Een andere kijk op lichamelijke opvoeding
Sport, Onderwijs, Eindtermen, Opvoeding, Lichamelijke opvoeding -

Een andere kijk op lichamelijke opvoeding

vrijdag 19 juli 2013 17:58

Er lijkt binnen onze samenleving een grote consensus te bestaan over het belang van het schoolvak lichamelijke opvoeding. Aan de ene kant bestaat er een enorm enthousiasme over de mogelijkheden van sport, maar aan de andere kant lijkt het erop dat sport op school nog maar weinig te maken heeft met lichamelijkheid. Het wordt steeds vaker begrepen als een hulpmiddel om tal van andere, hooggewaardeerde, maatschappelijke doelstellingen te bereiken.


Sport als (wonder)middel

De eindtermen betreffende lichamelijke opvoeding worden opgedeeld in drie pijlers: het bevorderen van de motorische competenties, het bewerkstelligen van een gezonde en veilige levensstijl en tenslotte het zelfconcept en het sociale functioneren van leerlingen bevorderen. “Sport op school”, zo schrijft gewezen Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming Frank Vandenbroucke in zijn beleidsnota, “is een uitermate geschikt middel om talenten van leerlingen tot ontplooiing te laten komen, hen succeservaringen te laten beleven, hen tot fair play te brengen, hun zelfvertrouwen te vergroten en aan de maatschappelijke samenhang te werken”.

Het Vlaamse onderwijsbeleid betreffende sporteducatie en lichamelijke opvoeding komt niet uit de lucht gevallen. Het kadert binnen het Europese onderwijsbeleid waarin sporteducatie steeds meer aandacht krijgt. De waarden van sport moeten immers ten dienste worden gesteld van “het ontwikkelen van basiskennis en vaardigheden, waardoor jongeren hun fysieke en sociale vaardigheden, zoals teamwerk, solidariteit, verdraagzaamheid, maatschappelijke integratie en fair play in een multiculturele context kunnen ontwikkelen” (Europees verslag over EJOS 2004, het Europees Jaar van Opvoeding door Sport).

Lichamelijke opvoeding en haar institutionele geschiktheid

Het enthousiasme onder beleidsmakers voor (externe) legitimeringen van het schoolvak kunnen begrepen worden in het licht van de institutionele geschiktheid van deze legitimeringen op bepaalde momenten. Zo wordt het duidelijk waarom men vandaag op een bepaalde wijze over lichamelijke opvoeding denkt en spreekt.

Een actueel voorbeeld is dat sporteducatie – ook in Vlaanderen –  een steeds belangrijkere rol toebedeeld krijgt in de strijd tegen zwaarlijvigheid. De huidige Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel Pascal Smet kadert het sporten op school binnen een integraal gezondheidsbeleid dat zich richt op een gezonde voeding enerzijds en de fysieke fitheid van de jeugd anderzijds. Lichamelijke opvoeding wordt dienstbaar ingezet als (een deel van) de oplossing voor een sociaal probleem. Lichamelijke opvoeding wordt op die manier begrepen zodat het een meerwaarde biedt binnen de huidige institutionele context, in dit geval als een bijdrage tot de oplossing van een obesitasprobleem.

Maakbaarheidsmodel in opvoeding

Wat het sporten op school bij kinderen zal teweegbrengen – wat het met hen zal doen – is op voorhand vrij gedetailleerd gepland en voorzien. Een zeer instrumenteel idee van sporteducatie wordt in eindtermen en andere beleidsteksten naar voren geschoven. 

Het stellen van welbepaalde doelen en het aanreiken van een middel waarmee deze kunnen worden bereikt, veronderstelt een bepaald mensbeeld, nl. dat we mensen kúnnen aanpassen en klaarstomen om functioneel te kunnen bijdragen aan onze maatschappij. Het gezag en de legitimiteit van het pedagogisch denken worden gekenmerkt door het geloof in een maakbaarheidsmodel van opvoeding.

Het huidig onderwijsbeleid lijkt een autonomie te verschaffen, want binnen de wettelijke kaders kan elke school het eigen normatieve pedagogisch en didactisch beleid vorm geven. Eindtermen, beleidsteksten, handleidingen en onderwijsinspecties maken echter een regime mogelijk dat niet uitnodigt tot pedagogisch handelen, maar tot het maken van nuttige en inzetbare burgers.

Opvoeden en onderwijzen gaan echter niet enkel over kennis, vaardigheden en competenties aanreiken die nuttig zijn voor later of die zorgen voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. De manier waarop vandaag over onderwijs wordt gesproken zorgt ervoor dat het naar school gaan in de eerste plaats als een economische activiteit wordt opgevat.

Opvoedend handelen is iets doen, iets aanreiken of iets zeggen, zonder te weten hoe deze actie zal uitpakken. De toekomst wordt dan niet enkel gezien vanuit de verwachting dat we in het nu al kunnen anticiperen op dat wat nog zal gebeuren. Dan gebeurt er niet écht iets. Opvoeden of onderwijzen betekent de bereidheid voor de dag leggen om de toekomst uit handen te geven aan de nieuwe generatie. Dit is slechts mogelijk vanuit een houding van vertrouwen.

Intrinsieke pedagogische betekenis van lichamelijke opvoeding

Joris Vlieghe, verbonden aan de KU Leuven, stelt zich de vraag wat lichamelijke opvoeding intrinsiek nog te maken heeft met lichamelijkheid. Iedere legitimering of doelstelling die het vak aangemeten wordt is extrinsiek aan het bewegen en zo wordt lichamelijke opvoeding instrumenteel voor het bereiken van allerhande andere doelstellingen (die men vaak ook langs een andere weg zou kunnen bereiken). Zelfs in het gebied van ‘lichamelijke’ opvoeding blijft het lichaam de grote afwezige. Vlieghe beschrijft de intrinsieke educatieve betekenis van lichamelijke opvoeding als ‘de democratie van het vlees’.

Tijdens het sporten is een ervaring mogelijk die ons zodanig gevangen houdt in de activiteit van het sporten waardoor we in staat zijn even onszelf, onze hiërarchische posities en sociale rollen te vergeten. Een democratische ervaring wordt mogelijk, waarbij wie we waren niet noodzakelijk gelijk is aan wie we worden. Sport brengt op een merkwaardige wijze de mogelijkheid met zich mee om opnieuw te beginnen en los te laten wat ons bond.

Deze mogelijk van een nieuw begin is deel van de zorg voor onszelf. Wanneer sport een vorm van zelfzorg wordt gaat het niet meer om het ontwikkelen van spierbundels en een slank lichaam, alleen maar omdat het aan een clichématige voorstelling van het gezonde lichaam beantwoordt. Het gaat om het lichaam, dat ons opnieuw onze existentie laat voelen.

Opvoeding biedt ruimten waarbinnen losgekomen kan worden van verleden levensstijlen, rollen en identiteiten en een nieuwe, andere toekomst mogelijk wordt. Opvoeden is in essentie het leren zorg dragen voor zichzelf. Het sporten maakt een bepaalde zelfzorg mogelijk, waarbij het actuele zelf niet steeds samenvalt met het toekomstige zelf, het lichaam niet steeds met de ziel en het verleden niet steeds met de toekomst.


Dit artikel is een samenvatting van de Masterproef: “Een andere kijk op lichamelijke opvoeding: sport als zorg dragen voor onszelf”, ingediend in juni 2012 aan de  Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent, door Shirin Eimermacher.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!