanslag, een stijging van de olieprijzen, politieke of
sociale gebeurtenissen…) dat dringend uit de weg moet worden geruimd
zodat de markt zijn van nature gezonde werking kan hernemen. Keynes
hecht geen geloof aan dit zelfregulerend mechanisme. Hij is van mening
dat het kapitalisme leidt tot excessen, die door de overheid (staat)
moeten worden gecorrigeerd. Zonder die tussenkomst kan er van de
weldaden van het kapitalisme geen sprake zijn. En tot slot is er de
marxistische doctrine die diep in het systeem onderduikt om de recessie
te onderzoeken en tot de conclusie komt dat die inherent is aan het
kapitalisme. De enige uitweg is de opbouw van een andere economie, van
een andere maatschappij: het socialisme

De omvang van de
problemen, de korte duur van de groei en de aanhoudende hoge
werkloosheid ondergraven de zuiver liberale stellingen. Het waren
immers net die regeringen die het minst tussenkwamen, die in allerijl
de banken te hulp moesten snellen om een financiële catastrofe te
voorkomen. Zoals een Frans economist schreef: “In tijden van crisis
zijn we allemaal aanhangers van Keynes.” Om maar te zeggen dat er
slechts twee overtuigende verklaringen overblijven: die van Keynes en
het marxisme. En gezien “men niet tegen het systeem kan zijn”, wordt
het bijgevolg het keynesianisme.

Marxisten hebben er
dus alle belang bij zich voor deze concurrerende analyse van de crisis
te interesseren. Is zij juist? Is zij wetenschappelijk? Verdienen haar
oplossingen onze aandacht?

1. Leven en werk van een
“verlichte” bourgeois

John
Maynard Keynes wordt geboren in Cambridge in 1883, het jaar dat Karl
Marx sterft. Meer dan symbolisch! Hij behoort tot de relatief gegoede
bourgeoisfamilies van het Victoriaanse Engeland.

Zijn
afkomst vergemakkelijkt zijn onderwijsparcours, dat als briljant wordt
omschreven: in 1897 sturen zijn ouders hem naar Eaton, een van de meest
prestigieuze Britse colleges, daarna, in 1902, naar King’s College
(letterlijk het college van de koning) van de universiteit van
Cambridge. Hij studeert wiskunde, slaagt cum laude en begint dan aan
economie. Hij wordt lid van talrijke elitaire clubs van jonge
intellectuelen die ietwat kritisch staan tegenover de kapitalistische
maatschappij en haar vaak hypocriete moraal.

Tijdens de Eerste
Wereldoorlog wordt hij aangeworven door het ministerie van
Financiën en volgt van daaruit de Conferentie van Versailles, waar
gediscussieerd wordt over de herstelbetalingen die in 1919 aan
Duitsland worden opgelegd. Hij staat versteld van de logica van de
geallieerde machten, die het overwonnen land alleen maar willen
leegzuigen. Hij neemt ontslag en publiceert een eerste werk waarmee hij
naam zal maken: De economische gevolgen van de vrede. Lenin zal het
gebruiken om de roofzucht en het verlangen van de imperialistische
machten om hun buit en hun kolonies te vermeerderen, aan de kaak te
stellen.1

Vervolgens gaat Keynes
in zaken. Na enkele moeilijke periodes slaagt hij erin een klein
fortuin te vergaren dat hem in staat stelt talrijke culturele werken en
kunstboeken (zoals de memoires van Isaac Newton) aan te kopen. Hij
wordt ook directeur en zelfs algemeen directeur van enkele
verzekeringsmaatschappijen.

In de jaren twintig
haalt hij de banden met de wegkwijnende liberale partij aan. Hij
overweegt lid te worden van de arbeiderspartij, maar verwerpt dat idee
met volgende uitleg: “Om te beginnen is dat een klassenpartij en die
klasse is niet de mijne. Als ik voordelen moet opeisen voor een deel
van de maatschappij, zal het zijn voor dat deel waartoe ik behoor.
Leidt dit tot de klassenstrijd als dusdanig, dan zal mijn lokaal en
persoonlijk patriottisme, zoals dat van iedereen, op enkele ergerlijk
vlijtige personen na, gericht zijn op mijn eigen omgeving. Ik ben
gevoelig voor wat volgens mij rechtvaardig is en van gezond verstand
getuigt, maar in de klassenoorlog zal ik aan de kant van de
gecultiveerde burgerij staan.”2 Hij blijft trouwens
lid van meerdere discussiegroepen van het establishment, die in kleine
comités debatteren over de grote oriëntaties van de
maatschappij.

Niettemin wordt hij in
1929 economisch raadgever van de Labourregering met Ramsay MacDonald
als premier. Hij krijgt belangstelling voor de economische crisis die
volgt op de krach van oktober 1929 en zal er twee belangrijke werken
aan wijden: A treatise on Money en The General Theory of Employment,
Interest and Money.

Welke stellingen
verdedigt Keynes? Daarvoor moeten we even teruggrijpen naar de
omstandigheden van die tijd. Op dat ogenblik is er nog geen sprake van
een echte macro-economische theorie, dat wil zeggen een theorie die de
vragen op nationaal vlak aanpakt. Het gaat in essentie om een
micro-economie, dat wil zeggen, een economie die gebaseerd is op het
individuele spel van de verschillende actoren. Daardoor ontbreken
statistieken, wat overigens in deze recessie problemen stelt voor de
regeringen. De begrippen van Keynes zullen de grondslag leggen van de
macro-economie zoals we die vandaag beoefenen (in het bijzonder op
statistisch vlak).

Volgens Keynes valt
het nationaal product van een land (zoals trouwens ook het inkomen)
uiteen in twee delen: een deel komt voort uit de consumptievraag en een
deel uit investeringen. Noemen we het nationaal product Y (van het
Engelse yield), de consumptie van de gezinnen C (consumption) en de
investeringen I (investments), dan bekomen we volgende som: Y = C +
I.  [3]
Hoe evolueren deze twee samenstellende delen?

De consumptie
schommelt gedeeltelijk mee met het nationaal inkomen: stijgt het
inkomen, dan wordt er meer geconsumeerd en omgekeerd. Investeringen
echter zijn onvoorspelbaar en moeilijk af te bakenen. Het is een gok op
lange termijn. Maar er is zoiets als de voorkeur voor liquiditeit,
zoals Keynes het noemt. Dat wil zeggen dat de spelers graag beschikken
over liquide activa, over geld.

De investeringen zijn
afhankelijk van het spaargeld (S, van het Engelse savings).
Kapitalisten kunnen investeren maar ook geld opzij leggen of ermee
speculeren op de financiële markten. Als er een te grote
hoeveelheid geld niet wordt geherinvesteerd in het productieve apparaat
zodat het zich kan reproduceren en de rijkdom doen groeien, blokkeert
het mechanisme. We vatten dit samen in onderstaand schema. Onze
voorkeur gaat naar een meer marxistische voorstelling met een
onderscheid tussen werknemers die de totaliteit van hun inkomen
consumeren en kapitalisten die leven van de opbrengst van de
ondernemingen en die zowel kunnen consumeren als sparen.

Schema 1.

Normaal
moet spaargeld opnieuw geïnvesteerd worden om meer te produceren
en economische groei te verzekeren zodat meer mensen aan het werk
kunnen.

Maar Keynes stelt vast
dat de kapitalistische beslissingen cumulatief zijn. Wanneer de
conjunctuur goed is, geldt dat voor iedereen en willen ze dus ook
allemaal investeren. Er is sprake van overinvestering. Is de
conjunctuur echter slecht, dan houden ze allemaal tegelijk op met
investeren. Er is onderinvestering, de economie komt tot stilstand en
deze toestand houdt aan, wat desastreuze gevolgen heeft voor de
tewerkstelling (werkloosheid).

Terzelfdertijd doen de
investeringen de nationale ontwikkeling meerdere malen toenemen. Want
inderdaad, als er geïnvesteerd wordt, moeten er meer
arbeidskrachten aangeworven worden. Die arbeidskrachten consumeren, wat
weer tot nieuwe activiteiten leidt en dus tot nieuwe investeringen
enzovoort. Met andere woorden: als men 10 (miljoen of miljard euro)
investeert, kan de totale impact op de economische groei misschien wel
15, 20, 30… zijn, afhankelijk van de vermenigvuldigingsfactor.

En
hoe
hoger de consumptie naar verhouding met het loon, hoe gunstiger de
uitkomst van die vermenigvuldiging zal zijn, gezien ze tot een grotere
activiteit zal leiden. Dat is eenvoudig te begrijpen. Als de consumptie
25 % van het nationaal inkomen bedraagt, zal een investering van
10 maar een consumptie-effect hebben dat gelijk is aan die 25 %
plus de gevolgen van de activiteiten die eruit voortvloeien. Bedraagt
de consumptie 50 %, dan zal het effect ook 50 % zijn plus de
eruit voortvloeiende activiteiten en hun gevolgen.

Wat
moet
er dan gebeuren volgens Keynes? Hij stelt een programma in vier
punten voor.4

  • Ten
    eerste,
    zegt hij, moet er geconsumeerd worden en moet het aandeel van
    de consumptie in het nationaal inkomen opgedreven worden, want dat
    positieve gevolgen heeft voor de groei. Keynes zal de gezinnen dus
    herhaaldelijk oproepen om meer te consumeren.
  • Ten
    tweede
    moet er een gepast monetair beleid gevoerd worden om een
    toevloed van investeringen op gang te trekken: lage interestvoeten
    stimuleren het krediet en dus ook nieuwe investeringen. Maar, geeft
    Keynes toe in zijn werk van 1936, de situatie van de jaren dertig is
    van die aard dat de lage interesten onefficiënt zijn geworden.
    Vandaag zien we hetzelfde gebeuren: een interestvoet van 0 % in de
    VS en Japan en 1 % in Europa. Je kan moeilijk nog lager gaan om
    het krediet aan te zwengelen. Er moet dus iets anders gezocht worden.
  • Dat
    wordt
    dan Keynes’ derde voorstel: openbare investeringen. Als de
    privé in gebreke blijft, moet de overheid het goedmaken. De
    staatstussenkomst moet, volgens Keynes, het tegenovergestelde doen van
    de privé-investeringen. De staat mag niet langdurig de plaats
    innemen van de privé. Deze laatste moet de baas blijven. Maar in
    functie van de kapitalistische beslissingen die ofwel leiden tot
    overinvestering en dus tot een oververhitting van de economie, ofwel
    tot onderinvestering en dus tot een crisis, moet het regeringsbeleid
    tegen de cyclus ingaan: de uitgaven opdrijven als de privé
    terughoudend is, of alles tot staan brengen en zelfs desinvesteren als
    de ondernemers zeer actief zijn. Een dergelijk beleid is meer geschikt
    om de investeringen te stabiliseren. Dit noemen we een
    macro-economische regulering van het keynesiaanse type.
  • Ten
    vierde,
    beweert Keynes, moet de staat de financiële markten
    reglementeren om te vermijden dat ze de economie verstoren. Hij
    schrijft hierover: “In de normale gang van zaken kunnen speculanten
    voor een onderneming zo ongevaarlijk zijn als luchtbellen. Maar een
    onderneming die niet meer is dan een luchtbel in de draaikolk van de
    speculatie, verkeert in moeilijkheden. Kapitaal dat groeit als
    nevenproduct van de casinoactiviteit, riskeert zich te ontwikkelen in
    gebrekkige omstandigheden.”5 Het beroep van
    bankier moet bijgevolg gecontroleerd worden opdat het de “echte”
    economie en dus het kapitalisme zou dienen.

Het effect van het
door de Britse economist aangeprezen beleid blijkt uiterst belangrijk
te zijn. Dit beleid herinnert aan de New Deal van president Roosevelt.
In werkelijkheid is de invloed maar gedeeltelijk en wederkerig. In het
begin dienden de plannen van Roosevelt vooral om het systeem van het
bankroet te redden. Maar het project is nooit bewust voltooid. Het was
een proces van vallen en opstaan.

Keynes’ geschriften
zullen echter belangrijker worden na de Tweede Wereldoorlog. Hij is
gedeeltelijk verantwoordelijk voor de internationale financiële
structuur van de akkoorden van Bretton Woods in 1944. Hij
vertegenwoordigt op die conferentie de Britse regering en stelt de
belangrijkste bepalingen van het akkoord op: de omzetting in goud van
een internationale centrale munt, (de bancor); een vaste ruilwaarde
voor alle munten in bancor; geen mogelijkheid tot devaluatie (behalve
met akkoord van de partners); hulp aan landen in moeilijkheden door een
speciaal in het leven geroepen organisme, namelijk het IMF
(Internationaal Muntfonds). Het Witte Huis keurt alles goed, behalve de
bancor, die het zal vervangen door de dollar.

In
dit
kader passen de verschillende staten een openlijk keynesiaans
macro-economisch beleid toe, een beleid van staatstussenkomst om de
groei te stimuleren. Deze situatie blijft duren tot in de jaren
zeventig… wanneer de akkoorden van Bretton Woods worden verbroken door
Richard Nixon.

Op
die
internationale conferentie is Keynes al ziek. Hij sterft op 21
april 1946 aan een hartaanval. Zijn afkomst, zijn parcours, zijn leven
bewijzen dat hij, zoals hijzelf ook schreef, behoorde tot de burgerij.
Wat hij wil, is de vereeuwiging van het kapitalisme met uitroeiing van
de excessen. Maar hij koestert een diep misprijzen voor de massa’s en
voor systemen die op de massa’s steunen. Tijdens een reis naar de
Sovjet-Unie6
schrijft hij: “Hoe zou ik een credo tot
het mijne kunnen maken dat, met zijn voorkeur voor de bokaal boven de
vis, het onbeschaafde proletariaat verheerlijkt en plaatst boven de
burgerij en de intelligentsia die, ongeacht hun fouten, het welzijn
belichamen en in zich de kiemen dragen van de toekomstige vooruitgang
van de mensheid?”7

2. Onderinvestering of
overinvestering?

Voor
Keynes liggen de investeringen aan de basis van de crisis. Als de
kapitalisten hun productiecapaciteit rationeel en op lange termijn
zouden plannen, dus gespreid in de tijd, dan zouden er misschien geen
problemen meer zijn? Volgens Keynes zijn het de beslissingen om niet
meer te investeren, die de recessie opwekken. Er zou geen crisis zijn
als de ondernemers zouden blijven investeren. Het probleem is dus te
wijten aan een relatieve “onderinvestering” van de privé.

Het is
ontegensprekelijk juist dat de crisis opduikt als het economisch proces
stilvalt doordat de kapitalisten niet meer investeren. De productie
wordt stilgelegd en de overtollige werknemers worden ontslagen. Maar
dat zegt niets over de dieper liggende oorzaken. Keynes wijt die
verstoorde werking aan onzekerheden op de markt of aan financiële
excessen die buitensporig hoge winstperspectieven in het vooruitzicht
stellen.

Het probleem is dat de
beweringen van Keynes moeilijk te bewijzen zijn. We kunnen zelfs het
tegendeel aantonen. Je ziet het in de volgende grafiek. Deze vergelijkt
de jaarlijkse evolutie8
van het reële bbp (dus zonder het
effect van de prijsstijgingen) met de reële voorraad vaste activa
in de VS sinds 1960. Die vaste activa omvatten heel het
productieapparaat (terreinen, gebouwen, machines, werktuigen…) Een
positieve jaarlijkse variatie van die activa wijst dus op een
reële investering in de productieve basis van het land, waardoor
het geheel van de productie van dat land effectief kan groeien.

Grafiek 1. Jaarlijkse groei van het
reële bruto
binnenlands product en de reële voorraad vaste activa in de VS
1960-2009 (in % in vergelijking met het vorige jaar)


Bron: Bureau of Economic
Analysis, Real Gross Domestic Product:
http://www.bea.gov/national/nipaweb/SelectTable.asp? Selected=N, en Net
Stock of Private Fixed Assets:
http://www.bea.gov/national/FA2004/SelectTable.asp.

De
bbp-curve
vertoont belangrijke schommelingen terwijl de
investeringscurve relatief stabiel blijft. Interessanter is echter dat
de investeringen veeleer de evolutie van de productieactiviteit volgen
dan eraan voorafgaan. In de jaren zestig veroorzaakt de groei van het
bbp maar een geleidelijke toename van de vaste activa. In de jaren
zeventig stijgt de voorraad tot nieuwe recordhoogtes, ondanks de
zaagvormige resultaten van de productie (4,3 % gemiddeld tussen
1964 en 1981 inbegrepen). Terwijl de economie in de jaren tachtig weer
aantrekt, dalen de vaste activa.

Daarna
loopt
de evolutie meer parallel. Maar de activiteit neemt nog altijd
toe vóór de investeringen hernemen. Dat is het geval in
de jaren negentig. Daarna, in 2000, begint het bbp te krimpen
vóór de voorraad vaste activa hetzelfde doet. Vanaf 2002
herneemt de groei, de investeringen doen dat pas in 2004. Door de
subprime-crisis9
dalen deze pas in 2008 terwijl de
productie al begint te sputteren vanaf 2007.

In
die
omstandigheden lijkt het ons gevaarlijk te beweren dat de recessie
in hoofdzaak te wijten is aan een gebrek aan investeringen. Het is
natuurlijk juist dat de kapitalisten tijdens de crisis minder snel of
helemaal niets meer uitgeven voor vaste activa. Ongetwijfeld omdat ze
zich realiseren dat ze die activa niet meer zullen kunnen verkopen en
dat het onmogelijk is aan hetzelfde ritme door te gaan. En de
aanpassing hapert wat omdat bepaalde operaties een lange
immobilisatietijd vergen en er moeilijk bruusk kan worden gestopt.
Tussen de beslissing om een automobielfabriek te bouwen en de eerste
wagen die van de band rolt, ligt vaak een periode van twee tot drie
jaar. Dit proces wordt slechts stilgelegd of vertraagd als het echt
nodig is, dus wanneer de crisis zich daadwerkelijk manifesteert en het
duidelijk wordt dat hij voldoende lang zal duren.

Het
gaat
er dus niet om waarom de kapitalisten ophouden met investeren maar
waarom ze er niet in slagen hun producten af te zetten. Laten we even
ons vorige schema zoveel mogelijk vereenvoudigen.

Schema 2.

De
productie wordt altijd verdeeld in inkomens, dat wil zeggen in lonen en
winsten, die dienen voor de consumptie en voor nieuwe investeringen.
Het lijkt ons onnodig hier een verschil te maken tussen spaargeld en
investeringen. Investeringen dienen om de productie te verhogen en dus
om economische groei te verzekeren. Voor Keynes is dit een perfect
gezond schema, dat verstoord wordt door geld op te potten of ermee te
speculeren.

Voor ons is het deze
werking die, binnen een kapitalistisch kader, fundamenteel verkeerd is.
Waarom? Omdat de productie wordt geleid door kapitalisten die
terzelfder tijd hun winst willen opdrijven en kapitaal accumuleren om
in de toekomst nog meer winst te maken.

Daaruit volgt dat de
bedrijfsleiders voortdurend het aandeel van de winst in de inkomens
moeten verhogen ten nadele van de lonen. Dat is het onderwerp van een
felle strijd (de klassenstrijd). Zij bereiken niet altijd hun doel maar
het is wel degelijk hun doel. Bovendien zullen ze bij stijgende winst
(of zelfs zonder stijging) de neiging hebben het aandeel dat zij willen
besteden aan investeringen, te verhogen, want zo kan de onderneming
groeien en machtig worden. Doen ze dat niet, dan zal de concurrentie er
hen wel toe verplichten.

Wat gebeurt er? Laten
we even een cijfervoorbeeld nemen. De productie bedraagt 100, te
verdelen in 60 voor de lonen en 40 voor de winsten. Van die winsten
gaat 20 naar de consumptie van de kapitalisten, dus blijft er 20 over
voor investeringen. Zo is de situatie grosso modo op een gegeven
ogenblik in een stabiele economie. De consumptiegoederen worden
verkocht aan 80 en de productiegoederen aan 20. Maar de 20
investeringen doen de productie toenemen, bijvoorbeeld tot 140. De
ondernemers zullen zich een belangrijker deel toe-eigenen, bijvoorbeeld
63, de rest gaat naar de lonen, namelijk 77. De 60 % voor de
werknemers en 40 % voor het patronaat veranderen in
respectievelijk 55 % en 45 %, zonder dat het inkomen van de
werknemers daalt. Integendeel, nu verdienen zij globaal 77 in plaats
van 60. De ondernemingsleiders beslissen hun consumptie lichtjes te
verhogen tot 23 en 40 te reserveren voor investeringen. Zo stijgt de
massa geld, bestemd voor de consumptie, naar 100 (77 + 23).

Wat
kunnen
de ondernemingen voorstellen? Heel wat meer. Waarom? Hierom: als
in de oorspronkelijke situatie de productiegoederen van 20 een stijging
van 80 in consumptiegoederen kunnen opleveren en de productiegoederen
stijgen tot 40, dan moeten de consumptiegoederen uiteindelijk 160
bereiken. Dat is heel wat meer dan de bevolking kan kopen. Dat heet
overproductie.

De
cijfers
zijn slechts illustratief. Ze leggen alleen een voortdurend
terugkerend mechanisme bloot. Enerzijds treden de krachten op de
voorgrond die de productie willen opdrijven met het oog op steeds
grotere winst voor de ondernemingen, grotere opbrengst voor de
aandeelhouders, hogere premies voor de bedrijfsleiders. Maar anderzijds
lokken die krachten gelijktijdig een relatieve daling uit van de
middelen voor consumptie en dat in twee tijden: eerst door de lonen
(die dienen voor de consumptie) samen te drukken en ook – en dat wordt
vaak vergeten – door de inkrimping van de relatieve bedragen die de
kapitalisten besteden aan consumeren. Het geheel van de middelen,
bestemd voor consumptie, wordt ingekrompen, terwijl de
productiecapaciteit voortdurend wordt opgedreven. Noodzakelijkerwijs
ontstaat er een grote kloof: de overproductie.

Het is mogelijk dat de
kapitalisten geld gaan oppotten of ermee gaan speculeren, dat het geld
van de financiële markten dus niet opnieuw in het economische
circuit wordt gepompt. Dat zal het systeem nog meer in de problemen
brengen. Maar fundamenteel moeten we in het hart van het systeem en in
zijn werking de crisis zoeken, zoals Marx in zijn tijd heeft
geanalyseerd.

3. De marginale tendens
van de staat om schulden te maken

De
analyse van Keynes is in hoofdzaak gebaseerd op
kortetermijnbeslommeringen. Om een oordeel te vellen over de invloed
van de privé-investeringen en de noodzaak van staatstussenkomst
vertrekt hij wel degelijk van de economische cyclus. De aanhoudende
recessie is volgens hem een ongelukkige uitschuiver, te wijten aan
excessen van het kapitalisme, maar gemakkelijk te counteren met een
anticyclisch beleid. De staat vangt dan tijdelijk de ontbrekende
investeringen op. Zo kan men uit de impasse geraken en de economie weer
op gang trekken. Dat is het standpunt van Keynes.

Alleen: als het abces
te groot is en niet op korte termijn kan worden genezen, en als het
niet een kwestie is van een tijdelijk tekort aan investeringen, dan
moet de staat putten uit almaar kleiner wordende bronnen (door de
crisis dalen immers de inkomens). De staat gaat schulden aan,
veroorzaakt een begrotingstekort en de staatsschuld loopt. Dat zien we
trouwens bij elke grote crisis gebeuren.

Al in de jaren dertig
was dat het gevolg van de maatregelen van de verschillende regeringen
in de VS, eerst die van Hoover, die helemaal niet afkerig stond
tegenover staatstussenkomst, en daarna die van Roosevelt. In de grafiek
2 zie je de stijging van de staatsuitgaven in vergelijking met het bnp
(bruto nationaal product10) tussen 1920 en 1940.

Grafiek 2. Evolutie van de staatsuitgaven
in vergelijking
met het bruto nationaal product 1920-1940 (in %)

Bron:
Office of Management and Budget, Historical Tables, Table
1.1.
Summary
of Receipts, Outlays, and Surpluses or Deficits (-):
1789–2015
:
http://www.whitehouse.gov/sites/default/files/omb/budget/fy2011/assets/hist01z1.xls.

De
oorlogseconomie van de periode 1914-18 moest weer op de sporen gezet
worden. In 1920 is er al een eerste crisis, waarna de regeringsuitgaven
weer dalen naar het niveau van 3 % van het bnp. De eerste
maatregelen van president Hoover brengen het aandeel op 8 % en de
New Deal op ongeveer 10 %. In vergelijking met de huidige situatie
(45 % van het bbp voor het begin van de subprime-crisis) is dat
weinig. Niettemin verdriedubbelt het bedrag in verhouding tot het bnp
en ook in absolute waarde (het bnp van 1940 was nagenoeg hetzelfde van
dat van 1929).

Bijgevolg stijgt de
openbare schuldenlast. Dat kunnen we aflezen uit grafiek 3. We
vergelijken de staatsschuld met het bnp.

Grafiek 3. Evolutie van de
verhouding van de
staatsschuld tot het bruto nationaal product in de VS 1916-1940 (in %)

Bron: US
Department of Commerce, Historical Statistics of the United States,
Colonial Times to 1970, Gross National Product, Total and Per Capita,
in Current and 1958 Prices: 1869 to 1970
(http://www2.census.gov/prod2/statcomp/documents/CT1970p1-07.pdf) en
Net Public and Private Debt by Major Sectors 1916-1970,
p.989 (http://www2.census.gov/prod2/statcomp/documents/CT1970p2-11.pdf).

De
staatsschuld, die in de jaren twintig een dalende tendens vertoonde,
stijgt tussen 1929 en 1933 duizelingwekkend. In werkelijkheid werken
hier twee verschijnselen samen: enerzijds daalt het bnp tussen die twee
data met de helft; anderzijds stijgt de staatsschuld met een derde.
Tussen 1929 en 1940 zal de staatsschuld in absolute waarde verdubbelen.

Wat zou er normaal
gebeurd zijn? Dat zullen we nooit exact weten. Het merendeel van de
economisten geven toe dat de VS zich uit deze situatie heeft kunnen
losmaken dankzij de Tweede Wereldoorlog.

In de jaren zeventig
duiken de problemen nochtans weer op. Vanaf 1973 stagneert de productie
met momenten. De regeringen hebben de neiging naar Keynesiaanse
technieken te grijpen: een relancebeleid dat uitgaat van de overheid.
Het is onbetwistbaar dat dit beleid de sociale en economische gevolgen
van de nakende crisis verzacht. Maar al snel ontsporen de uitgaven.
Grafiek 4 toont de groei van de staatsschuld in vergelijking met het
bbp van Europa en de VS.

Grafiek 4. Evolutie van de
verhouding tussen de
staatsschuld en het bruto binnenlands product van Europa en de VS
1970-2009 (in %)

Bron: Berekeningen op basis van AMECO,
gegevensbasis van
de European Commission, Economic and Financial Affairs:
http://ec.europa.eu/economy_finance/ameco/user/serie/SelectSerie.cfm?CFID=1693359&CFTOKEN=6fcc0067b30521b7-80FBBD00-BC80-3030-39CC1124EEBD668B&jsessionid=24065e99f26533524e7f.

Opmerking. Het gaat
hier over de Europese Unie, bestaande uit vijftien landen: Duitsland,
Oostenrijk, België, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk,
Groot-Brittannië, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg,
Nederland, Portugal en Zweden. Voor de periode tussen 1970 en 1976
ontbreken de gegevens van Frankrijk, Nederland en Portugal.

De
Europese overheidsschuld stijgt vanaf 1977 bijna continu en hetzelfde
geldt voor de VS vanaf 1979, en dit ondanks Thatcher en Reagan. Dat
duurt tot aan het begin van de jaren negentig. Dan vertoeft Clinton in
het Witte Huis en wordt in Europa het stabiliteits- en groeipact (of
het akkoord van Maastricht van 1991) gesloten, dat de staatsschuld wil
beperken tot 60 % van het bbp. Maar de nieuwe crisis vanaf 2007
doet de overheidsschuld van de verschillende landen weer
duizelingwekkend toenemen.

De
keynesianen
kunnen opwerpen dat de regeringsprogramma’s hun doel
missen. Ongetwijfeld is dat waar, vooral in de huidige periode. Maar
het verhindert niet dat de keynesiaanse maatregelen tijdens een
recessie onmiddellijk invloed hebben op de overheidsuitgaven en dus op
de overheidsschuld, terwijl de gevolgen voor de economische activiteit
volslagen onzeker zijn. Ze mikken immers enkel op de relance van de
economie en zoeken niet naar oplossingen voor de fundamentele problemen
van de maatschappij. Je kunt het vergelijken met het toedienen van een
verdovend middel aan een zieke met de belofte dat hij er zo wel bovenop
komt.

Maar
zoals
bij elk dopingproduct zijn er ook ongewenste neveneffecten. De
overheidsschuld komt neer op geldschepping: er komen geldmiddelen op de
markt die voorheen niet bestonden. Echter, voor een gegeven productie
(of een productie die in tijden van recessie maar weinig stijgt),
vertaalt meer geldcirculatie zich in prijsstijgingen, dat wil zeggen in
inflatie. En dat is inderdaad wat er in de jaren zeventig is gebeurd.
Terzelfdertijd absorbeert de vraag naar kapitaal van de overheid (wat
betekent dat ze schulden maakt) een deel van dat kapitaal ten koste van
de ondernemingen die er nood aan hebben. Op de markt stijgt echter de
prijs wanneer de vraag groter is dan het aanbod. En hier is dat de
interestvoet. De kapitalisten hebben dus heel wat redenen om te morren.

In
1979
zijn het de Amerikaanse banken die de Federal Reserve, de
Amerikaanse centrale bank, en de nieuwe voorzitter Paul Volcker zullen
vragen de inflatie te beteugelen. Hij zal de interestvoeten zo sterk
optrekken dat hij een zware recessie uitlokt in het begin van de jaren
tachtig. Dat remt de stijging van de prijzen af, maar wel ten koste van
de werknemers die of hun baan verliezen of hun lonen zien bevriezen.
Vandaag zijn het de financiële instellingen die de staatsschuld
aangrijpen om een land lager te quoteren. Uit vrees dat het land in
kwestie zijn schulden niet zal kunnen aflossen, dwingen ze het te lenen
tegen peperdure rentetarieven.

Het
keynesiaanse
beleid kan dus op korte termijn de economie weer op gang
trekken. Maar als dit beleid langer moet duren, gaat het van kwaad naar
erger, omdat het de problemen niet bij de wortels aanpakt. Zo hebben de
VS in de jaren tachtig door meer staatsuitgaven en dus een stijging van
de staatsschuld een uitweg gevonden voor de zwakke vraag en de
stagnatie van het inkomen van de meerderheid van de bevolking. De
consumptie steeg en trok de productiemachine weer op gang. Dat is wat
Keynes in 1931 ook voorstelde.

Maar
de
kredietverlening aan de gezinnen heeft zulke afmetingen aangenomen
dat ze oncontroleerbaar is geworden. Het gaat om ongeveer 100 %
van het bbp van de VS. Met andere woorden: de inwoners hebben het bbp
van volgend jaar al opgesoupeerd. Dat is onhoudbaar en de banken eisen
nu de aflossing van de leningen. En dus worden mensen massaal uit hun
huizen gezet, neemt de armoede overhand toe en draait de economie op
halve kracht. De Amerikaanse regering heeft wat tijd gewonnen. Maar
tegen welke prijs? De crisis zal onvermijdelijk en oneindig krachtiger
opnieuw toeslaan.

4. Na de verlichte
despoten bekommeren nu ook de kapitalisten zich om het algemeen belang

Keynes had nog een
laatste troef achter de hand: de morele verantwoording van het
kapitalisme. Hij groeide op in een intellectueel en kritisch milieu en
integreerde het algemeen belang in zijn werk. Je kan het hem moeilijk
verwijten. Hij heeft het over begrippen als eerlijkheid, integriteit,
plicht enzovoort. Dat is ontegensprekelijk beter dan andere auteurs die
de roofzucht van de kapitalisten de hemel in prijzen.

Maar zijn idee van
algemeen belang blijft natuurlijk een kapitalistische idee. Het
kapitalisme moet dus in normale omstandigheden kunnen functioneren:
nastreven van zijn persoonlijk belang dient te gebeuren in “harmonie”
met de zoektocht van de anderen; met winst als motief maar zonder
misprijzen voor de situatie van zijn werknemers en zijn concurrenten.
Zo schrijft hij in 1923: “De economische doctrine van de normale winst,
een doctrine die zowat iedereen vaagweg begrijpt, is onmisbaar voor de
rechtvaardiging van het kapitalisme. De zakenman kan maar aanvaard
worden zolang zijn gewin min of meer in verhouding staat tot het nut
van zijn activiteiten voor de maatschappij.”11

En zo komt hij,
volgens de analyse van veel hedendaagse keynesianen, tot twee
categorieën kapitalisten: de goeden en de slechten. De goede
kapitalisten zijn zij die investeren, de industriëlen, die erover
waken dat ze handelen binnen de wet en die eventueel een ethische code
naleven. De slechten zijn de speculanten, de gulzige patroons, die voor
niets terugschrikken als ze maar winst kunnen maken, die de wetten, de
anderen, de moraal aan hun laars lappen. De eerste categorie moet dus
bevoordeeld worden. De staat, die zelf samengesteld is uit integere
mannen, die bewogen worden door het algemeen belang, moet die rol op
zich nemen. Of in termen die Keynes zelf niet hanteerde, maar anderen
wel: het industriële kapitalisme bevoordelen ten nadele van het
financiële kapitalisme. Zo zou de blijvende groei kunnen worden
verzekerd.

Eens te meer kunnen we
de juistheid van deze analyse in twijfel trekken. Ten eerste is de
kwestie van de moraliteit vaak het privilege van een stevig gevestigd
establishment. Inderdaad, aan de top is het gemakkelijk om vrijgevig te
zijn. Het is zelfs een wijze strategie want zo kun je aan
klantenbinding doen, klanten die bij een of andere gelegenheid van nut
kunnen zijn (wanneer je macht betwist wordt, bijvoorbeeld). Maar voor
zij die de sociale ladder willen beklimmen, is het van levensbelang hun
scrupules en eventuele ethische bezwaren te laten varen, en misschien
moeten ze wel over lijken gaan om er te geraken.

Het
zijn
dus vooral de omstandigheden en de socio-economische positie die
de al dan niet positieve werking bepalen en niet de persoonlijke
ideeën (ook al kunnen die een invloed hebben). Het kapitalisme is
echter in de eerste plaats een systeem dat gevestigd is op het recht
van de sterkste, zoals ook de vroegere slavenmaatschappij, het
feodalisme en andere klassenmaatschappijen. De macht ligt, in dit
geval, niet in de individuele kracht, de goede naam van de familie of
de uitgestalde rijkdom, maar in het vermogen om geld (of kapitaal) te
accumuleren. Een dergelijk regime kan uiteraard niet moreel, ethisch en
vrijgevig zijn.

Van
“normaal”
is geen sprake. “Aanvaardbare” winst bestaat niet. Hij die
het meest accumuleert, spelt de wet, ongeacht de manier waarop hij zijn
rijkdom heeft verzameld (behalve als een concurrent het juridisch
apparaat inschakelt om de wettelijkheid ervan te betwisten). Als de
regel geldt dat vaste banen moeten plaats ruimen voor onzekere jobs,
dat er vooral met onderaanneming wordt gewerkt, dat er moet
gedelokaliseerd worden naar Mexico, Oost-Europa of Oost-Azië, dan
kunnen de kapitalisten die zich daar niet bij neerleggen maar beter op
hun tellen passen! Als beleggingen op de beurs meer opbrengen dan
investeringen in de industrie, dan mogen de ondernemingen zonder
financiële directeur die het bedrijf laat meeprofiteren van dit
hemelse manna, het wel vergeten!

De
keynesianen
kunnen al deze feiten en de meedogenloze vraatzucht van het
kapitalisme erkennen. Zij roepen precies de overheid op om er op toe te
zien dat de roofzucht de wereld niet gaat beheersen en om haar aan
banden te leggen. Uit deze situatie kan je niet ontsnappen als de
bankier moet waken over de financiële instellingen. De politieke
leiders komen uit dezelfde broedmachine als de kapitalisten. Ze zijn op
dezelfde manier opgevoed. Ze hebben dezelfde ideologie en vandaag
zitten ze in dezelfde denktanks12, waar de grote
oriëntaties voor de maatschappij van morgen bediscussieerd en
zelfs vastgelegd worden. Net zoals Keynes in zijn tijd lid was van
talrijke privéclubs, waar de high society of de meest
invloedrijke leden van de elite bijeenkwamen. Bovendien stappen veel
regeringsleiders na hun loopbaan “in dienst van de staat” over naar de
raad van bestuur van een of andere grote onderneming.

Uiteindelijk
is
het gemakkelijk om de slechte kapitalisten, de haaien,
verantwoordelijk te stellen voor de crises. Maar de keynesianen noemen
de schuldigen niet bij naam. Zij zijn eerder van mening dat het om een
systeem gaat. Ongebreidelde speculatie ontketende in de jaren twintig
de krach van 1929. Waanzinnige leningen voor vastgoed hebben geleid tot
de subprime-crisis in 2008.

Dit
soort
interpretatie laat niet toe te verklaren waarom dat dan alle
productieactiviteit stilvalt? Als het enkel een beursfenomeen was, zou
het volstaan de financiële instellingen te sluiten en de
ondernemingen te laten financieren door openbare banken. Als het alleen
om een vastgoedcatastrofe ging, zou het moeten mogelijk zijn die
leningen te beperken om te verhinderen dat heel de economie aangetast
wordt. Ongetwijfeld zouden zulke maatregelen botsen met particuliere
belangen. Maar het gaat om het algemeen belang van het kapitalisme…

Hier
wordt
duidelijk dat we van perspectief moeten veranderen, het moeten
omkeren. De financiering, de speculatie zijn geen uitwassen van een
“normaal” kapitalisme. Zij beantwoorden aan de noden en behoeften van
het kapitalistisch systeem op een gegeven ogenblik. Vandaag zien we dat
de VS al sinds het begin van de jaren tachtig het krediet heeft
gestimuleerd en dat die schulden van de gezinnen een heel financieel
mechanisme hebben tot stand gebracht dat al maar ingewikkelder werd
maar onontbeerlijk was om het land te voorzien van het nodige kapitaal
en de nodige liquiditeiten. Anders zouden de Amerikanen veel minder
geconsumeerd hebben. Bijgevolg zou de vraag zwak en vanaf dat moment
zelfs negatief geweest zijn.

Het
is
juist dat de crisis uitbarst in de sector waar het meest wordt
gespeculeerd. Dat kan niet anders, daar zijn immers ook de risico’s het
grootst. Maar de recessie heeft een weerslag op de andere sectoren
omdat de speculatie een welbepaalde functie had in het systeem,
namelijk de gezinnen leningen verschaffen om te consumeren. Wanneer de
luchtbel dan uiteenspat, worden niet alleen de financies van enkele
ongelukkige investeerders aangetast. Een heel mechanisme en bijgevolg
heel de werking van het hedendaagse kapitalisme komen in een
neerwaartse spiraal terecht. De inzet is het geheel van het systeem en
niet zomaar een paar excessen, ook al zijn die er natuurlijk.

Dat
brengt
ons terug bij ons schema 2. Als de crisis wel degelijk wordt
uitgelokt door de twee genoemde tendensen, namelijk die van de
relatieve groei van de winsten in vergelijking met de lonen en die van
de voorkeur voor investeren in plaats van consumeren, dan botsen we
meteen ook op de beperkingen van een gecontroleerd en beteugeld
kapitalisme, van een kapitalisme dat ontdaan is van zijn excentrieke
uitwassen. Is het mogelijk om in te grijpen in de natuurlijke neigingen
van het kapitalisme? Dat kunnen we heel sterk in twijfel trekken.

De
eerste
tendens is verbonden met de klassenstrijd. Die is onder het
kapitalisme vaak in het voordeel van de patroons. Om hun doel te
bereiken beschikken zij over meer middelen, onder andere het
staatsapparaat (de regering, het gerecht, de politie, het leger…).
Niettemin kunnen de werknemers in bepaalde omstandigheden overwinningen
behalen, zelfs belangrijke overwinningen.

Kijk
maar
naar wat er gebeurde na de Tweede Wereldoorlog. In veel landen
moest de burgerij een zeer progressief systeem van sociale zekerheid
aanvaarden alsook doorgedreven mechanismen voor progressieve
belastingheffing, de nationalisering van heel wat ondernemingen en een
nooit geziene planning van de economie. Daardoor bleef de verdeling van
het inkomen tussen werknemers en kapitalisten tamelijk lang stabiel,
wat ongetwijfeld voor de belangrijkste groei ooit heeft gezorgd in het
merendeel van de landen, in Europa, Azië en Amerika.

Die
ervaring
toont aan dat het dus mogelijk is dit aspect van het
kapitalisme in zekere mate te bedwingen, maar alleen in uitzonderlijke
omstandigheden. Zodra echter de krachtsverhouding omslaat in het
voordeel van het patronaat, zoals op het einde van de jaren zeventig,
zien we dat dit wankele compromis onmiddellijk begint over te hellen en
dat de ongelijkheid weer de overhand krijgt.

Het
is
echter uiterst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, de tweede
tendens te beteugelen, namelijk de neiging om onophoudelijk te
investeren en dus de productiekrachten op te drijven tot een niveau dat
in grote mate de koopkracht van de bevolking overschrijdt. Zo schrijft
een journalist van Trends-Tendances hoe elke constructeur in de
automobielindustrie zijn marktaandeel wil vergroten en daarvoor zijn
productie aanpast: “Tegenwoordig is het voldoende alle bestaande
capaciteit samen te tellen om er zich rekenschap van te geven dat de
markt tot 115 of 120 % van zijn huidige omvang zou moeten groeien
om iedereen te bevredigen.” Hij vraagt aan de toenmalige voorzitter van
Ford Belgium, Allain Batty, hoe hij daaraan het hoofd zal bieden. Deze
antwoordt: “Je kunt dit probleem van overcapaciteit ook op een andere
manier aanpakken. Op het niveau van de wereldwijde capaciteit kun je
deze berekening maken en zeggen dat tien fabrieken hun deuren zouden
moeten sluiten. Maar tien fabrieken, dat is de omvang van een grote
autoconstructeur! Zo zal het niet gaan. Het begrip van overcapaciteit
is niet noodlottig. De toekomst zal het uitwijzen en vooral de klanten
zullen het laten weten door te kopen wat zij het beste vinden. Als jij
een product hebt dat aanslaat, en dat is de echte uitdaging, dan praat
je niet meer over overcapaciteit en kun je zelfs een stijging van de
productie overwegen.”13

Interessant
toch
hoe een patroon de macro-economische vraag over het bestaan van
wereldwijde overcapaciteit omvormt tot een individuele uitdaging om nog
meer te produceren! Dat is de kern van de rechtvaardiging van de
kapitalistische anarchie: de productie is maar gerechtvaardigd door de
individuele jacht (per onderneming) naar winst, ongeacht de gevolgen
voor de maatschappij, zoals: overproductie met in haar kielzog recessie
en werkloosheid. Dit is wat niet gecontroleerd, gereguleerd, beteugeld
kan worden en juist daarom zijn crisissen onvermijdelijk en komen ze
onder het kapitalisme periodiek terug.

5.
Conclusies

John
Maynard Keynes heeft ontegensprekelijk zijn verdienste. Zijn analyse is
een van de scherpste en beste op het terrein van de economische
theorie. Als je binnen het kader van het huidige kapitalisme nood hebt
aan een programma voor onmiddellijke relance, dan vind je in zijn werk
tal van doeltreffende en vaak ook gerechtvaardigde oplossingen. Zijn
werk is een inspiratiebron maar is ook vatbaar voor kritiek, want het
is ook niet meer dan dat. Wil je dieper graven, op zoek gaan naar de
oorsprong en de oorzaken van de crisis en de zieke genezen, dan bots je
op de grenzen het keynesianisme. En wij denken dat we in deze crisis,
net zoals in de crisis van de jaren dertig, toch die richting uit
moeten.

De enige uitweg uit de
huidige recessie ligt in het komaf maken met dit systeem en een nieuwe
maatschappij opbouwen op basis van gelijkheid en solidariteit, waar de
economie bestuurd wordt door een staat die met een relatief centraal
plan de belangen van de meerderheid van de bevolking, de werknemers,
garandeert. Met andere woorden: het socialisme. Als de mensheid deze
weg niet inslaat, zullen er alleen halve maatregelen worden genomen,
oplossingen die tijdelijk de meest dramatische gevolgen van de recessie
kunnen verzachten maar die riskeren de zaken nog te verergeren. Zoals
vandaag gebeurt met het competitiviteitsbeleid; het biedt de
voorstanders de kans er nog beter uit te komen maar dat gaat dan ten
koste van de anderen. Dit kan enkel de spanning, de tegenstellingen en
de mogelijkheden van een conflict verder aanscherpen.

Socialisme of
barbarij! Keynes probeert zonder het socialisme de chaos te vermijden.
Maar alles wijst erop dat zijn theorie, hoewel gesofistikeerder dan die
van de liberale stroming, zijn verwachtingen niet kan inlossen. Zelfs
met Keynes aan het roer stevent het kapitalisme af op chaos en oorlog.

Henri
Houben, is doctor in de economie en onderzoeker bij GRESEA en het
Instituut voor Marxistische Studies. Hij legt zich in het bijzonder toe
op de studie van de multinationals, de Europese
tewerkstellingsstrategieën en de economische crisis.

———————————————–
 

1 W.I. Lenin, “Referaat over de
internationale toestand en de voornaamste taken van de Communistische
Internationale”, 19 juli 1920, Keuze uit zijn werken, deel 3,
p. 411 en volgende.

2 John Maynard Keynes, La pauvreté
dans l’abondance, éditions Gallimard, Paris, 2002, p.18. (Eigen
vertaling)

3 De nationale boekhouding heeft simpelweg
twee elementen toegevoegd: de regeringsuitgaven (G van Government) en
de handelsbalans (als X staat voor de uitvoer en M voor de invoer, dan
is de handelsbalans het verschil X-M). Het bruto binnenlands product
(bbp, nog altijd Y) wordt dan als volgt opgedeeld: Y = C + I + G + (X –
M).

4 Wij hebben een samenvatting gemaakt van
zijn programma. Keynes heeft het zelf niet op die manier geformuleerd.

5 John Maynard Keynes, Théorie
générale de l’emploi, de l’intérêt et de la
monnaie, Payot, Parijs, 1979, p. 171. (Eigen vertaling)

6 Hij maakt geen globaal negatieve
beoordeling van de Sovjet-Unie.

7 John Maynard Keynes, La pauvreté
dans l’abondance, op. cit., p. 39. (Eigen vertaling)

8 We konden niet de hand leggen op meer
gedetailleerde gegevens van de vaste activa.

9 Vastgoedleningen voor gezinnen die niet in
staat waren ze af te lossen.

10 Er bestaan maar berekeningen van het
bruto nationaal product (bnp) vanaf 1929. Het verschil tussen bnp en
bbp zit in de details. Het bruto binnenlands product (bbp) schat de
rijkdom aan goederen en geld van een bepaald land (de VS); het bnp
schat de rijkdom van de inwoners van een land (de Amerikanen). Zo zal
de winst van een buitenlands filiaal die naar het land van herkomst
terugvloeit, meegerekend worden in het bbp van het land waar het
filiaal zich bevindt, maar in het bnp van het land van het
moederbedrijf.

11 John Maynard Keynes, Essais sur la
monnaie et l’économie, éditions Payot, Parijs, 1972,
p. 28. (Eigen vertaling)

12 Een denktank is een min of meer
informele verzameling van mensen, vaak besluitnemers, die debatteren
over gemeenschappelijke problemen. Voorbeelden zijn de Trilaterale
commissie, de Bilderberggroep, het forum van Davos.

13Trends-Tendances, 6 mei 1993, p. 22.
(Eigen vertaling)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!