Pierre Marziali, de Franse stichter-voorzitter van Secopex, werd op 12 mei 2011 in Benghazi gedood toen hij contact zocht met de Libische rebellen (foto: Secopex)
Nieuws, Wereld, Afrika, Economie, Afghanistan, NAVO, Niger, Françafrique, Libië, Irak, Frankrijk, Veiligheidsdiensten, Somalië, Centraal-Afrikaanse Republiek, Spionage, Ivoorkust, Kolonel Muammar Khaddafi, Benghazi, Huurlingen, VN-resolutie 1973, Pierre Marziali, Secopex, Privatisering van het leger, Inlichtingendiensten, Libische rebellen, Jérôme Larché, Libische Nationale Overgangsraad, Huurlingenorganisatie, Robert Dulas, Abdel Hafiz Ghoga, Pierre Martinet, Private onderaannemers, Grondtroepen -

“Privatisering van de oorlog in Libië verleidelijk, maar gevaarlijk”

In Libië zetten de beide strijdende partijen huurlingenorganisaties in bij de strijd om de macht. De uitbesteding van militaire opdrachten aan deze particuliere militaire bedrijven zorgt echter voor hachelijke situaties. De Franse onderzoeksjournalist Jérôme Larché bericht.

dinsdag 7 juni 2011 18:40

Op 12 mei 2011 kwam Pierre Marziali in de oostelijke stad Benghazi om het leven tijdens een controle door Libische rebellen. Eén van zijn vier reisgezellen raakte bij hetzelfde incident gewond. Marziali was de voorzitter van Secopex, een Frans particulier militair bedrijf. Naar verluidt probeerde het gezelschap er in contact te komen met de verantwoordelijken van de rebellerende Libische Nationale Overgangsraad.

Secopex was van plan een kantoor te openen in Benghazi, de huidige ‘hoofdstad’ van de Libische opstandelingen. Het bedrijf wilde hen raad geven, steun bij het ontwikkelen van een strategie, en hulp op het terrein.

Nu beschuldigt Abdel Hafiz Ghoga, de ondervoorzitter van de Nationale Overgangsraad, de Fransen echter van spionage. En hoewel nog niet duidelijk is met welke bedoelingen de mannen echt naar Libië gekomen waren, zouden de Franse burgerlijke en militaire inlichtingendiensten inderdaad geïnteresseerd zijn in de plannen van dit particuliere militaire veiligheidsbedrijf.

Een ‘typisch Franse’ huurlingenorganisatie

Secopex werd in 2003 in het Zuid-Franse departement Aude opgericht door Marziali, een voormalig onderofficier van het in Carcassone gelegerde derde regiment van de parachutisten-mariniers. Het bedrijf liet in 2008 voor het eerst van zich horen, toen het ingehuurd werd om de veiligheid in de Somalische wateren te verzekeren, waar het wemelde van de piraten.

Secopex werd toen gevraagd een eenheid kustwachters en een inlichtingendienst op te richten, en “de dienst zeevaart, de douane en de zeevaartpolitie te versterken”. Dagelijks varen 300 tot 400 handelsschepen langs de Somalische kust. De Franse huurlingen zou deze boten escorteren, of voor gewapende bewakers aan boord zorgen. Het Somalische personeel zou worden opgeleid in militaire centra in Djibouti en op een eiland ten zuiden van Somalië.

De werkelijkheid draaide echter anders uit: hoewel Secopex, naar eigen zeggen, over 2.000 manschappen beschikte, kwam het tot geen enkele concrete actie. De mislukte poging tot contact met de Libische rebellen betekende dus niet de eerste mislukking van het bedrijf.

Een andere hoofdrolspeler in het recente voorval in Benghazi is een zekere Robert Dulas. Deze verpersoonlijking van de Franse invloed in Afrika – hij is een voormalig ‘raadgever’ van de toenmalige Ivoriaanse president Robert Gueï (nvdr: die via een militaire staatsgreep aan de macht was gekomen) en zijn Centraal-Afrikaanse ambtgenoot François Bozizé, en is tegenwoordig ‘gevolmachtigd ambassadeur’ van de Nigerese overheid – gaf zelf toe dat Secopex zijn diensten zowel aan het regime van kolonel Muammar Khaddafi, als aan de Libische Nationale Overgangsregering had aangeboden. Het lijkt er dus op dat de ‘neutraliteit’ (en vooral het winstoogmerk) van Secopex hen parten heeft gespeeld.

Maar dat is nog niet alles. Bij het groepje ‘experts’ hoorde ook Pierre Martinet, een voormalig agent van de Franse buitenlandse veiligheidsdienst, die er in 2005 van beschuldigd werd de Franse humorist Bruno Gaccio bij Canal Plus te hebben laten bespioneren.

Gevaarlijke manoeuvres en diplomatieke verwarring

Het incident van 12 mei, met de trieste dood van één man tot gevolg, vindt plaats op het moment waarop de aanvallen van de NAVO niet lijken te volstaan om het gebrek aan slagkracht van de opstandelingen van de Nationale Overgangsraad te compenseren. Zij lijken er immers niet in te slagen om blijvend terrein te veroveren op de Khaddafi-getrouwe regeringstroepen.

De resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad verbiedt de coalitie formeel grondtroepen naar Libië te sturen. De aanwezigheid van dit particuliere militaire bedrijf, dat bovendien Frans is, voelt dus wat ongemakkelijk aan.

Het lijkt zo goed als onmogelijk dat in Frankrijk niemand op de hoogte was van hun project. Toch is de actie blijkbaar nooit door hogerhand verboden. Deze tactisch erg gevaarlijke onderneming (één man gedood, de anderen in de gevangenis) dreigt door alle media-aandacht Frankrijk op strategisch en diplomatiek vlak in diskrediet te brengen.

Frankrijk en Groot-Brittannië waren immers de eerste landen die de inzet van huurlingen door kolonel Khaddafi aan de kaak stelden. Het regime zette vanaf eind februari naar schatting 500 tot 6.000 huurlingen in, die afkomstig zijn uit allerlei landen: Guinee, Ghana, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Niger, Mali, Soedan en Somalië.

Volgens bepaalde onderzoekers, zouden er ook ervaren Europese soldaten van hoge rang meevechten aan de zijde van Khaddafi: Wit-Russen, Serviërs, Engelsen, Belgen, Grieken, en zelfs enkele Fransen.

Deze Europese huurlingen, die duizenden dollars per dag zouden krijgen, zouden specialisten zijn op vlak van zware wapens, of helikopterpiloten. Hun aanwezigheid op het terrein is op dit ogenblik echter niet officieel bevestigd, noch door de NAVO, noch door de Europese Unie, noch door de weinige NGO’s met contacten op het terrein, zoals mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch.

De privatisering van de oorlog: een gevaarlijke verleiding

De inzet van huurlingen en privélegers, is natuurlijk geen nieuwe uitvinding, maar het recente wereldwijde terugschroeven van defensiebudgetten maken deze keuze voor heel wat staten opnieuw aantrekkelijk. Bovendien hangen aan deze tactiek ook politieke voordelen vast: vaak worden omgekomen huurlingen niet meegeteld, waardoor het officiële dodental van een oorlog lager lijkt.

Sinds de recente enquête van het Franse ministerie van Defensie over de hele kwestie, is het debat over particuliere militaire (veiligheids-)bedrijven in Frankrijk heropend. Tijdens de gewapende conflicten in Irak en Afghanistan, waaraan veel dergelijke bedrijven uit de Angelsaksische wereld hebben deelgenomen, zijn tal van ontsporingen aan het licht gekomen, zowel op het terrein als bij de financiering en op politiek-strategisch vlak, met alle rampzalige menselijke gevolgen van dien.

Wat betreft hun economisch model en hun slagkracht, zijn de Franse particuliere militaire bedrijven op dit moment niet vergelijkbaar met hun Angelsaksische tegenhangers. Toch is het ook voor de Franse overheid onontbeerlijk na te denken over de controle die staten over huurlingenlegers uitoefenen, over hun verantwoordingsplicht ten aanzien van het internationaal humanitair recht, en over de manier waarop staten hun ‘privileges’ (landsverdediging, veiligheid, recht, …) moeten blijven uitoefenen, in het bijzonder in oorlogsgebieden.

Desalniettemin is het duidelijk dat resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, die de inzet van westerse grondtroepen op Libische bodem verbiedt, de keuzemogelijkheden van de NAVO de facto beperkt. Als de coalitie niet in een nieuw (woestijn) ‘moeras’ wil wegzakken, zal het erg moeilijk worden te weerstaan aan de verleiding om – in theorie – efficiënte private onderaannemers in te zetten, teneinde de tactische en strategische tekortkomingen van de zowel militair als diplomatiek door het Westen, en dan vooral de westerse NAVO-landen, gesteunde Libische rebellen, te compenseren.

Lessen uit Afghanistan

De balans van de privatisering van de oorlog die tegenwoordig in Afghanistan wordt gevoerd door de Amerikanen en de troepen van de NAVO-coalitie, spreekt echter boekdelen. De Amerikaanse militairen geven zelf toe dat de huurlingenorganisaties niet alleen meer kosten en moeilijker te leiden zijn, maar dat ze op politiek-strategisch vlak ook een negatieve invloed hebben op het bestrijden van de opstandelingen.

Ondanks de beperkingen en moeilijkheden waarmee het Westen in Libië tegenwoordig geconfronteerd wordt, kan het dus beter niet toegeven aan de verleiding om particuliere strijdkrachten in te zetten, wil het vermijden dat het alle controle en legitimiteit verliest in deze al erg complexe situatie.

Het trieste voorval met de mensen van Secopex moet worden beschouwd als een waarschuwing voor de bijkomende onbedoelde burgerslachtoffers die ten gevolge van een privatisering van het Libische conflict kunnen worden gemaakt. De politieke en militaire verantwoordelijken zouden dat alles, wars van alle ideologie en op een pragmatische manier, toch eens erg grondig moeten overwegen.

Jérôme Larché

Deze bijdrage van de Franse onderzoeksjournalist Jérôme Larché verscheen eerst op de nieuwswebsite Slate Afrique: http://www.slateafrique.com/2157/guerre-libye-privatisation-mercenaires-otan-kadhafi

(vertaling uit het Frans door Steven Haerens)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!