about
Toon menu
Analyse

Israël weigert levensnoodzakelijke medische hulp aan politieke gevangenen

Israël blijft internationale verdagen zoals de Conventies van Genève en meerdere mensenrechtenverdragen schenden. De 27-jarige Mohammed Al Azraq is een zoveelste slachtoffer in een lange rij. De internationale gemeenschap heeft de plicht hiertegen op te treden.
donderdag 10 april 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Mohammed Al Azraq, 27 jaar, uit Bethlehem op de Palestijnse Westelijke Jordaanoever, werd vroeg in de ochtend op 26 maart gearresteerd. Sindsdien verblijft hij in een ondervragingscentrum in het noorden van Israël zonder duidelijke aanklacht. De omstandigheden waarin deze feiten plaatsvinden, roepen opnieuw ernstige vraagtekens op over de manier waarop de Israëlische staat omgaat met mensenrechten en het internationaal humanitair recht.

Op 26 maart, rond 5u ’s ochtends stonden maar liefst 22 Israëlische soldaten voor Mohammed’s deur in het vluchtelingenkamp Aida in Bethlehem. Ze drongen het huis binnen, haalden het overhoop en voerden Mohammed gebonden en geblinddoekt weg. Op deze beelden is te zien hoe hij daarna werd meegenomen naar de militaire basis die zich vlak naast het kamp bevindt.  

Pas na enkele dagen kregen familie en vrienden te horen dat hij naar het ondervragingscentrum van Al Jalama in het noorden van Israël werd gebracht. Hij zou er voor minstens 15 dagen blijven voor ondervraging. Op 7 april kreeg zijn advocaat hem voor het eerst te zien en tot op vandaag is er nog steeds geen aanklacht geformuleerd of een reden voor de arrestatie. 10 april kwam hij een eerste keer voor, maar werd zijn ondervragingstermijn verlengd met 14 dagen. 

Ernstige gezondheidsproblemen 

Na het bezoek aan Mohammed vroeg diens advocaat om hem te laten overplaatsen naar een ziekenhuis. Bij het bezoek was gebleken dat de gezondheid van Mohammed sterk achteruit gaat. Hij heeft ernstige buikklachten en serieuze verwondingen ten gevolge van de harde aanpak tijdens de ondervragingen.  

De noodzakelijke medische hulp werd echter geweigerd door het Israëlische leger. Dit meldt ook de Palestijnse minister voor politieke gevangenen, Issa Qaraqe, aan het Palestinian News Network. Qaraqe bevestigt de slechte toestand waarin Mohammed zich bevindt en verklaart de zaak grondig te zullen onderzoeken in samenwerking met andere advocaten en internationale organisaties. 

Het gaat hier niet om een alleenstaand geval. Het ondervragingscentrum van Al Jalama heeft een beruchte reputatie. Verschillende mensenrechtenorganisaties rapporteerden reeds over de ernstige schendingen en inbreuken op het internationaal (en humanitair) recht die de staat Israël en het leger er begaan.

Eén van deze mensenrechtenorganisaties, Addameer, die steun biedt aan politieke gevangenen, lanceerde begin deze maand een campagnefilm over de behandeling van Palestijnse politieke gevangenen en de betrokkenheid van het bedrijf G4S. Het filmpje laat getuigen aan het woord die op gelijkaardige wijze zijn behandeld in Al Jalama of andere ondervragingscentra. 

Mohammed neemt binnen zijn gemeenschap in het vluchtelingenkamp een belangrijke positie in, vooral ten opzichte van de lokale jeugd. Als vertegenwoordiger van Fatah in het kamp en actieve vrijwilliger bij Lajee Center, een organisatie die de focus op cultuur en opvoeding legt bij jongeren, werd hij door Israël snel als veiligheidsrisico beschouwd.

Hij zou bovendien op 17 april naar België afreizen in het kader van een culturele uitwisseling met Palestijnse jongeren uit dit jeugdcentrum. Eén van deze jongeren, 20 jaar, werd op 7 april eveneens gearresteerd en naar hetzelfde ondervragingscentrum overgebracht. Geen van hen zal bijgevolg tot in België geraken.  

Voor Mohammed is ondertussen een petitie gestart die zijn vrijlating en recht op medische zorg eist. 

Meer dan 5000 politieke gevangenen 

Mohammed is slechts één van de vele gevangenen van de Israëlische bezetting. Cijfers van de organisatie Addameer spreken op dit moment van 5224 Palestijnse politieke gevangenen in Israëlische gevangenissen., waarvan 21 vrouwen en 210 minderjarigen. Sinds 1967 noteert Addameer meer dan 800.000 Palestijnse gevangenen en ongeveer 10.000 vrouwen en 8000 kinderen sinds 2000. Dit rapport van Addameer brengt nog meer feiten naar voren. 

De gevangenissen waar Palestijnse gevangenen worden ondergebracht bevinden zich, op één na, op Israëlische grondgebied. Addameer wijst erop dat dit een inbreuk is op artikel 76 van de Vierde Conventie van Genève. Bovendien ‘kunnen gevangenen als gevolg hiervan moeilijk in contact komen met hun juridische verdediging en kan de familie zelden op bezoek komen omdat ze een toelating nodig hebben om naar Israël te gaan, die ze zelden krijgen’, aldus Addameer. 

Binnen Palestijns gebied heerst een Israëlische militaire wetgeving waardoor ook burgerlijke zaken voor een militaire rechtbank kunnen voorkomen. ‘Dit is een grove aanfluiting van het internationaal humanitair recht dat zegt dat rechtszaken moeten plaatsvinden voor onafhankelijke en onpartijdige tribunalen’, aldus Addameer.  

Bovendien kan een Palestijnse gevangene in ondervraging gehouden worden voor 90 dagen, waarvan de eerste 60 elke toegang tot een advocaat kan worden ontzegd. Fysisch en psychisch geweld worden hier niet geschuwd. Sinds 1967 noteert Addameer 72 gevangenen die zijn gestorven ten gevolge van de slechte behandeling. Daarnaast zijn er nog eens 53 die na de vrijlating zijn gestorven door medische verwaarlozing tijdens hun opsluiting. 

Dat medische verzorging voor Mohammed werd geweigerd is geen uniek feit. Addameer stelde vast dat gevangenen vaak klachten hebben zoals borstinfecties, diarree, hartproblemen en nierfalen. Na de vrijlating zijn de klachten vaak van chronische aard zoals huidziektes, vermoeidheid, zwakte, nierproblemen, reuma, tandproblemen en maagzweren. 

Redenen voor opsluiting? 

Addameer meent dat arrestaties en opsluiting vaak onderdeel zijn van een strategie tegen demonstraties en niet-gewelddadig verzet. Leidende mensenrechtenfiguren, mensenrechtenactivisten en politieke figuren binnenin de gemeenschap worden geregeld opgepakt. De aanklacht voor de militaire rechtbank wordt gebaseerd op militair order 101, dat burgerlijke activiteiten zoals het organiseren van en deelname aan demonstraties criminaliseert. Ook het dragen van een vlag of andere politieke symbolen kunnen hiervoor voldoende zijn. 

Aanklachten zijn veelal vaag en het argument van ‘veiligheidsredenen’ wordt vaak gebruikt. Getuigenissen van soldaten, foto’s van aanwezigheid bij demonstraties en het gedwongen tekenen van bekentenissen, meestal in het Hebreeuws, gelden als voldoende bewijsvoering en leiden tot langdurige veroordelingen. 

Waar is de internationale gemeenschap? 

De internationale gemeenschap heeft reeds herhaaldelijk getoond weinig te doen om Israël daadwerkelijk op het matje te roepen voor inbreuken op het internationaal recht. Dit internationaal recht zegt echter dat derde staten zelf een verplichting hebben om erop toe te zien dat het recht wordt nageleefd en moeten afzien van elke vorm van samenwerking met staten die zich schuldig maken aan schendingen van het internationaal recht. 

François Dubuisson, professor Internationaal Recht aan de Université Libre de Bruxelles (ULB),  hamert op de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap.  Op basis van artikel 41 van de Articles on State Responsibility, zoals becommentarieerd door de International Law Commission, argumenteert hij dat ‘derde staten de verplichting hebben om het respect voor het internationaal recht te garanderen, geen enkele illegale situatie te erkennen en geen hulp noch steun te voorzien zodat deze situatie zich kan verder zetten'. 

Bovendien is de Vierde Conventie van Geneve, die handelt over de verantwoordelijkheden van een bezettend land of macht, door het Internationaal Gerechtshof erkend als onverbreekbaar. Dubuisson verwijst eveneens naar VN resolutie 681 uit 1990, dat benadrukt dat derde partijen ‘het respect van Israël moeten verzekeren, als bezettende macht, voor haar verplichtingen van artikel 1 van de Conventie van Geneve’. 

De klucht van vredesonderhandelingen 

De internationale gemeenschap onderneemt weinig of geen actie om zich te houden aan haar verplichtingen ten opzichte van de internationale verdragen. Catherine Ashton verkondigde vorige zomer tegen het einde van het jaar producten uit illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te zullen voorzien van labels. We zijn ondertussen meer dan drie maanden ver in het nieuwe jaar en van labelling is nog steeds geen sprake. 

‘Deze verplichtingen ten opzichte van het internationaal recht, staan eveneens neergeschreven in het EU-beleid als één van de primordiale doelstellingen van de EU’, aldus Dubuisson. Hij voegt eraan toe dat het bannen van producten uit de nederzettingen bijgevolg geheel overeenkomstig is met de internationale verplichtingen die de EU ook zichzelf oplegt. 

Ondertussen wordt duidelijk dat de hernieuwde onderhandelingen die in juli 2013 van start gingen opnieuw op niets zullen uitdraaien. Israël gaat sindsdien onverminderd verder met het vernielen van Palestijnse huizen en bedouïnedorpen, kondigde meermaals de bouw van nieuwe nederzettingen aan en lapt nog steeds mensenrechten aan haar laars zoals de opsluiting en slechte behandeling van Palestijnse politieke gevangenen aantoont. 

De organisatie Euro-Mid Observer For Human Rights rapporteerde vorige maand dat alleen al in januari en februari van dit jaar maar liefst 740 minderjarigen werden opgepakt. 465 van hen zat ten minste een week vast. Deze cijfers tonen een toename van 80 procent ten opzichte van dezelfde maanden vorig jaar, toen er géén onderhandelingen aan de gang waren. 

Eén van de voorwaarden voor nieuwe vredesonderhandelingen was de vrijlating van 104 gevangenen in 4 fasen. Nadat Israël de beloofde vrijlating van de laatste 26 gevangenen onlangs weigerde, wendde de Palestijnse Autoriteit zich tot de VN en diende een aanvraag in om toe te treden tot 15 VN-verdragen rond oorlogsmisdaden en mensenrechten. Als antwoord hierop vaardigde Israël meteen economische sancties uit tegen de Palestijnse Autoriteit omdat het hiermee één van de voorwaarden van de onderhandelingen verbrak.  

Het masker valt? 

De feiten tonen dat Israël zich nooit aan de onderhandelingstafel heeft gezet om een échte dialoog te voeren en een einde aan het conflict te brengen. ‘Vredesonderhandelingen’ en een zogezegde dialoog geeft Israël echter de ruimte om haar internationale relaties in stand te houden, alle internationale druk af te wenden en tegelijk onbestraft verder te gaan met de inbreuken op internationaal recht, terwijl de wereld toekijkt.  

Het is daarom aan de internationale gemeenschap om haar verantwoordelijkheden niet verder uit te weg te gaan en zich niet meer medeplichtig te maken aan deze grove mensenrechtenschendingen. Ze mag zich niet verder verstoppen achter deze mythe die vredesonderhandelingen worden genoemd. Om een echt vredesproces op gang te krijgen is internationale druk op de Israëlische regering nodig.

Meer dan 65 jaar van onderdrukking, meer dan 47 jaar illegale bezetting en meer dan 20 jaar van een zogezegd vredesproces maken duidelijk dat het hoog tijd is om de daad bij het woord te voegen.  

---- 

17 april is sinds enkele jaren een internationale dag van solidariteit met de Palestijnse politieke gevangenen. Ook in België vinden in dit teken enkele evenementen plaats: 

17 april: Journée internationale pour les prisonniers palestiniens 

18 april: Kindgevangenschap in Palestina: 14 jongeren getuigen 

19 april: Palestinian Prisoners Day in Brussel

Eén maand voor zijn arrestatie sprak Mohammed Al Azraq met een delegatie van de mennonitische Kerk uit de VS over het leven in Aida en over zijn hoop op een oplossing voor het conflict: