Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu

De Nakba van 1948: jonge Palestijnen vergeten niet

Het drama van de 'Nakba', vertolkt door iemand die het meemaakte. Grootvader Abed Aziz werd in 1948 op 12-jarige leeftijd uit Al Maidal verdreven, nu Ashkelon, in Israël, om er nooit terug te keren. Een uittreksel uit 'Gaza op mijn hoofd' van Inge Neefs.
vrijdag 25 juli 2014

De jongeren vergeten niet

De herinneringen van Siedo, mijn grootvader, laten me proeven van Al Majdal, van zijn graan- en citrusvelden, zijn weefindustrie die bloeide in het begin van de twintigste eeuw, zijn mooie stranden met zeekliffen, de moskee waar hij ’s vrijdags bad, de marktplaats waar hij vlees kocht en groenten verkocht, en natuurlijk van de Nakba, de catastrofe.

Mijn grootvader, Abed Aziz ibn Saleem ibn Osama Al Madhoun, vluchtte 63 jaar geleden uit Al Majdal Asqalan. Twaalf jaar was hij toen. Elk van zijn verhalen ken ik woord voor woord.

Ieder verhaal over zijn thuisland, over de tradities, het leven voor de televisie, toen de hele familie, man, vrouw en kinderen, op het land werkte, de liedjes die door fellahien, boeren, gezongen werden op het veld, terwijl ze zorgden voor de abrikozen, druiven, vijgen, perziken, het graan, de olijven, aubergines, ajuin, look, erwten, maïs en linzen.

Ieder verhaal ken ik, over het vlakke land van Al Majdal dat één grote boerderij was, vol boomgaarden waar dorpsgenoten elkaar hielpen tijdens de oogst, en over de ondergrondse silo’s waar groenten voor het hele jaar bewaard werden.

Ik ken zijn verhalen over de jongensschool waar hij sinds zijn zeven jaar naartoe ging en de vele moskeeën die zijn dorp kende. Ik weet van de taboon, een aardewerken openluchtoven waarin zijn moeder brood bakte naast het huis dat zijn vader optrok uit zand, water, klei en organisch materiaal en dat door de zon gebakken werd tot steen, en van de druivenstruik die eroverheen groeide als een natuurlijk lappendeken.

Hij vertelde me van het gezag van de mukhtar, het dorpshoofd dat informeel conflicten tussen de clans beslechtte, en over zijn respect voor hem, van de kleine rechtbank in het centrum en van het huis van Mahmoud de timmerman, bij wie hij graag op bezoek ging.

Siedo’s favoriete cafetaria stond op het marktplein, waar mannen hete koffie slurpten. Zijn buurman die smid was, danste altijd tot de laatste man op de uitgebreide trouwfeesten waar vers fruitsap geserveerd werd en waar het hele dorp bij aanwezig was. Zo werden ook Eid el-Fiter, het Suikerfeest, en het Offerfeest gevierd: met iedereen samen!

Hij vertelde me over de waterbronnen, de uitgestrekte velden en hun verborgen wegeltjes en de verboden ontmoetingsplaatsen voor jonggeliefden. Over iedere geboorte en elk sterven in de familie hoorde ik. Ieder woord van zijn verhalen baart zijn thuisland; zijn klein zoet paradijs wordt zo opnieuw vers en springlevend.

Het leed van het verlies vervaagt even en hij is terug, waar hij nooit weggeweest is, in zijn land van ooit en altijd. Hij bezat er geen bomen, want land is geen bezit, van niemand! Dat zei hij dikwijls. ‘Palestina bezit ons.’ Hij bedoelde dat het land ons enkel kan toebehoren zoals wij het land toebehoren, maar dat het land uiteindelijk wint, want dat vangt ons op na de dood.

Siedo schenkt zijn herinneringen aan ons, opdat het land in ons zou verderleven, opdat we het zouden herkennen wanneer gerechtigheid zal geschieden, want dat zal hij niet meer meemaken, maar voor de kinderen van zijn kinderen, voor hen koestert hij nog wel hoop. Zij zullen terugkeren naar de verloren landen van 1948, naar het historische Palestina. Zijn verhalen noemt hij dagelijks brood, opdat we Palestina en onze terugkeer niet zouden vergeten

Mijn grootvader, die zoals het een traditionele landbouwer betaamt altijd een rode keffiyeh op zijn hoofd drapeert, die hij vastbindt met een zwart koord, wordt tegenwoordig wat sentimenteel wanneer hij vertelt. De trotse, weemoedige glans van weleer is niet meer. Hij trekt zijn neus op, zijn dikke snor die tot aan zijn mond krult, waardoor hij al een halve eeuw de bijnaam Moustache draagt, trilt ervan, zijn ogen worden troebel en hij huilt zachtjes.

‘Je zou ons daar moeten vinden nu, op het kalme platteland, met een mooi en simpel leven, niet opeengestapeld en samengepakt in een appartement, opgesloten in een openluchtgevangenis. Terwijl we land hebben, het land van onze voorouders… Maar dat ligt in wat men nu “Israël” noemt.’

Vijfenzeventig is hij nu, el-miskien, de arme man. Hij evaporeert het gevoel van een gefaald leven, van verongelukte hoop en dromen.‘Onze politici kunnen onze rechten niet gelden en de buitenwereld geeft er niet om. Het internationale recht erkent onze rechten, maar toch verandert er niets ten goede. Het zijn allemaal dieven en verraders’, moppert hij.

Hij is er teer van geworden, van het leven, mijn grootvader die altijd fors en energiek was. Zijn ogen zijn steeds vaker afwezig en hij maakt soms een alarmerend angstige en verwarde indruk. Hij heeft iets fragiels, iets kinderlijks over hem gekregen. Hij die zelf spotte met zijn vader omdat hij huilde tijdens maaltijden. Siedo brak het brood in de naam van Allah. ‘Bismillah arrahmaan arrahiem. In de naam van God, de barmhartige, de vergevingsgezinde’, waarop de tranen over zijn vaders wangen rolden. Mijn grootmoeder zei me ooit dat hij het niet kon zien hoe zijn zoon, mijn grootvader, moest worstelen om de eindjes aan elkaar te knopen.

En dan is er die strengheid: de blik in zijn ogen is verhard en er ligt wantrouwen in. Of is het frustratie vanwege zijn slechthorendheid? Zijn neusvleugels zijn plots zo groot en lijken soms te briezen. En onlangs vertelde hij me een gek verhaal over een leeuw die hij ving in Al Majdal. Dat verhaal leek uit de Griekse mythologie te stammen, maar hij beleefde het écht!

Sinds vorige week, al zeven dagen lang, huilt hij zonder schroom. Hij rouwt sinds Amana’s trouwfeest. Hij vierde het thuis, kniezend en alleen, ‘ter voorbereiding op wat komen zou’. Sinds het overlijden van sitti, mijn grootmoeder, Allah yerhamha, God hebbe haar ziel, bleef hij alleen. Amana zorgt al vijf jaar voor hem. Ze doet zijn was, kuist het huis, strijkt zijn kleren, zorgt ervoor dat hij zijn medicatie tijdig inneemt, dat het brood vers gebakken is en dat er warm wordt gegeten. Het takenpakket van een getrouwde vrouw was het hare.

Het ontsloeg mijn grootvader van de zoektocht naar een nieuwe vrouw die hij niet trouwen wou. Maar veel belangrijker: ze was zijn belangrijkste remedie tegen de eenzaamheid die paniekerig groeit in zijn verouderend hart. Ze hield het huis in leven: een stem bij de koffie, een kus bij het vertrek. Zo verwierf Amana grootvaders bijstand in haar feministische strijd voor vrijheid: samen wimpelden ze kandidaten af die om haar hand verzochten. Tot ze een geschikte echtgenoot tegen kwam en nu zelfs helemaal naar Frankrijk verhuist met hem.

‘Toen we vertrokken, zei mijn broer: het zal niet voor langer dan twee weken zijn. We vertrokken om gauw terug te keren!’ Zo daalt siedo steeds af in zijn herinneringen aan de Nakba. ‘We zullen niet lang wegblijven. We nemen enkel het hoogstnodige mee’, vervolgde zijn moeder. Maar er was een plan in uitvoering waar zij toen de details niet van kenden.

‘Er waren wel signalen’, zegt siedo. ‘De Joodse migratie bijvoorbeeld die al sinds het einde van de negentiende eeuw op gang was gekomen. Met steeds meer kwamen ze van overzee. Ze kochten land van rijke Arabieren en van naïeve fellahien, boeren, die dachten dat ze gouden zaken deden.’

Dat was voordat men begreep wat zionisme was, nog voordat men het idee bevatte van een Joodse nationale staat, een thuisland voor de Joden. Wat zouden mijn voorouders ervan gemerkt kunnen hebben? Tot 1918 maakten de Joden niet meer dan vijf procent van de bevolking uit. Ze leidden een gesegregeerd bestaan, bijna onzichtbaar voor de lokale bevolking.

Ergens in die tijd begon het grabbelen en graaien naar Palestina. Terwijl siedo’s grootouders net zoals vele dorpelingen genoeg hadden aan hun dagelijkse besognes en geneugten, werd er daar en elders in de Arabische wereld luidop geboetseerd aan de pan-Arabische droom: een verenigde Arabische staat. Dat idee rijpte onder het Ottomaans Rijk en vond zelfs weerklank bij de Britten die onafhankelijkheid beloofden in ruil voor een Arabische opstand tegen het despotische Ottomaans bestuur. Uit Britse vliegtuigen dwarrelden pamfletten neer met de boodschap: ‘Kom en vervoeg ons voor de bevrijding van alle Arabieren onder Turks bewind zodat het Arabisch koninkrijk mag worden wat het ooit was tijdens de tijd van jullie vaders.’

Zo geschiedde: de Arabieren vochten mee voor de bevrijding die tot vereniging zou leiden en na de Groote Oorlog van Europa sneuvelde het Ottomaanse Rijk. Maar de buit was voor Frankrijk en Groot-Brittannië. Ondanks voorafgaande beloftes werd Palestina Brits mandaatgebied. Ondanks gedane beloftes werd de Balfourverklaring cadeau gedaan aan de zionisten: een belofte om een Joods nationaal tehuis in Palestina te ondersteunen. Argentinië, Guyana en Oeganda waren ook opties, maar Palestina, de bakermat van de drie monotheïstische religies, was uiteraard aantrekkelijker. De Joden beriepen zich op hun historische band met het land, als historische geboortegrond. De Joodse migratie naar Palestina werd verder gestimuleerd onder het zionistische motto: ‘Een land zonder volk, voor een volk zonder land.’  

Zonder Palestijns volk in dat land, had ik nu echter niet kunnen bestaan. Het is politiek bedrog, waarbij de bewoners van ‘het land zonder volk’ de tol zouden moeten betalen van de gruwelijke misdaden tegen het Joodse volk die Europa op haar kerfstok had, terwijl wij Palestijnen niets te maken hadden met de misdaden van de nazi’s. Hoe dramatisch het allemaal kon worden, dat kon men toen nog niet weten. Dat het land etnisch gezuiverd zou worden, wie had dat kunnen denken?

Er volgden betogingen. De grootschalige immigratie van Joden werd nu echt bedreigend in het licht van de Balfourverklaring. Met de nazi’s aan de macht in Duitsland, migreerden nog meer Joden naar Palestina in de jaren dertig.

Grootvader werd geboren in 1936, het jaar dat er een opstand uitbrak tegen de Britten en de Joodse kolonisten. Met duizenden waren ze. Er werd een algemene staking gehouden, er werden geen belastingen meer betaald en lokale overheden werden gesloten. De beweging eiste de beëindiging van de Joodse immigratie en een verbod op de verkoop van land aan Joden. De beweging evolueerde tot een ‘nationale’ revolte waarin de Britse bezetter en de Joodse kolonisten nu ook gewelddadig geviseerd werden.

Groot-Brittannië stelde een verdeling van het land voor. De Palestijnen maakten ongeveer negentig procent van de bevolking uit, maar de Joodse migranten uit Europa zouden de helft van het land innemen!?

De opstand duurde tot 1939 en kostte ongeveer vijfduizend Palestijnse mensenlevens. Erna werden Palestijnse leiders verbannen. De Britten hadden het protest doodgeslagen met hulp van Haganah, een zionistische militie die militair gesteund werd door de Britten.

Siedo werd net zoals ik geboren uit de vruchtbaarheid van hoop en verzet, op de melodieën van verzetspoëzie. En net zoals ik, groeide hij op met de desillusie van teleurstelling.

  • Muntasiba l-qamati amshi, marfou’a l-hamati amshi
  • Muntasiba l-qamati amshi, marfou’a l-hamati amshi!
  • Fi kaffi qasfatu zaytounin wa ’ala katfi na’shi,
  • Wa ana amshi, wa ana amshi, wa ana, wa ana wa ana amshi!
  • Rechtop stap ik, met opgeheven hoofd stap ik
  • Rechtop stap ik, met opgeheven hoofd stap ik!
  • In mijn hand een olijftwijg en op mijn schouder mijn kist
  • en ik stap en ik stap, en ik, en ik, en ik stap!

Het is mijn favoriete hymne van de poëet Al Qasim, een verklaring van verzet, die raakt aan de ziel van en het verlangen naar Palestina, aan onwrikbaarheid en aan onze veerkracht. Ondanks de verslagenheid zijn we niet verslagen. Zoals hij het vroeger voor me zong, zo zing ik het nu voor hem.

Je generatie zal sterven, maar de jeugd zal niet vergeten, ya siedo

In het begin van de twintigste eeuw was Palestina een ongetemd stuk wildernis dat ten prooi was gevallen aan het Europese kolonisatieproject. Over mijn grootouders en hun ouders, die het land erfden van hun voorouders, sprak Brits politicus Winston Churchill met minachting:  

‘Een hond in zijn hok heeft nog geen recht op dat hok, ook al zou hij er al heel lang in gelegen hebben. Ik erken dat recht niet. Ik erken bijvoorbeeld niet dat de rode indianen van Amerika of het zwarte volk van Australië groot onrecht aangedaan is. Ik erken niet dat deze mensen een onrecht is aangedaan door het feit dat een sterker ras, een ras van een hogere rang, een meer wereldwijs ras om het zo te zeggen, gekomen is en hun plek ingenomen heeft.’

Hoewel er angstig onheil in de lucht hing, ging het leven door. Voelde men de catastrofe al dreigend in de nek hijgen? Hadden sommigen de etnische zuivering van het land kunnen voorzien? Waren de zionistische plannen werkelijk zo ondoorzichtig? Dat de Palestijnse bevolking moest verdwijnen was nochtans duidelijk. De toenmalige leider van het zionisme, David Ben-Gurion, opperde dat hij alleen nog wachtte op een opportuun moment, zoals een oorlog.

De Tweede Wereldoorlog kwam en ging. De Britten waren economisch geruïneerd en uit besparingsnoodzaak zouden ze het conflictueuze Palestina laten varen. Zionistische milities zoals Haganah, Irgun en Lehi stimuleerden dat vertrek door gewelddadige aanvallen op de Britten in Palestina. De Britten noemden hen terroristen. De Arabische benamingen varieerden van yahoud of Joden tot zionisten en verder tot honden en abna’ sharamiet, hoerenzonen.

Groot-Brittannië vertrouwde Palestina toe aan de kersverse Verenigde Naties. Palestina zou gesplitst worden. Er werd gestemd. Resolutie 181 voorzag in een Arabische en een Joodse staat. Jeruzalem zou onder internationaal toezicht geplaatst worden. De zionistische kolonisten bezaten amper zeven procent van het land, maar ze kregen 57 procent van Palestina. De rest was voor ons.

We weigerden uiteraard. Toen kwam de oorlog waar Ben-Gurion op zat te wachten. De paramilitaire eenheden van de zionistische Joden waren beter georganiseerd. Ze hadden wapens en een plan: ‘De Arabieren uitdrijven en hun plaats innemen!’ De Nakba, onze catastrofe, noemen de Israëli’s nu ‘de oorlog voor onafhankelijkheid’.

De Britten vertrokken op 14 mei 1948 en nog diezelfde dag riep Ben-Gurion het bestaan uit van de staat ‘Israël’. Dan pas kregen we bijstand van de Arabische buurlanden, maar het baatte niet meer. De terroristische milities van de zionisten hadden al een derde van het land etnisch gezuiverd.

Dat men niet zonder meer verhuisde of vluchtte, maar dat er een planmatige zuivering van de Palestijnse bevolking plaatsvond, dat vertelt geen dorp beter dan Al Majdal.

Het Egyptische leger streek in mei 1948 neer in Al Majdal om er haar uitvalsbasis te vestigen. Op 17 augustus 1948, in de blakende zon, vluchtte siedo met z’n familie. ‘Er waren al veel families vertrokken’, vertelt hij met schaamte in zijn stem. Iedere keer probeert hij het te verdoezelen met een smoezelige glimlach. ‘Weet je, we gebruikten batterijen en kerosine, maar toen kwam de elektriciteit! We waren blij dat de elektrische kracht ons eindelijk bereikte, maar drie maanden later moesten we ze achterlaten, samen met alles wat we kenden.’

Sinds het bloedbad van Deir Yassin had men schrik. Het dorpje bij Jeruzalem was een paar maanden eerder, in april, op klaarlichte dag aangevallen. Meer dan honderd inwoners werden vermoord. Kinderen, mannen, vrouwen: er werd geen onderscheid gemaakt. Ze werden allemaal neergeschoten. Handgranaten werden in de huizen gegooid. Hele families werden uitgemoord. Huizen werden leeggeroofd, van kippen tot radio-installaties. Zowel lijken als overlevenden werden beroofd van geld en juwelen. Mensen werden gevangengenomen. Sommigen werden vermoord nadat men met hen geparadeerd had door de straten van Jeruzalem.

‘We zouden terugkeren. Hooguit na enkele weken. Als het weer veilig was.’ Sinds de aankomst van het Egyptische leger, was het oorlog in Al Majdal. Voordien hoorde siedo al dagelijks geweerschoten, maar vanaf toen kwam het echt dichtbij. Met een ezel vertrokken ze: siedo, zijn vijf broers en zussen en zijn ouders. Ze namen amper iets mee, alleen een paar kleine spullen, enkele dekens, een beetje eten voor de reis en wat geld. Dat en de sleutel, het symbool van verlies en hoop, die siedo iedere keer uit de schuif haalt wanneer hij herinneringen ophaalt. De sleutel van het huis, dat misschien vernield is of bezet wordt door een vreemde binnendringer, die sleutel is het symbool van een leven in ballingschap en van terugkeer.

‘Vader was erg vrijgevig. Hij gaf voedsel aan de Egyptische soldaten en zelfs geld. Daar waar we naartoe gingen, zouden we als gasten onthaald worden. Er zou voor ons gezorgd worden. We gaven de dingen weg die we later tekort zouden komen. Wallah, ik zweer het, zo is het gebeurd.’ Ze trokken naar het zuidwesten, via Batn es-Sqarad, langs Wadi Skeikh naar Iraq Suwaydan, het dorpje waar mijn grootouders van moederszijde vandaan komen. Maar ook daar was het onrustig en na enkele weken trokken ze verder naar het zuiden, naar Beit Hanoun, en van daaruit naar Rafah, aan de grens met Egypte. De reis duurde ongeveer twee maanden, veel langer dan ze van plan waren om weg te blijven.

‘We sliepen in sinaasappelvelden, op het strand en in een grot, tot we een nylon tent konden bemachtigen en de hemel niet langer ons enige onderdak was. Die “parachutes” stonden overal en gaven onderdak aan zo’n tien personen. Men kwam van overal naar Gaza. Er waren veel bedoeïenen uit Beer as-Seba met hun dieren. De kamelen en koeien werden gehoed tussen de tenten. Ehna kunna ktaar, ellaaji’ien. We waren met zoveel vluchtelingen…’

Zoveel dat de lokale bevolking hen niet allemaal kon helpen. De tekorten stapelden zich al snel op en mijn familie kwam in armoede terecht. Siedo en zijn twee oudere broers gingen op zoek naar werk. Maar zelfs dan nog was er amper bloem en daardoor was er te weinig brood. Er was onvoldoende brandstof om te koken. Er werd overal gesprokkeld: van de spoorweg op de lijn Caïro-Haifa tot op de wc’s om de houten toiletbrillen te ontvreemden.

‘Ik werkte in een restaurant en verdiende tweeënhalve piaster voor zes uur werk. Met het loon van vader en mijn oudere broers erbij hadden we dagelijks tien Palestijnse piasters. Na het werk ging ik later opnieuw naar school. De dagen waren lang en het leven was moeilijk, maar el-hamdulillah, godzijdank, we leefden, yani, leefden.’

Op straat bedelden moeders voor melk om hun jonge kinderen te kunnen voeden. Elke dag stierven er enkele mensen uit hongersnood. Sommigen probeerden terug te keren naar hun dorp. Terwijl nieuwe vluchtelingen bleven toekomen in de Gazastrook, vertrokken er delegaties in de omgekeerde richting, ondanks de landmijnen, ondanks de oorlog die nog aan de gang was. De zionisten dreven hen opnieuw weg.

Op 14 oktober 1948 kwamen de luchtbombardementen en op 4 november viel Al Majdal definitief. Mijn dorp onderging hetzelfde lot als honderden andere Palestijnse dorpen. Met geweld werden ze overwonnen door zionistische milities die ze bezetten met een Israëlische vlag. Meer dan vierhonderd dorpen werden volledig van de kaart geveegd: de huizen en gebouwen werden opgeblazen of er rolden bulldozers over tot er niks meer van overbleef.

Van de elfduizend inwoners van Al Majdal bleven er op dat ogenblik amper duizend over. In december deporteerden de zionisten de helft van hen. Er was een bevel om de overblijvende Palestijnen uit te drijven, maar de lokale commandanten gaven er niet onmiddellijk gevolg aan. Zo gebeurde het dat sommige vluchtelingen konden terugkeren. Ook Palestijnen uit naburige dorpen streken vervolgens neer in Al Majdal en de bevolking zwol opnieuw aan tot tweeduizendvijfhonderd Palestijnen.

Gedurende een jaar werden ze afgezonderd, achter prikkeldraad in het ‘getto’, terwijl Joodse kolonisten hun intrek namen in het dorp. Al Majdal lag nu in ‘Israël’ en de Palestijnse bevolking moest verdwijnen. ’s Nachts viel het bezettingsleger binnen en zaaide paniek; het leven werd hen onmogelijk gemaakt. Er werd hen zelfs geld aangeboden. Uiteindelijk werden ze in de zomer van 1950 gedeporteerd. Met een truck werden ze in de Gazastrook afgezet. Een kleine minderheid werd naar Jordanië afgevoerd. Tegen oktober 1950 bleven er amper twintig Palestijnse families over in Al Majdal, van wie de meeste nadien uit eigen beweging verhuisden. Zo werden de inwoners van Al Majdal Asqalan de laatste bannelingen van 1948. ‘De wereld die we kenden was weg.’ Zo besluit siedo ieder verhaal.

Zo zat het dus met ‘Israëls’ verklaringen van democratie en burgerlijke gelijkheid. In 1949 waren ongeveer 750.000 Palestijnen, de meerderheid van het volk, vluchteling geworden. Mijn familie werd verdreven naar de Gazastrook, anderen belandden op de Westelijke Jordaanoever, (Trans)Jordanië, Egypte, Syrië, Libanon en Irak. De VN keurden resolutie 194 goed, waarin het onvoorwaardelijke recht op terugkeer of compensatie van de Palestijnse vluchtelingen onderstreept werd. Het is een van de vele dode letters gebleken in de gulheid van holle uitspraken. Al Majdal werd gejudaïseerd; alsmaar meer nieuwe kolonisten en gedemobiliseerde soldaten kwamen er wonen tot het Migdal-Ad genoemd werd.

In dat proces werd het prachtigste gebouw van Al Majdal vernield: een constructie uit de elfde eeuw, met prachtige booggewelven, gelegen boven op een heuvel. Al Mashhad Nabi Houssein werd gebouwd om het hoofd van Hoessein ibn Ali, een kleinzoon van onze profeet Mohammed, salla llahu aleihi wasallam, vrede zij met hem, te begraven. Het was niet alleen prachtig, het was vooral een heilige plaats voor de hele moslimgemeenschap, een bestemming voor pelgrimstochten. De zionisten bliezen het op in de zomer van 1950 en er bleef niet meer over dan een steen. Al Majdal veranderde nog in Migdal Ashkelon en nog later werd het simpelweg Ashkelon.

De Palestijnse kaart verschrompelde een tweede keer na de Nakba. Nu was de Joodse staat niet alleen een erkende werkelijkheid, het bestond zelfs uit 78 procent van historisch Palestina. Over de militaire ondersteuning uit de Arabische wereld is siedo bitter. Hij noemt de Arabische generaals grijnzende apen die zich bij iedere aanval verder terugtrokken om land gewonnen te geven. De waarheid is dat de militaire verdediging te laat kwam en te weinig manschappen telde en bovendien waren ze onvoldoende bewapend.

De Westelijke Jordaanoever kwam onder Transjordaans bewind te staan en Gaza werd door Egypte bestuurd. Al Naksa, de tegenval of het gemis, die ook bekend is als de Zesdaagse Oorlog van 1967 veranderde ook dat. Toen veroverde ‘Israël’ ook de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het bracht een nieuwe vluchtelingengolf teweeg. Hier en nu, in de Gazastrook, is twee derde van de 1,7 miljoen inwoners vluchteling. Wereldwijd zijn we met ongeveer zeven miljoen Palestijnse vluchtelingen

© 2013 Inge Neefs en uitgeverij EPO. Overname enkel met toestemming van de uitgever.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

2 reacties

  • door Danielle op woensdag 6 augustus 2014

    Prachtig geschreven artikel dat de oneindige ellende weergeeft van een familie die machteloos staat tegen de wreedaardige politiek van een 'volk' dat beter zou moeten weten.

    • door jan peeters op woensdag 19 november 2014

      Als de Palestijnen niet meer vragen dan de derde kaart, waarom waren ze dan niet akkoord met de tweede kaart uit 1948 waarop ze veel meer grondgebied hadden? Nee, ze wilden de eerste kaart, waar helemaal geen plaats was voor Israël...

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties