Waar blijft de eengemaakte Europese vennootschapsbelasting?
ABVV, Europa, Rechtvaardige belastingen -

Waar blijft de eengemaakte Europese vennootschapsbelasting?

maandag 23 juli 2012 12:17

Op een moment dat de Europese Unie met een financiële en economische crisis van een bijna ongeziene omvang worstelt, is de vraag naar de toekomst van de belastingen op bedrijven in de EU zeker op zijn plaats.

Ons sociaal model in stand houden

Voor de vakbeweging moeten de fiscale en budgettaire inkomsten een voldoende hoog niveau bereiken om ons Europees sociaal en economisch model, met goed uitgebouwde openbare diensten en een afdoende sociale bescherming, in stand te houden – en in sommige landen zelfs te verbeteren.

Zelfs de Europese Commissie (EC) heeft openlijk het belang van dit model erkend, omdat het enerzijds in tijden van economische crisis de burgers beter beschermt tegen onzekerheden en anderzijds een relance-effect inhoudt via de ondersteuning van de vraag.

Overigens is dit geen nieuwe doelstelling voor de vakbeweging… noch voor de EC. In 1992 al beval het rapport Rudding aan de heffingsgrondslag en de belastingstarieven van de vennootschappen te harmoniseren tot 30 à 40%.

In hetzelfde rapport van 1996 (Verona-rapport) dat aanleiding gaf tot de werkzaamheden van de groep van Commissaris Monti, zei de EC al dat een van de voornaamste uitdagingen van het fiscale beleid in de EU de stabilisering van de fiscale inkomsten van de Lidstaten was, waarbij de goede werking van de Eenheidsmarkt en de werkgelegenheid de andere uitdagingen vormden.

Fiscale concurrentie

Hoe is dit dossier geëvolueerd in het licht van deze doelstellingen? Globaal gezien moeten wij vaststellen dat het aandeel van de lonen en andere sociale transfers in het Bruto Binnenlands Product sinds meer dan 30 jaar gedaald is, in tegenstelling tot het aandeel van de productiefactor kapitaal in de meerwaarde, dat gestegen is.

Rekening houdend met die vaststellingen is het, in onze globale economie, meer dan nodig om een voldoende belastingheffing te waarborgen op alle soorten inkomsten en alle heffingsgrondslagen.

Iedereen weet dat belasten wat je niet kent of wat naar het buitenland vertrekt, geen gemakkelijke zaak is. Dit betekent niet alleen dat alle inkomsten gekend moeten zijn, maar ook dat er een einde moet komen aan de fiscale concurrentie die – ook al beweren sommigen het tegenovergestelde – toch schadelijk is voor het sociale en economische leven en dus voor ons sociaal model.

Herverdeling

Maar in een globale economie zoeken de Lidstaten zich op fiscaal vlak te positioneren.

Hun eerste motivering is de versterkte rol van de belastingheffing in de lokalisering van de economische activiteit. Het wegwerken van de niet-fiscale belemmeringen op de internationale handel heeft het gewicht van de belastingheffing in de lokalisering van de economische activiteiten nog verzwaard.

Bij gebrek aan harmonisering is deze concurrentie gebaseerd op een meer mobiele factor, nl. het kapitaal, waarbij elk land meer kapitaal probeert aan te trekken (zowel het slapend (de beleggingen) als het productieve kapitaal (oprichting van vennootschappen)).

Volgens de vakbeweging moet het fiscale beleid uiteraard andere doelstellingen nastreven dan die loutere positionering. Fiscaliteit moet de productie financieren van goederen en openbare diensten die noodzakelijk zijn voor een optimale sociale cohesie en bijdragen tot de herverdeling van de inkomens Toch stellen wij vast dat die positionering in alle Lidstaten steeds zwaarder begint te wegen.

Notionele interestaftrek

Wat zijn onze vaststellingen over de vennootschapsbelastingen?

In de jaren ‘80 voerden veel EU-landen fiscale voorkeurregelingen in, zoals de oprichting van coördinatiecentra in België. Die fiscale voorkeurregelingen waren uiteraard een bron van ongerustheid voor de andere landen die met lede ogen de delocalisatie van hun economische activiteiten of van hun belastbare grondslag vaststelden.

Er werden eerst interne maatregelen getroffen om die trend om te buigen. Maar al gauw bleek dat eenzijdige en bilaterale acties een beperkt effect hadden. De behoefte aan een multilaterale aanpak werd snel duidelijk.

Vanaf de eerste helft van de jaren 90 mondde dit uit in belangrijke beleidsinitiatieven: de Europese gedragscode en de werkzaamheden van de OESO rond schadelijke belastingsconcurrentie. De belastingsconcurrentie op basis van voorkeurregelingen die als schadelijk werd beschouwd, werd via die multilaterale initiatieven fors getemperd.

Het positioneringsinstrument bij uitstek is nu het nominale belastingtarief geworden.

Toch blijven sommige Lidstaten voorkeurregelingen opzetten om bedrijven aan te trekken, om zuiver fiscale redenen en zonder enige band met een reële economische activiteit en investeringen die een echte meerwaarde bieden. Zie bijvoorbeeld België met de notionele interestaftrek.

Naar een gemeenschappelijke vennootschapsbelasting?

Sinds 2003 werkt de EC aan een ontwerprichtlijn om een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in te voeren.

Op het vlak van de vennootschapsbelasting vormt de harmonisering van de heffingsgrondslag een van de hoekstenen om in de goede richting te gaan. Om uit de spiraal van de fiscale concurrentie te geraken, moet men echter over een degelijke belastinggrondslag kunnen beschikken en moet men dus op twee benen kunnen stappen.

De CCCTB zal enkel een goede zaak zijn als de tarieven in de vennootschapsbelasting tegelijkertijd geharmoniseerd worden. Maar op dit punt wenst de EC geen vooruitgang….

Het enige geharmoniseerde belastingtarief waarover de EC zich akkoord zou kunnen verklaren, is een nultarief, wat gezien de evolutie van de tarieven in de vennootschapsbelasting in de Lidstaten niet eens zo onwaarschijnlijk is!

Deze evolutie is onder meer het gevolg van wat de Europese Commissie onder fiscale concurrentie verstaat. Volgens de te enge definitie van de EC maakt een Lidstaat die zijn vennootschapsbelasting symbolisch laag vastlegt, zich niet schuldig aan schadelijke concurrentie.

Het onmiddellijke gevolg is wel dat de andere Lidstaten zwaar onder druk worden gezet om eveneens hun tarieven te verlagen, waardoor ook hun budgettaire inkomsten verminderen.

Dit Europese fiscale pakket blijft dus onvoldoende om het Europese sociale model dat gebaseerd is op een vrijwillig sociaal beleid en belangrijke (want onontbeerlijke) openbare investeringen, te verdedigen.

Met de belastingsconcurrentie die hun begrotingsinkomsten doet dalen, zitten de Lidstaten vast in het keurslijf van het Stabiliteitspact en hebben zij alleen maar enige speelruimte in hun sociale uitgaven.

Rechtvaardige belastingen?

Sinds 2000 bijvoorbeeld is in de EU het belastingtarief van de vennootschappen gemiddeld met 5,7 procentpunten gedaald. In België betekent een dergelijke daling een inkomensderving van om en bij de 2 miljard euro.

Terwijl de werknemers overal in Europa geconfronteerd worden met strenge bezuinigingsmaatregelen en een aanhoudende crisis, is fiscale rechtvaardigheid van het grootste belang.

Aan de belastingsconcurrentie in de interne markt moet paal en perk worden gesteld en de vennootschappen moeten op de winsten die zij maken een juiste belasting betalen.

Christophe Quintard, directeur economische studiedienst federaal ABVV

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!