Bij elk theaterstuk is de openingsscène van belang, en dat is niet anders voor de draaideurenkomedie van de cultuurpolitiek. Wat voor Gatz als een draaideur tussen privé en politiek begon, wordt ook de inzet van zijn beleid: de draaideur tussen de markt en de publieke cultuursector. De wijze waarop hij ten tonele verscheen, is alvast een analyse waard.
Godfather Gatz
“Just when I thought I was out,… they pulled me back in” – met deze speelse quote van Michael Corleone (The Godfather) deelde Gatz via Twitter zijn verbazing over zijn aanstelling. Wat als grap was bedoeld, is meteen een mooie aanleiding om in drie opzichten zijn positie te bepalen. Ten eerste, Gatz voelde zich naar eigen zeggen ‘ontluisd’ van de politiek, maar stapt nu rechtstreeks over uit het bedrijfsleven. Na de Belgische bierbrouwers mag deze image builder het merk Vlaanderen in de markt zetten, en krijgt daarvoor de cultuursector ter beschikking, inclusief de media.
Vervolgens, Sven Gatz heeft doorheen de jaren een profiel opgebouwd van progressieve, cultuurminnende Brusselaar. Hij schreef meerdere boeken waarin een keur aan culturele onderwerpen de revue passeerde. Maar vandaag wordt hij binnen Open VLD geconfronteerd met een cultuurvisie die de laatste jaren in die mate radicaliseerde wat betreft vermageren, vermarkten en privatiseren, dat de kunstwereld en de (andere) cultuurpolitici uit de commissie Cultuur het enkel als een curiosum tolereerden. Wilde marktfundamentalistische fantasietjes zeg maar, omdat niemand het serieus hoefde te nemen.
Voorzitster Gwendolyn Rutten durft nochtans met veel goesting hardop dromen: “Nochtans is het meer dan ooit duidelijk dat subsidies geen eindpunt, maar een beginpunt van geldstromen moeten zijn. Om dit mogelijk te maken, vinden wij dat een deel van de structurele cultuursubsidies geoormerkt moet worden als werkingsmiddelen om private investeerders aan te trekken.” (De Morgen, 03/12/2012) Wat zou de nieuwe Cultuurminister hiervan vinden? Anders gezegd, zal Gatz binnen Open VLD een nieuw hoofdstuk schrijven of de huidige lijn tot een harde realiteit maken?
Ten derde, in zijn politieke loopbaan, die bij de Volksunie begon, heeft Gatz meerdere pogingen gedaan om een breed publiek ervan te overtuigen dat hij het Vlaams-nationalisme achter zich heeft gelaten. Nu wordt hij het boegbeeld Cultuur en Media van een rechtse regering die van vervlaamsing en de uitstraling van Vlaanderen een erezaak wil maken. Een sleutelpost voor de Vlaams-nationale Kulturkampf.
Welke rol zal Gatz hier spelen? Zal het om zijn cultuurkennis gaan, waarmee hij 'zijn' sector zoveel mogelijk zal verdedigen tegen het soberheidsbeleid van de regering in, een minister die van de waarde van kunst en cultuur eventueel een breekpunt durft maken? Of is hij vooral naar voor geschoven om zijn managerskwaliteiten? Zal hij diplomatisch de kunstwereld proberen te bespelen en gecamoufleerd als progressieve pion van 'zijn' regering de sector afbouwen zonder dat Cultuur al te veel protesteert, solidair met andere getroffen sectoren?
Valse start
En de sector? Hier en daar hoor je voorzichtige stemmen, sussend, dat het nog wel zal meevallen, dat het erger had gekund. Want het is niet Jean-Jacques De Gucht geworden, of Siegfried Bracke. In De Standaard (29/07) valt het woord ‘vertrouwen’ en bij De Morgen (30/07) klinkt zelfs enthousiasme. Je zou kunnen denken dat de kranten natuurlijk wel uitkijken met kritiek aan het adres van een machtig minister die mee kan beslissen over de subsidies aan commerciële media. Media 21, een organisatie van onafhankelijke en nieuwe media-initiatieven, klaagt deze concurrentievervalsing aan en volgens het nieuwe regeerakkoord moet ‘concurrentieverstoring’ bestreden worden.
Maar deze machiavelliaanse argumentatie gaat volledig voorbij aan het feit dat de Vlaamse regering met deze nieuwe minister tegemoetkomt aan een nadrukkelijke vraag die door de kunstwereld werd herhaald: geef ons vooral iemand met verstand van kunst en cultuur! Dat was uiteindelijk ook de boodschap van de theatermaker Chokri Ben Chikha achter zijn speelse kandidaatstelling voor de ministerpost. Op die wens werd nu ingegaan. Sven Gatz heeft immers een oprechte belangstelling en waardering voor cultuur en dat is in de sector geweten. Het is dan ook begrijpelijk dat er optimistisch wordt gereageerd. Anderzijds kan de sector het zich niet nog eens permitteren om meteen schamper van wal te steken, en het als een daad van cultuurbarbarij te zien dat neofieten als Anciaux en Schauvliege Cultuurminister kunnen worden.
Het ziet ernaar uit dat onder het bewind van Gatz twee fabels doorprikt zullen worden: dat cultuurliefde voor een cultuurpoliticus kan volstaan en dat het de Cultuurminister is die het cultuurbeleid bepaalt. Eigenlijk maakt het niet zoveel uit wie op de ministerstoel zit. Het gaat om wat in het regeerakkoord staat, hoe expliciet dat akkoord al een en ander betonneert, en welk beleid daaruit volgt. Gatz, Schauvliege of om het even wie kan niet veel anders dan dat uitvoeren. De minister beheert bijgevolg vooral de boekhouding.
Tenminste, dat is wat de regering van een volgzame minister verwacht. Een N-VA-minister zou dat sowieso doen, een minister van een partij als Open VLD die er in deze regering wat bijgesleurd is, zouden we nog het voordeel van de twijfel kunnen gunnen. Cruciaal is de cultuurpolitieke visie van de regering en het krachtenveld tussen sector, minister en parlement. Idealiter hebben we een minister die samen met de sector een (tegen)visie ontwikkelt en een politiek draagvlak creëert voor overleg.
Kortom, of Gatz bij de sector als cultuurmens goed ligt, heeft weinig betekenis. Alles draait om de transparantie van en de inspraak bij het beoogde beleid. De vraag is bijgevolg: wordt Gatz de guerrillero die hij zegde te zijn, of de draaideurminister die het verkeer van het publieke naar het private zal regelen?
Zo bekeken, maakt Gatz een slechte start. Schauvliege was dan misschien geen kunstkenner, ze opende haar mandaat wel met de belofte de portefeuille van Cultuur hard te verdedigen en dat heeft ze ook gedaan. Gatz daartegen opent zijn mediadebuut – op het nieuws van VTM – met de boodschap dat er uiteraard bespaard zal moeten worden. Het zou zelfs onverantwoord zijn dat niet te doen. Saneren maar, die VRT, denkt een VTM-nieuwsanker er dan bij en stelt vervolgens geen moeilijke, bezorgde vragen.
Maar geen nood, aldus Gatz: “Na twee jaar zijn we er door, dan kunnen we weer plannen maken.” We leven ‘in een geweldige tijd’, zo luidde de verkiezingscampagne van Open VLD, we zijn ‘vooruitgangsoptimisten’, we moeten er ‘samen’ door, op naar de goednieuwsshow van de volgende verkiezingscampagne, die in 2017 alweer begint. Benieuwd hoeveel nieuwe subsidies de grote bedrijven er tegen dan hebben bij gekregen. Vijf miljard euro extra, dat was de verkiezingsbelofte van Open VLD. In dit regeerakkoord werd meteen 500 miljoen euro aan investeringsmiddelen voor de bedrijfswereld gereserveerd. Een bedrag dat groter is dan het ganse Vlaamse cultuurbudget.
De realiteit is dat, als het van de regering afhangt, Gatz bijzonder hard zal moeten besparen. Onze Cultuurminister heeft zich daar blijkbaar bij neergelegd. Binnen het gekorte budget zal Gatz kunnen beslissen over wat hij afvoert, wat hij samenvoegt (binnen een kleinere enveloppe), aan welke organisaties hij ‘resultaatsverbintenissen’ zal opleggen (in plaats van de huidige ‘inspanningsverbintenissen’), en wat hij integraal privatiseert. Als filmliefhebber had hij dus evengoed met een quote uit The Silence of the Lambs kunnen beginnen. Misschien is het dat wat we nu bij de sector horen, die verstomming, vlak voor het mes?
Het Angelsaksische rolmodel
De shocktherapie van Gatz gaat vanaf zijn allereerste interviews een pak verder dan de riedel besparen-als-morele-plicht. Alsof dat een discussie is die we al niet meer moeten voeren: “In de Angelsaksische wereld kan de cultuursector veel minder rekenen op de overheid en krijgt ze steun van private initiatieven.” Daarmee geeft Gatz aan welk beleid hij beoogt, nog los van de besparingen. Uitverkoop heet dat: via fiscale vrijstellingen kopen private spelers de sector op, om die vervolgens naar de hand te zetten van hun naamsbekendheid, hun imago als ‘culturele weldoener’ ook, of in dienst te stellen van de speculatiewaarde van hun kunstverzamelingen.
Met zijn voorkeur voor het Amerikaanse rolmodel, schaart Gatz zich meteen voluit achter het cultuurbeleid van het Vlaamse regeerakkoord: een terugtredende overheid via afbouw van middelen en structuren, de privatisering en vermarkting van al wat los en vast zit aan de publieke sector, kunst en cultuur als marketingmachine voor de Vlaamse economische regio.
Kortom, Gatz gaat kunst verlossen van Vadertje Staat en, o paradox, dat gaat zo gebeuren dat de ‘Vlaamse natie’ zowel in het Vlaamse ‘binnenland’ als in het buitenland een begrip wordt, met een positieve en moderne connotatie van artistieke en economische waardencreatie.
Het Overleg Kunstenorganisaties (oKo), de koepel van circa tweehonderd kunstinstituten, was naar eigen zeggen een van de eersten om de nieuwe minister via Twitter hartelijk te verwelkomen. Volgens de persmededeling van het oKo is er geen reden tot paniek. “Alles hangt af van de concrete invulling van de Cultuurminister”, zo vat de titel de toch wel onsamenhangende persverklaring van één pagina samen. Ook dat is duidelijk een valse start: deze belangenbehartiger hoopt dus op achterkamertjesoverleg en een “constructieve samenwerking met de minister als bondgenoot”? Als dat het weerwerk van de sector wordt, kan Gatz op beide oren slapen. Wordt met een preek over besparingen en een verwijzing naar het Angelsaksische model voor het oKo dan geen dubbele rode lijn overschreden?
Misschien kan het oKo een voorbeeld nemen aan de ondernemers van Unizo die deze week meteen met een klachtenbrief vooraan in de media stonden omdat “de prinselijke handelsmissies worden gehalveerd”. Nu de ondernemers hun rechtse regering krijgen die, dixit De Wever, “historische besparingen zal doorvoeren, ongezien sinds de oorlog”, moeten ze met dat soort bluf de indruk wekken dat zij toch ook wat moeten inleveren. Arrogant misschien, bottom line is wel dat het werkt.
De vier krachtlijnen van de Verandering
Helaas zal het dus helemaal niet afhangen van de concrete invulling van de minister. Het klopt wel dat de Vlaamse regering in het cultuurhoofdstuk van de regeerverklaring zwaait met wierook en soms hoopvolle, maar vooral wollige zinnen. Tegelijk geeft ze duidelijk vier krachtlijnen aan.
De eerste krachtlijn: creatieve vrijhandel. Volgens het regeerakkoord zal het Vlaams cultuurbeleid “zich kaderen in en gebruikmaken van de opportuniteiten van het nieuw zich ontwikkelende Europese cultuurbeleid". In de oproep Red de cultuur staan de groeiende puinhopen van dat Europese cultuurbeleid beschreven. Creative Europe, de cultuurpolitiek van de EU, neemt de economische waarde van culturele en creatieve ‘industrieën’ als maatstaf, de intrinsieke kwaliteit van cultuurcreatie is bijzaak. De Europese Commissie ziet cultuur als een winstgevende groeimarkt en zet daarom in op de vermarkting en privatisering ervan.
Resultaat: een cultuurleven bepaald door de wetten van de commerce. Niet de artistieke vrijheid maar de vrijhandel staat centraal. “Samenwerken met de markt" en tegelijk “concurrentieverstoring met sectoren met marktwaarde vermijden”, zo dicteert het akkoord. Hoe diep moet de knieval zijn? Hoe kan je trouwens ‘samenwerken’ zonder ‘concurrentieverstorend’ te zijn voor de concurrenten van de commerciële spelers waarmee je samenwerkt?
Met deze krachtlijn zal alvast duidelijk worden dat de vermarkting van de kunst een gelaagd fenomeen is: het betekent niet alleen meer Bumba-ficatie en ‘sterkunstenaars’, meer commercialisering en meer privatisering, meer privaatpublieke samenwerking, meer citymarketing, meer reclame op tv, meer crowdfunding, etc. Het betekent ook een meer marktconforme kunstensector op zich. Meer burgerlijke kunst als luxeproduct enerzijds, ‘schone’ fetisjkunst van en voor celebrities, en meer spektakelmaatschappij anderzijds, cultuurhuizen en kunstacademies die als bedrijven strijden om hun ‘marktaandeel’. Een hoogmis voor kunstenaar-ondernemers die cross-over werken met de creatieve industrie. Kortom, hand in hand met de besparing vormt vermarkting de ware kaalslag op (het emanciperende en waarachtige van) cultuur.
Tweede krachtlijn: besparen. In het regeerakkoord klinkt het zo: “Versnippering en overproductie tegengaan. Bij de prioriteiten en keuzes ligt de focus op initiatieven met impact, bereik en uitstraling." Wouter Hillaert schrijft in rekto:verso over deze passage dat ze klinkt als “een aangekondigde cut in het aantal structureel gesubsidieerde cultuurorganisaties”. De gehanteerde criteria voor die cut – “impact, bereik en uitstraling” – tonen dat de Vlaamse regering daarbij de oriëntaties van Creative Europe zal volgen en dus het commercieel interessante zal laten voorgaan op het artistiek en cultureel waardevolle.
De Vlaamse regering opent daarnaast op twee fronten een besparingsoperatie waarbij ze bevoegdheden overhevelt naar het gemeentelijke niveau zonder dat ze de passende middelen ervoor garandeert. Ten eerste, de regeerverklaring zegt: “We slanken de provincies verder af: ze verliezen de persoonsgebonden bevoegdheden” (zoals cultuur). Welnu, de provincies, die nota bene na 2010 al flink bezuinigden waardoor heel wat culturele instellingen uit de boot vielen, voeren al jarenlang een breed en gevarieerd cultuurbeleid. Bibliotheekwezen, cultureel erfgoed, de spreiding van kunsten en cultuurbeleving, amateurkunsten, het beheer van eigen musea en cultuurhuizen, ondersteuning van specifieke culturele organisaties… het is maar een greep uit wat er allemaal in aan bod komt.
Het klinkt voor sommigen misschien als ‘goed bestuur’ dat er eens flink bespaard zal worden in dat stijf gedoe van die provinciale gedeputeerden. Toch heeft bijvoorbeeld de provincie Oost-Vlaanderen een exploitatiebudget van bijna 11 miljoen euro voor cultuur en een investeringsenveloppe van bijna 5 miljoen euro. De provincie Antwerpen trekt dit jaar zelfs 43 miljoen euro uit voor cultuur: 16 miljoen investeringen plus 27 miljoen exploitatiebudget. Ter vergelijking: het hele cultuurbudget van de Vlaamse regering bedraagt 445 miljoen (jaar 2013). Wat zullen de repercussies van de provinciale “afslanking” zijn voor provinciale musea en instellingen zoals de Arenbergschouwburg en het fotografiemuseum in Antwerpen of CC de Warande in Turnhout? Dat ze niet zullen verdwijnen, staat nergens gespecificeerd. Budgettair riskeren we door deze hervorming alleen al snel in de buurt van een Nederlands scenario te komen.
Ten tweede, volgens het regeerakkoord gaat de nieuwe Vlaamse regering “de sectorale subsidies aan lokale besturen (cultuurbeleid, jeugd, sport) integreren in het Gemeentefonds, wat hen meer autonomie oplevert”. Er staat tussendoor in een kleine passus ook dat “de groeivoet van het Gemeentefonds niet van toepassing is op dit bedrag”, wat betekent dat het overgehevelde bedrag wordt bevroren, en dat is al een jaarlijkse besparing op zich.
Door die overheveling naar het Gemeentefonds en het schrappen van het provinciale bestuursniveau vervalt elke regionale coördinatie. Daardoor worden de culturele centra in de steden en gemeenten elk op zichzelf teruggeworpen (en tegen elkaar uitgespeeld in een onderlinge concurrentie) en blijft er geen hoger beleidsinstrument meer om te zorgen voor een integrale landschapszorg die zo belangrijk is om alle culturele dynamieken mooi in één puzzel te passen.
De overheveling impliceert: minder culturele spreiding, minder rijkdom aan niches. Te veel van hetzelfde dus, verschraling van diversiteit, inwisselbaar aanbod en te weinig marge voor specialisatie. Door de recente besparingen van de gemeenten op cultuur, tien procent en meer, hebben de CC’s nu al bijna geen manoeuvreerruimte meer voor datgene wat niet bekend is van tv of niet gegarandeerd de zaal uitverkoopt. Het zal dus van kwaad naar erger gaan.
De schaduw van Vlaamse vuurtorens
Derde krachtlijn: verticalisme. Het Vlaamse regeerakkoord wil “meer armslag geven aan de grote kunstinstellingen, de topambassadeurs van Vlaanderen". Een tiental ‘vuurtorens’ worden evenveel visitekaartjes voor het merk Vlaanderen. Het zijn vanuit cultuuroogpunt nochtans net de nieuwe initiatieven die bottom-up de kop opsteken, die van de overheid kansen moeten krijgen. Wouter Hillaert in rekto:verso: “De uitdagingen in de sector liggen echter veeleer in een (trage en meer risicovolle, en daarom niet altijd even zichtbare) zoektocht naar nieuwe modellen om zich meer maatschappelijk te verankeren.”
Een democratisch cultuurbeleid, in het belang van de vrijheid van de burger, zoals ze bij Open VLD graag zeggen, moet de klemtoon leggen op horizontalisme, met een breed aanbod van zowel actieve als passieve cultuurbeleving. Het zorgt ervoor dat cultuur en kunst in de letterlijke zin van het woord populair kunnen zijn: met toegang voor allen, met deelname van allen.
Terzijde, verbaast het de kleinere leden van het oKo bij al dat verticaal geweld, dat het oKo zo “voorzichtig” is en liever “afwacht” tot de hakbijl valt, met het argument: “Heel veel hangt af van de concrete invulling”? Is het echt moedwillig te vermoeden dat sommige machtige vuurtorens binnen het oKo vooral eerst hun schaapjes op het droge willen?
Vierde krachtlijn: cultuur instrumentaliseren voor ‘de Vlaamse neoliberale zaak’. Met het regeerakkoord staat alles in stelling om van cultuur een reclameafdeling voor het logo Vlaanderen te maken. Het gaat niet alleen om de ‘Vlaamse identiteit’, die volgens de Vlaamse Bewegers onderdrukt zou worden, maar om Flanders Corporate Identity en Flanders Unique Selling Proposition, zoals beleidsdocumenten het omschrijven: de Vlaamse natie als verzorgingsstaat voor banken en bedrijven. Het regeerakkoord spreekt dan wel bemoedigend van een meer intense samenwerking met Wallonië en Nederland, maar dat gaat dan om ‘Vlaanderen’ te profileren, alsof België al niet meer zou bestaan.
Het gaat de Vlaamse regering duidelijk om de monocultuur van de Vlaamse zaak. Er staat letterlijk in het regeerakkoord dat “culturele instellingen zoals Muntpunt, Ancienne Belgique, Kaaitheater, KVS, Beursschouwburg zich kenbaar moeten maken als ambassadeurs van het Vlaamse cultureel beleid. Ze bedden zich ook in de ruime Vlaamse gemeenschap in Brussel en werken daarbij structureel samen met andere Nederlandstalige actoren". Daarnaast krijgen alle Vlaamse instellingen in Brussel “één herkenbaar logo dat symbool staat voor de Vlaamse Gemeenschap in Brussel".
De Vlaamse regeerverklaring houdt streng vast aan een gescheiden organisatie van het cultuurleven in Brussel volgens de taalgemeenschappen. Het plaatje is: twee soorten Brusselaars invoeren en tegen elkaar opzetten, voor de cultuur net zoals voor de sociale zekerheid, alvast wat kindergeld, ziekte- en ouderenzorg betreft. Laten we daarom alvast vooral niet meestappen in de promostoet van de ‘Vlaamse’ kunst en ‘Vlaamse’ kunstenaars alsof van Europese of Belgische kunstenaars en Brusselse, Antwerpse of Gentse instellingen geen sprake meer mag zijn.
Cultuurinstellingen zoals KVS, Kaaitheater en het Théâtre National bespelen de complexe Brusselse realiteit totaal anders, met initiatieven die de grenzen van taal en cultuur overstijgen en gemeenschappen bij elkaar brengen. Zij worden door N-VA, CD&V en Open VLD uitdrukkelijk tot de orde geroepen. KVS en Kaaitheater beantwoorden niet meteen aan het Bourgeois 1-ideaal van (‘populaire’ en ‘publieksgerichte’) Vlaamse vuurtorens, maar ze ontpoppen zich tot kritische cultureel-politieke stemmen die elke democratie nodig heeft.
Kaaitheater is vanuit een zoektocht doorheen ecologische thema’s tot een herpolitiserend verhaal gekomen met een focus op genuanceerde bewustwording rondom ggo’s, tot en met de gevaren van de TTIP-akkoorden toe. KVS zendt een geëngageerd publiek signaal uit inzake racisme in de media en de zoveelste slachtpartij in Gaza. Als cultuurinstituut is dat uniek in onze Lage Landen. Een humanist als minister Gatz kan daar toch alleen maar lyrisch over zijn?
Het cultuurpolitieke dilemma
De klassieke klacht van Cultuur was steeds dat de minister geen visie had. Die mening moeten we dringend bijstellen. Het mag zeker geen excuus zijn waarmee we onze verantwoordelijkheid ontlopen, want die beleidsvisie is er wel degelijk: een magere en vermarkte cultuursector die als één grote schottenloze handelsmissie de Vlaamse vlag moet doen wapperen.
Een cultuursector die zich ten aanzien van deze Vlaamse variant van de neoliberale marktideologie “afwachtend” en neutraal denkt te kunnen opstellen, neemt precies daardoor een positie in. We zitten sinds de bankencrisis in 2008 in een escalerende totaalmaatschappelijke crisis – sociaal, ecologisch, economisch, ideologisch, ethisch en politiek. Ofwel ben je een deel van het probleem, ofwel een deel van de oplossing.
Tot slot, het dilemma: ofwel doorlopen we de volgende jaren een cynisch scenario. De minister slaagt er dan in gevat en listig een klein maar machtig deel van de sector te paaien, gooit het op een akkoordje. Een win-winsituatie waardoor de sector ondertussen met het obscure, voorgelogen verre vooruitzicht op middelen voluit geplukt en commercieel verzakelijkt wordt.
Het voorspelbare resultaat is dan niet alleen dat de crisis van de hedendaagse kunst zal verdiepen omdat marktkunst dan het uithangbord van ‘onze cultuur’ wordt, maar ook dat de cultuursector op termijn een dermate geprivatiseerd, consumptiegericht en conformistisch marktgebeuren zal zijn – in zijn twee varianten: elitair exclusief vertier en massavertier – dat we ons de vraag zullen stellen of de gemeenschap hier nog voor moet betalen. Zelfs het huidige regeerakkoord benadrukt al dat “concurrentieverstoring ten aanzien van sectoren met marktwaarde vermeden moet worden.” Als de enige maatschappelijke relevantie van de cultuursector zijn economische impact is, en zijn speculatiewaarde, dan is het niet alleen met de publieke ondersteuning maar op termijn ook met de vrije kunst gedaan.
Ofwel gaan we voor het andere hoopvolle en solidaire scenario: de regering wordt gedwongen tot overleg, we stellen publiekelijk de rol van cultuur in onze maatschappij in vraag, we gaan voor een culturele confrontatie waarbij de sector zelf wordt uitgedaagd over haar onschuld heen te stappen en aan te geven in wat voor een cultuur wij willen leven, hoe kunst en cultuurhuizen daaraan kunnen bijdragen. Kortom, cultuurstrijd. De rechtse regering heeft al gekozen. Afgaande op zijn openingsscène, blijkt onze nieuwe Cultuurminister ervoor te kiezen die keuze te zullen uitvoeren. Cultuur is nu aan zet. Is er al ergens een task force in de maak?
Of we Gatz nu vertrouwen of wantrouwen, vanuit strategisch opzicht is in alle mogelijke omstandigheden een offensieve politieke oppositie nodig, in alliantie met andere sectoren, met het oog op een breed en publiek draagvlak. De hoffelijke ontvangst van de nieuwe minister siert de sector, maar laten we ten aanzien van de regering en haar ministers, maar ook onderling, The Godfather in gedachten houden: “Don't tell me you're innocent. Because it’s insulting my intelligence, and it makes me very angry.”