Opinie -

Cultuurminister Gatz: uiteraard besparen?

Hij kwam als een deus ex machina, de nieuwe Cultuurminister: hij is niet verkozen, kwam zelfs niet op bij de verkiezingen, maar plots was daar Sven Gatz.

maandag 4 augustus 2014 13:20

Bij elk theaterstuk is de openingsscène van belang,
en dat is niet anders voor de draaideurenkomedie van de cultuurpolitiek. Wat
voor Gatz als een draaideur tussen privé en politiek begon, wordt ook de inzet
van zijn beleid: de draaideur tussen de markt en de publieke cultuursector. De
wijze waarop hij ten tonele verscheen, is alvast een analyse waard. 

Godfather Gatz

Just when I thought I was out,… they pulled
me back in”
– met deze speelse quote van Michael Corleone (The Godfather) deelde Gatz via Twitter
zijn verbazing over zijn aanstelling. Wat als grap was
bedoeld, is meteen een mooie aanleiding om in drie opzichten zijn positie te
bepalen. Ten eerste, Gatz voelde zich naar eigen zeggen ‘ontluisd’ van de
politiek, maar stapt nu rechtstreeks over uit het bedrijfsleven. Na de Belgische
bierbrouwers mag deze image builder het
merk Vlaanderen in de markt zetten,
en krijgt daarvoor de cultuursector ter beschikking, inclusief de media.

Vervolgens,
Sven Gatz heeft doorheen de jaren een profiel opgebouwd van progressieve,
cultuurminnende Brusselaar. Hij schreef meerdere boeken waarin een keur
aan culturele onderwerpen de revue passeerde. Maar vandaag wordt hij binnen
Open VLD geconfronteerd met een cultuurvisie die de laatste jaren in die mate
radicaliseerde wat betreft vermageren, vermarkten en privatiseren, dat de
kunstwereld en de (andere) cultuurpolitici uit de commissie Cultuur het enkel
als een curiosum tolereerden. Wilde marktfundamentalistische fantasietjes zeg
maar, omdat niemand het serieus hoefde te nemen.

Voorzitster Gwendolyn Rutten
durft nochtans met veel goesting hardop dromen:
“Nochtans is het
meer dan ooit duidelijk dat subsidies geen eindpunt, maar een beginpunt van
geldstromen moeten zijn. Om dit mogelijk te maken, vinden wij dat een deel
van de structurele cultuursubsidies geoormerkt moet worden als werkingsmiddelen
om private investeerders aan te trekken.” (De Morgen, 03/12/2012) Wat zou de nieuwe
Cultuurminister hiervan vinden? Anders gezegd, zal Gatz binnen Open VLD een
nieuw hoofdstuk schrijven of de huidige lijn tot een harde realiteit
maken?

Ten
derde, in zijn politieke loopbaan, die bij de Volksunie begon, heeft Gatz
meerdere pogingen gedaan om een breed publiek ervan te overtuigen dat hij het
Vlaams-nationalisme achter zich heeft gelaten. Nu wordt hij het boegbeeld Cultuur en Media van een rechtse regering
die van vervlaamsing en de uitstraling van Vlaanderen een erezaak wil maken.
Een sleutelpost voor de Vlaams-nationale Kulturkampf.

Welke rol zal Gatz hier spelen? Zal het om zijn cultuurkennis gaan, waarmee hij ‘zijn’ sector zoveel mogelijk zal
verdedigen tegen het soberheidsbeleid van de regering in, een minister die van
de waarde van kunst en cultuur eventueel een breekpunt durft maken? Of is hij
vooral naar voor geschoven om zijn managerskwaliteiten? Zal hij diplomatisch de
kunstwereld proberen te bespelen en gecamoufleerd als progressieve pion van ‘zijn’ regering de sector afbouwen zonder
dat Cultuur al te veel protesteert, solidair met andere getroffen sectoren?

Valse start

En de
sector? Hier en daar hoor je voorzichtige stemmen, sussend, dat het nog wel zal
meevallen, dat het erger had gekund. Want het is niet
Jean-Jacques De Gucht geworden, of Siegfried Bracke. In De Standaard (29/07) valt het
woord ‘vertrouwen’ en bij De Morgen (30/07) klinkt zelfs enthousiasme. Je zou kunnen
denken dat de kranten natuurlijk wel uitkijken met kritiek aan het adres van
een machtig minister die mee kan beslissen over de subsidies aan
commerciële media. Media 21, een organisatie van onafhankelijke en nieuwe media-initiatieven, klaagt deze concurrentievervalsing aan en volgens het
nieuwe regeerakkoord moet ‘concurrentieverstoring’ bestreden worden.

Maar deze
machiavelliaanse argumentatie gaat volledig voorbij aan het feit dat de Vlaamse
regering met deze nieuwe minister tegemoetkomt aan een nadrukkelijke
vraag die door de kunstwereld werd herhaald: geef ons vooral iemand
met verstand van kunst en cultuur! Dat was uiteindelijk ook de boodschap van de
theatermaker Chokri Ben Chikha achter zijn speelse kandidaatstelling voor de
ministerpost. Op die wens werd nu ingegaan. Sven Gatz heeft immers een oprechte belangstelling en
waardering voor cultuur en dat is in de sector geweten. Het is dan ook
begrijpelijk dat er optimistisch wordt gereageerd.
Anderzijds kan de sector het zich niet nog eens permitteren om meteen schamper
van wal te steken, en het als een daad van cultuurbarbarij te zien dat
neofieten als Anciaux en Schauvliege Cultuurminister kunnen worden.

Het ziet ernaar uit dat onder het bewind van Gatz twee
fabels doorprikt zullen worden: dat cultuurliefde voor een cultuurpoliticus kan
volstaan en dat het de Cultuurminister is die het cultuurbeleid bepaalt.
Eigenlijk maakt het niet zoveel uit wie op de ministerstoel zit. Het gaat om
wat in het regeerakkoord staat, hoe expliciet dat akkoord al een en ander
betonneert, en welk beleid daaruit volgt. Gatz, Schauvliege of om het even wie
kan niet veel anders dan dat uitvoeren. De minister beheert bijgevolg vooral
de boekhouding.

Tenminste, dat is wat de regering van een volgzame minister verwacht.
Een N-VA-minister zou dat sowieso doen, een minister van een partij als Open
VLD die er in deze regering wat bijgesleurd is, zouden we nog het voordeel van
de twijfel kunnen gunnen. Cruciaal is de cultuurpolitieke visie van de regering
en het krachtenveld tussen sector, minister en parlement. Idealiter hebben we
een minister die samen met de sector een (tegen)visie ontwikkelt en een
politiek draagvlak creëert voor overleg.

Kortom, of Gatz bij de sector als
cultuurmens goed ligt, heeft weinig betekenis. Alles draait om de transparantie
van en de inspraak bij het beoogde beleid. De vraag is bijgevolg: wordt
Gatz de guerrillero die hij zegde te zijn, of de
draaideurminister die het verkeer van het publieke naar het private
zal regelen?

Zo bekeken, maakt Gatz een slechte start. Schauvliege was
dan misschien geen kunstkenner, ze opende haar mandaat wel met de belofte de
portefeuille van Cultuur hard te verdedigen en dat heeft ze ook gedaan. Gatz
daartegen opent zijn mediadebuut – op het nieuws van VTM – met de
boodschap dat er uiteraard bespaard zal moeten worden. Het zou zelfs onverantwoord
zijn dat niet te doen. Saneren maar,
die VRT, denkt een VTM-nieuwsanker er dan bij en stelt vervolgens geen
moeilijke, bezorgde vragen.

Maar geen
nood, aldus Gatz: “Na twee jaar zijn we
er door, dan kunnen we weer plannen maken.” We leven ‘in een geweldige
tijd’, zo luidde de verkiezingscampagne van Open VLD, we zijn
‘vooruitgangsoptimisten’, we moeten er ‘samen’ door, op naar de goednieuwsshow
van de volgende verkiezingscampagne, die in 2017 alweer begint. Benieuwd hoeveel
nieuwe subsidies de grote bedrijven er tegen dan hebben bij gekregen. Vijf
miljard euro extra, dat was de verkiezingsbelofte van Open VLD. In dit
regeerakkoord werd meteen 500 miljoen euro aan investeringsmiddelen voor de
bedrijfswereld gereserveerd. Een bedrag dat groter is dan het ganse Vlaamse
cultuurbudget.

De realiteit is dat, als het van de regering afhangt, Gatz
bijzonder hard zal moeten besparen. Onze Cultuurminister heeft zich daar
blijkbaar bij neergelegd. Binnen het gekorte budget zal Gatz kunnen
beslissen over wat hij afvoert, wat hij samenvoegt (binnen een kleinere
enveloppe), aan welke organisaties hij ‘resultaatsverbintenissen’ zal opleggen
(in plaats van de huidige ‘inspanningsverbintenissen’), en wat hij integraal
privatiseert. Als filmliefhebber had hij dus evengoed met een quote uit The Silence of the Lambs kunnen
beginnen. Misschien is het dat wat we nu bij de sector horen, die verstomming,
vlak voor het mes?

Het Angelsaksische rolmodel

De
shocktherapie van Gatz gaat vanaf zijn allereerste interviews
een pak verder dan de riedel besparen-als-morele-plicht. Alsof dat
een discussie is die we al niet meer moeten voeren: In de Angelsaksische wereld kan de cultuursector veel minder rekenen
op de overheid en krijgt ze steun van private initiatieven.”  Daarmee geeft
Gatz aan welk beleid hij beoogt, nog los van de besparingen. Uitverkoop heet
dat: via fiscale vrijstellingen kopen private spelers de sector op, om die
vervolgens naar de hand te zetten van hun naamsbekendheid, hun imago als
‘culturele weldoener’ ook, of in dienst te stellen van de speculatiewaarde van
hun kunstverzamelingen.

Met zijn voorkeur voor het Amerikaanse rolmodel, schaart Gatz zich meteen voluit achter het cultuurbeleid van het Vlaamse regeerakkoord: een terugtredende overheid via afbouw van middelen en structuren, de privatisering en vermarkting van al wat los en vast zit aan de publieke sector, kunst en cultuur als marketingmachine voor de Vlaamse economische regio. 

Kortom, Gatz gaat kunst verlossen van Vadertje Staat en, o paradox, dat gaat zo
gebeuren dat de ‘Vlaamse natie’ zowel in het Vlaamse ‘binnenland’ als in het
buitenland een begrip wordt, met een positieve en moderne connotatie van
artistieke en economische waardencreatie. 

Het Overleg Kunstenorganisaties (oKo), de
koepel van circa tweehonderd kunstinstituten, was naar eigen zeggen een van de eersten
om de nieuwe minister via Twitter hartelijk te verwelkomen. Volgens de persmededeling van het oKo is er geen reden tot paniek. “Alles hangt af van de concrete invulling van de
Cultuurminister”, zo vat de titel de toch wel onsamenhangende persverklaring
van één pagina samen. Ook dat is duidelijk een valse start: deze
belangenbehartiger hoopt dus op achterkamertjesoverleg en een “constructieve
samenwerking met de minister als bondgenoot”? Als dat het weerwerk van de
sector wordt, kan Gatz op beide oren slapen. Wordt met een preek over
besparingen en een verwijzing naar het Angelsaksische model voor het oKo dan
geen dubbele rode lijn overschreden?

Misschien kan het oKo een voorbeeld nemen
aan de ondernemers van Unizo die deze week meteen met een klachtenbrief vooraan
in de media stonden omdat “de prinselijke handelsmissies worden
gehalveerd”. Nu de ondernemers hun rechtse regering krijgen die, dixit De
Wever, “historische besparingen zal doorvoeren, ongezien sinds de oorlog”,
moeten ze met dat soort bluf de indruk wekken dat
zij toch ook wat moeten inleveren. Arrogant misschien, bottom line is wel dat het werkt.

De vier krachtlijnen van de Verandering

Helaas
zal het dus helemaal niet afhangen van de concrete invulling van
de minister. Het klopt wel dat de Vlaamse regering in het cultuurhoofdstuk van
de regeerverklaring zwaait met wierook en soms hoopvolle, maar vooral wollige
zinnen. Tegelijk geeft ze duidelijk vier krachtlijnen aan.

De eerste
krachtlijn: creatieve vrijhandel.
Volgens het regeerakkoord zal het Vlaams cultuurbeleid zich kaderen in en gebruikmaken van de opportuniteiten van het nieuw
zich ontwikkelende Europese cultuurbeleid”. In de oproep Red de
cultuur
 
staan de
groeiende puinhopen van dat Europese cultuurbeleid beschreven. Creative
Europe
, de cultuurpolitiek van de EU, neemt de economische waarde van
culturele en creatieve ‘industrieën’ als maatstaf, de intrinsieke kwaliteit van
cultuurcreatie is bijzaak. De Europese Commissie ziet cultuur als een
winstgevende groeimarkt en zet daarom in op de vermarkting en privatisering
ervan.

Resultaat: een cultuurleven bepaald door de wetten van de commerce. Niet
de artistieke vrijheid maar de vrijhandel staat centraal. “Samenwerken met de markt” en tegelijk “concurrentieverstoring met sectoren met marktwaarde vermijden”, zo
dicteert het akkoord. Hoe diep moet de knieval zijn? Hoe kan je trouwens
‘samenwerken’ zonder ‘concurrentieverstorend’ te zijn voor de
concurrenten van de commerciële spelers waarmee je samenwerkt?

Met deze
krachtlijn zal alvast duidelijk worden dat de vermarkting van de kunst een
gelaagd fenomeen is: het betekent niet alleen meer Bumba-ficatie en ‘sterkunstenaars’,
meer commercialisering en meer privatisering, meer privaatpublieke
samenwerking, meer citymarketing, meer reclame op tv, meer crowdfunding, etc. Het betekent ook een meer marktconforme kunstensector op zich. Meer burgerlijke kunst
als luxeproduct enerzijds, ‘schone’ fetisjkunst van en voor celebrities, en
meer spektakelmaatschappij anderzijds, cultuurhuizen en kunstacademies die als
bedrijven strijden om hun ‘marktaandeel’. Een hoogmis voor
kunstenaar-ondernemers die cross-over werken met de creatieve industrie.
Kortom, hand in hand met de besparing vormt vermarkting de ware kaalslag op (het
emanciperende en waarachtige van) cultuur.

Tweede krachtlijn: besparen. In het regeerakkoord klinkt het zo: Versnippering en overproductie tegengaan. Bij de prioriteiten en
keuzes ligt de focus op initiatieven met impact, bereik en uitstraling.” Wouter Hillaert schrijft in rekto:verso  over deze passage dat ze klinkt als
“een aangekondigde cut in het aantal
structureel gesubsidieerde cultuurorganisaties”. De gehanteerde criteria voor
die cut – “impact, bereik en
uitstraling” – tonen dat de Vlaamse regering daarbij de oriëntaties van Creative Europe zal volgen en dus het
commercieel interessante zal laten voorgaan op het artistiek en cultureel
waardevolle.

De Vlaamse regering opent daarnaast op
twee fronten een besparingsoperatie waarbij ze bevoegdheden overhevelt naar het
gemeentelijke niveau zonder dat ze de passende middelen ervoor garandeert. Ten
eerste, de regeerverklaring zegt: We
slanken de provincies verder af: ze verliezen de persoonsgebonden bevoegdheden
(zoals cultuur). Welnu, de provincies, die nota bene na 2010 al flink
bezuinigden waardoor heel wat culturele instellingen uit de boot vielen, voeren
al jarenlang een breed en gevarieerd cultuurbeleid. Bibliotheekwezen, cultureel
erfgoed, de spreiding van kunsten en cultuurbeleving, amateurkunsten, het
beheer van eigen musea en cultuurhuizen, ondersteuning van specifieke culturele
organisaties… het is maar een greep uit wat er allemaal in aan bod komt.

Het klinkt voor sommigen misschien als ‘goed
bestuur’ dat er eens flink bespaard zal worden in dat stijf gedoe van die
provinciale gedeputeerden. Toch heeft bijvoorbeeld
de provincie Oost-Vlaanderen een exploitatiebudget van bijna 11 miljoen
euro voor cultuur en een investeringsenveloppe van bijna 5 miljoen euro. De
provincie Antwerpen trekt dit jaar zelfs 43 miljoen euro uit voor cultuur: 16
miljoen investeringen plus 27 miljoen exploitatiebudget. Ter vergelijking: het
hele cultuurbudget van de Vlaamse regering bedraagt 445 miljoen (jaar 2013).
Wat zullen de repercussies van de provinciale “afslanking” zijn voor
provinciale musea en instellingen zoals de Arenbergschouwburg en het
fotografiemuseum in Antwerpen of CC de Warande in Turnhout? Dat ze niet zullen verdwijnen, staat nergens
gespecificeerd. Budgettair riskeren we door deze hervorming alleen al snel in
de buurt van een Nederlands scenario te komen.

Ten tweede, volgens het regeerakkoord gaat de
nieuwe Vlaamse regering de sectorale
subsidies aan lokale besturen (cultuurbeleid, jeugd, sport) integreren in het
Gemeentefonds, wat hen meer autonomie oplevert”. Er staat tussendoor in een
kleine passus ook dat de groeivoet van
het Gemeentefonds niet van toepassing is op dit bedrag”, wat betekent dat
het overgehevelde bedrag wordt bevroren, en dat is al een jaarlijkse besparing
op zich.

Door die overheveling naar het Gemeentefonds en het schrappen van het
provinciale bestuursniveau vervalt elke regionale coördinatie. Daardoor worden
de culturele centra in de steden en gemeenten elk op zichzelf teruggeworpen (en
tegen elkaar uitgespeeld in een onderlinge concurrentie) en blijft er geen
hoger beleidsinstrument meer om te zorgen voor een integrale landschapszorg die
zo belangrijk is om alle culturele dynamieken mooi in één puzzel te passen.

De
overheveling impliceert: minder culturele spreiding, minder rijkdom aan niches.
Te veel van hetzelfde dus, verschraling van diversiteit, inwisselbaar aanbod en
te weinig marge voor specialisatie. Door de recente besparingen van de
gemeenten op cultuur, tien procent en meer, hebben de CC’s nu al bijna geen
manoeuvreerruimte meer voor datgene wat niet bekend is van tv of niet
gegarandeerd de zaal uitverkoopt. Het zal dus van kwaad naar erger gaan.

De schaduw van Vlaamse vuurtorens

Derde krachtlijn: verticalisme. Het Vlaamse regeerakkoord wil meer armslag geven aan de grote kunstinstellingen, de topambassadeurs
van Vlaanderen”. Een tiental ‘vuurtorens’ worden evenveel visitekaartjes
voor het merk Vlaanderen. Het zijn
vanuit cultuuroogpunt nochtans net de nieuwe initiatieven die bottom-up de kop
opsteken, die van de overheid kansen moeten krijgen. Wouter Hillaert in rekto:verso: De uitdagingen in de sector liggen echter veeleer in een (trage en
meer risicovolle, en daarom niet altijd even zichtbare) zoektocht naar nieuwe
modellen om zich meer maatschappelijk te verankeren.”

Een democratisch
cultuurbeleid, in het belang van de vrijheid van de burger, zoals ze bij Open
VLD graag zeggen, moet de klemtoon leggen op horizontalisme, met een breed
aanbod van zowel actieve als passieve cultuurbeleving. Het zorgt ervoor dat
cultuur en kunst in de letterlijke zin van het woord populair kunnen zijn: met
toegang voor allen, met deelname van allen.

Terzijde,
verbaast het de kleinere leden van het oKo bij al dat verticaal geweld, dat het
oKo zo “voorzichtig” is en liever “afwacht” tot de hakbijl valt, met het
argument: Heel veel hangt af van de
concrete invulling”? Is het echt moedwillig te vermoeden dat sommige
machtige vuurtorens binnen het oKo vooral eerst hun schaapjes op het droge
willen?

Vierde krachtlijn: cultuur instrumentaliseren voor ‘de Vlaamse neoliberale zaak’. Met
het regeerakkoord staat alles in stelling om van cultuur een reclameafdeling
voor het logo Vlaanderen te maken. Het gaat niet alleen om de ‘Vlaamse
identiteit’, die volgens de Vlaamse Bewegers onderdrukt zou worden, maar om Flanders Corporate Identity en Flanders Unique Selling Proposition,
zoals beleidsdocumenten het omschrijven: de Vlaamse natie als verzorgingsstaat
voor banken en bedrijven. Het regeerakkoord spreekt dan wel bemoedigend van een
meer intense samenwerking met Wallonië en Nederland, maar dat gaat dan om
‘Vlaanderen’ te profileren, alsof België al niet meer zou bestaan.

Het gaat de Vlaamse regering duidelijk om de
monocultuur van de Vlaamse zaak. Er staat letterlijk in het regeerakkoord dat culturele instellingen zoals Muntpunt,
Ancienne Belgique, Kaaitheater, KVS, Beursschouwburg zich kenbaar moeten maken
als ambassadeurs van het Vlaamse cultureel beleid. Ze bedden zich ook in de
ruime Vlaamse gemeenschap in Brussel en werken daarbij structureel samen met
andere Nederlandstalige actoren”. Daarnaast krijgen alle Vlaamse
instellingen in Brussel één herkenbaar
logo dat symbool staat voor de Vlaamse Gemeenschap in Brussel”.

De
Vlaamse regeerverklaring houdt streng vast aan een gescheiden organisatie van
het cultuurleven in Brussel volgens de taalgemeenschappen. Het plaatje is: twee
soorten Brusselaars invoeren en tegen elkaar opzetten, voor de cultuur net
zoals voor de sociale zekerheid, alvast wat kindergeld, ziekte- en ouderenzorg
betreft. Laten we daarom alvast vooral niet
meestappen in de promostoet van de ‘Vlaamse’ kunst en ‘Vlaamse’ kunstenaars
alsof van Europese of Belgische kunstenaars en Brusselse, Antwerpse of Gentse
instellingen geen sprake meer mag zijn.  

Cultuurinstellingen zoals
KVS, Kaaitheater en het Théâtre National bespelen de complexe Brusselse
realiteit totaal anders, met initiatieven die de grenzen van taal en cultuur
overstijgen en gemeenschappen bij elkaar brengen. Zij worden door N-VA,
CD&V en Open VLD uitdrukkelijk tot de orde geroepen. KVS en Kaaitheater
beantwoorden niet meteen aan het
Bourgeois 1
-ideaal van (‘populaire’ en ‘publieksgerichte’) Vlaamse
vuurtorens, maar ze ontpoppen zich tot kritische cultureel-politieke stemmen
die elke democratie nodig heeft.

Kaaitheater is vanuit een zoektocht doorheen
ecologische thema’s tot een herpolitiserend verhaal gekomen met een focus op
genuanceerde bewustwording rondom ggo’s, tot en met de gevaren van de
TTIP-akkoorden toe. KVS zendt een geëngageerd publiek signaal uit
inzake racisme in de media en de zoveelste slachtpartij in Gaza. Als
cultuurinstituut is dat uniek in onze Lage Landen. Een humanist als minister
Gatz kan daar toch alleen maar lyrisch over zijn?

Het cultuurpolitieke
dilemma

De
klassieke klacht van Cultuur was steeds dat de minister geen visie had. Die
mening moeten we dringend bijstellen. Het mag zeker geen excuus zijn waarmee we
onze verantwoordelijkheid ontlopen, want die beleidsvisie is er wel degelijk: een
magere en vermarkte cultuursector die als één grote schottenloze handelsmissie
de Vlaamse vlag moet doen wapperen.

Een cultuursector die zich ten aanzien van
deze Vlaamse variant van de neoliberale marktideologie “afwachtend” en neutraal
denkt te kunnen opstellen, neemt precies daardoor een positie in. We zitten
sinds de bankencrisis in 2008 in een escalerende totaalmaatschappelijke crisis
– sociaal, ecologisch, economisch, ideologisch, ethisch en politiek. Ofwel ben
je een deel van het probleem, ofwel een deel van de oplossing. 

Tot slot,
het dilemma: ofwel doorlopen we de volgende jaren een cynisch scenario. De
minister slaagt er dan in gevat en listig een klein maar machtig deel van de
sector te paaien, gooit het op een akkoordje. Een win-winsituatie waardoor de sector
ondertussen met het obscure, voorgelogen verre vooruitzicht op middelen voluit
geplukt en commercieel verzakelijkt wordt.

Het voorspelbare resultaat is dan
niet alleen dat de crisis van de hedendaagse kunst zal verdiepen omdat
marktkunst dan het uithangbord van ‘onze cultuur’ wordt, maar ook dat de
cultuursector op termijn een dermate geprivatiseerd, consumptiegericht en
conformistisch marktgebeuren zal zijn – 
in zijn twee varianten: elitair exclusief vertier en massavertier – dat
we ons de vraag zullen stellen of de gemeenschap hier nog voor moet
betalen. Zelfs het huidige regeerakkoord benadrukt al dat “concurrentieverstoring ten aanzien van
sectoren met marktwaarde vermeden moet worden.” Als de enige
maatschappelijke relevantie van de cultuursector zijn economische impact is, en
zijn speculatiewaarde, dan is het niet alleen met de publieke ondersteuning
maar op termijn ook met de vrije kunst gedaan.

Ofwel
gaan we voor het andere hoopvolle en solidaire scenario: de regering wordt
gedwongen tot overleg, we stellen publiekelijk de rol van cultuur in onze
maatschappij in vraag, we gaan voor een culturele confrontatie waarbij de
sector zelf wordt uitgedaagd over haar onschuld heen te stappen en aan te geven
in wat voor een cultuur wij willen leven, hoe kunst en cultuurhuizen daaraan
kunnen bijdragen. Kortom, cultuurstrijd. De rechtse regering heeft al gekozen.
Afgaande op zijn openingsscène, blijkt onze nieuwe Cultuurminister ervoor te
kiezen die keuze te zullen uitvoeren. Cultuur is nu aan zet. Is er al ergens
een task force in de maak?

Of we Gatz
nu vertrouwen of wantrouwen, vanuit strategisch opzicht is in alle mogelijke omstandigheden
een offensieve politieke oppositie nodig, in alliantie met andere sectoren, met
het oog op een breed en publiek draagvlak. De hoffelijke ontvangst van de
nieuwe minister siert de sector, maar laten we ten aanzien van de regering en
haar ministers, maar ook onderling, The
Godfather
in gedachten houden: “Don’t tell me you’re innocent. Because it’s insulting my intelligence, and it makes me very
angry.” 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!