Europa 2020 moet ook sociaal en ecologisch
ABVV, ACV, Klimaat, Onderwijs, ACLVB, 11.11.11, Sociaal, Energie, Innovatie, BBL, BAPN, IEW, CNCD, Werkzaamheidsgraad, Armoede en uitsluiting -

Europa 2020 moet ook sociaal en ecologisch

vrijdag 8 april 2011 10:17

Gezamenlijk persbericht van ACV, ABVV, ACLVB, BAPN, BBL, 11.11.11, IEW en CNCD.

In april moet België aan Europa een nationaal hervormingsprogramma voorleggen in het kader van de nieuwe Europese middellangetermijnstrategie Europa 2020.
Dat moet in het bijzonder een concrete invulling geven aan de vijf (in feite acht) Europese kerndoelstellingen. Tegen 2020 moet:

– 75 % van de Europese bevolking werk hebben;
– 3 % van het BBP worden geïnvesteerd in onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
– de Europese klimaat- en energiedoelstellingen (20/20/20) zijn gehaald:

  • 20 % (eventueel 30 %) minder broeikasgassen in vergelijking met 1990;
  • 20 % energiebesparing;
  • 20 % energie uit duurzame energiebronnen;

–  de onderwijsoutput zijn verbeterd:

  • minder dan 10 % voortijdige schoolverlaters;
  • minstens 40 % van de jongere generatie met een diploma hoger onderwijs;

– het aantal mensen met risico op armoede of uitsluiting (114 miljoen in 2009) zijn gedaald met minstens 20 miljoen.

Het volstaat uiteraard niet om doelstellingen voor te houden als niet het beleid in stelling wordt gebracht om die doelstellingen te halen. Tegelijk begrijpen we dat een federale regering in lopende zaken weinig nieuwe hefbomen kan voorstellen. Dit mag evenwel geen beletsel zijn om niet reeds actief in Gewesten en Gemeenschappen invulling te geven aan een geloofwaardig beleid over de bijdrage die op dat niveau, maar zeker ook op het lokale niveau, kan worden geleverd. Zomin ontslaat het de federale overheid van de plicht om deze maand in overleg met Gewesten en Gemeenschappen duidelijke nationale doelstellingen vast te leggen.

Vakbonden, milieubeweging, Noord-Zuid-beweging en netwerken armoedebestrijding, willen daartoe samen een aantal signalen uitsturen aan de beleidsverantwoordelijken, op de diverse niveaus.
 

We vragen:

– dat de hervormingsprogramma’s (nationaal en regionaal) zijn gebaseerd op een evenwicht tussen en verstrengeling van economische, sociale en ecologische doelstellingen: Europa 2020 is op zich al een wankele evenwichtsoefening. We willen niet dat dit verder onderuit wordt gehaald door – onder druk van de economic governance – de sociale en ecologische doelstellingen nog meer te verwaarlozen. Evenmin mag de organisatie van de noodzakelijke solidariteit tussen Lidstaten (steun aan landen in financiële moeilijkheden) ten koste gaan van de solidariteit binnen de Lidstaten;
– dat voorbereiding en uitvoering van die programma’s gebeurt in nauw overleg met het maatschappelijke middenveld, in het bijzonder vakbonden, milieubeweging, Noord-Zuid-beweging en netwerken armoedebestrijding, met een regelmatige ruggespraak over de voortgang, met inschakeling van de geëigende overleg- en adviesorganen, en met respect voor de autonomie van het sociale overleg;
– dat de hervormingsprogramma’s zich inschrijven in het VN-concept van duurzame ontwikkeling. Een wereldwijde groene economie als basis voor duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding is trouwens een van de twee thema’s die het onderwerp uitmaken van de Rio + 20 VN-conferentie van juni 2012. De switch van een economie gebaseerd op fossiele energie naar een lage koolstofeconomie, wereldwijd, moet dit mogelijk maken. Een voorwaarde hiervoor is dat ook Europa en België nieuwe financiering voorzien voor de eigen interne ommezwaai en voor de uitbouw van deze economie in ontwikkelingslanden.

Specifiek inzake de doelstellingen vragen we:

– dat ze zowel geloofwaardig als ambitieus zijn: ambitie is essentieel, maar ze moet zijn gestoeld op geloofwaardige hefbomen en een geloofwaardige beleidsuitvoering; hetgeen ook vereist dat zo snel als mogelijk een federale regering tot stand komt;
– dat de huidige vorken die zijn voorzien in het ontwerp van programma plaats maken voor eenduidige, precieze doelstellingen (“puntdoelstellingen”);
– dat de kerndoelstellingen per beleidsdomein, waar nodig, worden aangevuld met subdoelstellingen;
– dat voor elke kerndoelstelling of subdoelstelling met Gewesten en Gemeenschappen afspraken worden gemaakt over hoe die gezamenlijk moet worden bereikt;
– dat voor elke kern- en subdoelstellingen een onbetwistbaar meetinstrument voorhanden is en zo niet op korte termijn wordt ontwikkeld;
– dat vanuit die doelstellingen voor 2020 tussentijdse doelstellingen worden bepaald, al is het maar om te vermijden dat de beleidsverantwoordelijken de verantwoordelijkheid doorschuiven naar de volgende legislatuur;
– dat jaarlijks een voortgangsrapport wordt gemaakt, voor bespreking met het maatschappelijke middenveld.
 

Elk van de kerndoelstellingen vergt een debat ten gronde, maar op hoofdlijnen willen we voor elk van de kerndoelstellingen reeds volgende elementen aangeven.

1. Werkzaamheidsgraad
Ambitie mag en moet, stelden we reeds. Dat geldt zeker voor de werkgelegenheid. Een duurzaam werkgelegenheidsbeleid moet eerst en vooral zijn gericht op de creatie van duurzame, waardige en kwaliteitsvolle banen. Dit is geheel anders dan de zware focus, onder druk van de huidige invulling van de economic governance, op de hervorming van de arbeidsmarkten waarbij de nadruk wordt gelegd op louter aanbodgerichte maatregelen (zoals hervorming van de werkloosheidszekering en flexibilisering van de arbeidsmarkten). Er is nood aan een duurzaam relanceplan gefinancierd door ambitieuze fiscale maatregelen zoals de invoering van een belasting op financiële transacties en een minimumtarief inzake vennootschapsbelasting.

Meer werkgelegenheid is niet genoeg. Daarom ook zijn subdoelstellingen nodig gericht op:

– betere banen. We hebben – in het verlengde van de “Lakenindicatoren” en naar het voorbeeld van bestaande praktijken in binnen- en buitenland, een synthetische index nodig voor de meting van de kwaliteit van de jobs, op basis waarvan dan ambitieuze nationale doelstellingen kunnen worden vastgelegd;
– een betere combinatie van beroeps- en privé-leven, met onder meer benchmarks voor de uitbouw van kinderopvang en andere zorgvoorzieningen;
– een betere verdeling van de arbeid, met specifieke subdoelstellingen voor de doelgroepen die vandaag achtergesteld zijn op de arbeidsmarkt (jongeren, personen met een handicap, allochtonen, ouderen);
– een duidelijk engagement in het kader van de aanbeveling rond actieve inclusie, waarbij de aandacht gaat naar een combinatie van drie belangrijke pijlers: adequaat inkomen, toegang tot diensten en een inclusieve arbeidsmarkt.

2. Innovatie
Vooraleer hier adequate keuzes te kunnen maken is eerst en vooral nood aan adequate meetinstrumenten.

Ter zake stellen we vast:

– dat de klassieke indicator van investering in onderzoek en ontwikkeling een weliswaar belangrijke, maar nog ruim onvolkomen graadmeter is voor innovatie. Dit wordt ook Europees erkend, maar veel voortgang om tot een betere indicatorenset te komen, met meer outputindicatoren (zoals inzake valorisatie of kwaliteitsverbetering van producten) is er vooralsnog niet op Europees vlak. België moet daar dus op vooruitlopen door zelf werk te maken van een verbeterd scorebord, in overleg met Gewesten en Gemeenschappen en met het maatschappelijke middenveld en voortbouwend op het werk van de CRB i.s.m. de regionale overlegorganen;
– dat in de huidige meting de verhouding tussen overheids- en particuliere investeringen wordt scheefgetrokken: voor een belangrijk deel van de particuliere investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn er vandaag fiscale tussenkomsten. Deze fiscale uitgaven worden vandaag evenwel niet meegeteld, waardoor er een onderschatting is van de overheidsinvesteringen en een overschatting van de privé-investeringen;
– dat heel wat technologische innovaties in bedrijven mislukken omdat de mens aan de machine werd vergeten: daarom moet in de subdoelstellingen zeker de kwestie van de innovatie van de arbeidsorganisaties (sociale innovatie) worden meegenomen;
– dat technologische innovaties een onderdeel zijn en moeten zijn van een bredere innovatie-aanpak en dus ook niet los mogen worden bekeken van de bredere maatschappelijke en juridische context.

3. Onderwijs
Een van de belangrijke manco’s in het project Europa 2020 is dat, anders dan in de Lissabonstrategie, inzake het levenslange leren nog enkel doelstellingen inzake initieel onderwijs naar voor worden geschoven en dus geen recht meer wordt gedaan aan het leren van volwassenen. Tegelijk vragen we ook aandacht voor de bevordering voor een betere aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt, door de uitbouw van het alternerend leren.

We vragen daarom:

– dat de twee doelstellingen inzake onderwijs worden aangevuld met drie concrete subdoelstellingen inzake het levenslang leren van volwassenen, in het verlengde van vroeger bepaalde benchmarks:

  • in 2020 neemt per jaar 1 op 2 van de werknemers deel aan opleiding (cf. Werkgelegenheidsconferentie 2003 en interprofessioneel akkoord 2007-2008);
  • in 2020 is de participatie van volwassenen aan levenslang leren verhoogd tot minstens 15 % (cf. Europese strategie ET 2020);
  • in 2020 zit België bij de top 5 van de Europese Unie wat betreft de investering van ondernemingen in opleiding (met 1.9 % van de loonmassa als tussentijdse doelstelling, cf.  interprofessionele akkoorden van 1999-2000 en 2007-2008);

– dat dit wordt aangevuld met een subdoelstelling inzake het aantal jongeren in formules van het alternerend leren en werken: in CRB en NAR zijn de besprekingen omtrent een vereenvoudigd, sociaalrechtelijk sokkelstatuut voor alle vormen van alternerend leren en werken bijna achter de rug; dit én het hernemen van de arbeidsmarkt moet de aanzet zijn voor een herdynamisering van het alternerend leren/werken.

4. Klimaat en energie
Voor een daadkrachtige klimaatbeleid, moet er dringend duidelijkheid komen over de intra-Belgische verdeling van Europees opgelegde klimaatdoelstellingen. Tegelijk moet de doelstellingen voor 2020  evenwel worden ingekaderd in een langetermijnstrategie naar 2050. De langetermijnuitdagingen vragen in elk geval meer ambitie dan wat vandaag aan doelstellingen voorligt. Ook voor milieu-uitdagingen die niet onmiddellijk vanuit de vraagstukken van klimaat en energie kunnen worden gevat.

Ter zake wensen we vijf concrete signalen te geven:

  • 2050 moet de horizon zijn voor duurzame ontwikkeling. De Europa 2020 strategie beoogt een structurele hervorming van de Europese economie. Structurele hervormingen vereisen een lange termijnvisie. Hoewel de nationale hervormingsprogramma’s ter implementatie van de Europa 2020 strategie in de eerste plaats tot doel hebben de EU-doelstellingen voor 2020 te bereiken, is het aangewezen om het 2050 perspectief te hanteren bij de implementatie van de Europa 2020 strategie. De doelstellingen voor 2020 worden hierbij gezien als een afgeleide van de doelstellingen voor 2050;
  • de CO2-reductiedoelstelling moet worden opgetrokken. Op basis van de gegevens in het vierde IPCC rapport moeten de wereldwijde de emissies van de ontwikkelde landen tegen 2050 met 80-95% verminderen ten opzichte van 1990 en met 25-40% verminderen tegen 2020. Nieuwe studies geven aan dat sinds de economische crisis de kostprijs van deze reducties gedaald is. Studies tonen ook aan dat de klimaatverandering harder en sneller gaat dan verwacht. Grotere reducties zullen waarschijnlijk noodzakelijk zijn om de gevolgen van de klimaatverandering, die het sterkst voelbaar zijn in de ontwikkelingslanden, maximaal te beperken. Daarom moet België, net zoals de andere ontwikkelde landen, zich voorbereiden op reducties die zich minstens aan het hoogste eind van de range zullen bevinden en die voor het overgrote deel intern gebeuren.
  • het aandeel hernieuwbare energie moet omhoog. In België staat de kostprijs van het hernieuwbare energiebeleid zwaar in discussie. Dit neemt niet weg dat de bijdrage van hernieuwbare aan de duurzame economie absoluut noodzakelijk  is. Daarom is het nodig dat het debat gekaderd wordt binnen een lange termijnperspectief dat bij voorkeur gericht is op 100% hernieuwbare energievoorziening tegen 2050. Bijzondere aandacht moet er gaan naar het gebruik van biomassa. Deze grondstof moet zo efficiënt mogelijk worden ingezet en er moeten dringend duurzaamheidscriteria voor worden opgesteld. het is ontoelaatbaar dat de groeiende vraag naar biobrandstoffen in e Europese Unie de voedselzekerheid en de ontwikkeling in de ontwikkelingslanden verder zou ondermijnen.
  • 20% energiebesparing tegen 2020. Het ontbreken van een bindende energiebesparingsdoelstelling vertaalt zich in het uitblijven van resultaten. De EU zit niet op schema wat betreft haar doelstelling om tegen 2020 20% energie-efficiënter te zijn. Een belangrijke stap in de richting van meer energie-efficiëntie bestaat erin het juridisch kader ter zake te versterken, net zoals dit met betrekking tot hernieuwbare energie is gebeurd door middel van de richtlijn hernieuwbare energie waarvan een sterke sturing blijkt uit te gaan op het beleid van de lidstaten. Een ambitieuze energiebesparingsdoelstelling, gekaderd in een Europese strategie, zal een belangrijke stimulans zijn om de actie inzake energie-efficiëntie op te voeren.
  • zuiniger omgaan met natuurlijke hulpbronnen. Het kerninitiatief van de EU inzake efficiënt gebruik van hulpbronnen wordt te beperkt ingevuld. Er moeten structurele hervormingen doorgevoerd worden met uitdrukkelijk aandacht voor het beheer van en het zuinig omgaan met natuurlijke hulpbronnen zoals water en biodiversiteit. Dit zijn twee hulpbronnen die in België sterk onder druk staan.

5.  Armoede en uitsluiting

Europa 2020 breidt de algemeen aanvaarde indicator rond armoede en sociale uitsluiting, zijnde 60% van het nationaal mediaaninkomen (de zogenaamde Europese armoedegrens), uit met twee extra indicatoren: materiële deprivatie en geen of beperkt arbeidsinkomen in het gezin. Het spreekt op die basis niet enkel meer over personen met risico op armoede, maar ruimer over personen met risico op armoede of uitsluiting. In België gaat het vandaag om 2.194.000 personen. In het ontwerp van nationaal hervormingsprogramma wordt voorgesteld dit tegen 2020 met 330.000 à 380.000 te verminderen.

We stellen voor:

– het ambitieniveau in elk geval voldoende hoog te stellen: 380.000 is een strikt minimum;
– dat elk Gewest zich ook minstens verbindt tot een daarmee evenredige daling;
– dat dit wordt aangevuld met een specifieke subdoelstellingen inzake inkomensarmoede: tegen 2020 moet het aantal personen beneden de Europese armoedegrens (60 % van het mediaaninkomen) zijn gedaald met minstens 25 % (cf. initiële doelstelling van het Europese ontwerpprogramma);
– dat tegelijk ook, vertrekkend van het Belgische wetenschappelijke materiaal rond de budgetstandaarden,  werk wordt gemaakt van een adequatere norm voor inkomensarmoede, vertrekkend van een rechtenbenadering;
– dat tegelijk ook subdoelstellingen worden vastgelegd inzake:

  • werkende armen: 0% in 2020;
  • energiearmoede, gekoppeld aan de doelstellingen inzake klimaat en energie (zie hoger): het bovenvermelde beleid inzake energiebesparing moet ook de mensen in armoede bereiken.

– dat de armoededoelstelling, zoals ook werd voorgesteld door de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (werkgevers inbegrepen) wordt aangevuld met een doelstelling inzake sociale ongelijkheid, op basis van de Gini-coëfficiënt. Deze gegevens zijn voorhanden, laten we ze optimaal gebruiken als instrument, niet in het minst ook omdat ze internationale vergelijkingen toelaten;

Doelstellingen volstaan niet.  Daarachter moet een batterij aan instrumenten staan, op verschillende levensdomeinen, via het Nationaal Actieplan sociale inclusie en het Federaal plan armoedebestrijding.  Tegelijk moet de Belgische regering er bij de Europese commissie op aandringen om een nationaal proces in elke Lidstaat mee op te nemen in de structuur van het Europees Platform tegen armoede en sociale uitsluiting, met actieve betrokkenheid van het maatschappelijke middenveld, in het bijzonder ook van de netwerken armoedebestrijding.

We herhalen dat armoede en sociale uitsluiting niet duurzaam kan worden bestreden, wanneer men het niet plaatst binnen het grotere vraagstuk van de ongelijkheid. Er is nood aan sterke en versterkte herverdelingsmechanismen om ongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden. Dit ontbreekt in het ontwerp van nationaal hervormingsprogramma.

Dit raakt aan een ruimere uitdaging: het risico dat de stelsels van sociale bescherming – die doorheen de financiële crisis nochtans afdoende hun nut en effectiviteit als automatische stabilisator hebben bewezen – worden herleid tot louter hun functie van armoedebestrijding. Dit onder druk van de budgettaire sanering en de economic governance. De onduidelijke toekomst van de open methode van coördinatie (OMC) dreigt dit alleen maar te versterken. Daarom ook moet België naar Europa het voortouw nemen om:

– de horizontale sociale clausule in de Verdragen (art. 9 van het Verdrag van Lissabon) effectief in werking te laten treden, opdat de sociale doelstellingen (hoge werkgelegenheid, adequate sociale bescherming, strijd tegen sociale uitsluiting…) verwerven worden in alle onderdelen van het EU-beleid;
– de OMC te versterken, in het bijzonder ook door verruiming tot alle vervangingsinkomens (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid…) en uitwerking van concrete doelstellingen (maximale dekking en adequate uitkeringniveaus);
– het activeringsbeleid te laten evalueren en bijsturen, opdat het effectief leidt tot kwaliteitsvolle transities, op basis van aangepaste begeleiding en  voldoende opleidingsmogelijkheden;
– een Europees reglementair kader ter vrijwaring en versterking van de sociale diensten van algemeen belang in te voeren, in het bijzonder ook als beveiliging tegen de privatisering van de publieke diensten en de vermarkting van de non-profit op nationaal vlak.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!