Borgerhout (foto:dna.be)
Boekrecensie, Samenleving, Cultuur, België -

Recensie: Pleidooi voor nieuw realisme inzake diversiteit

De drie auteurs van ‘Superdiversiteit en democratie’ komen niet onbeslagen op het supergladde ijs van wat tegenwoordig de superdiverse samenleving wordt genoemd. Walter Lotens las hun boek en geeft commentaar

dinsdag 1 april 2014 23:41




Vanuit hun achtergrond als bewoner en als onderzoeker kunnen Joachim Ben Yakoub, Ico Maly en Jan Blommaert uit het wetenschappelijke vaatje tappen en uit hun leefwereld. Hun boek is, zoals Superdiversiteit van Dirk Geldof, een zoektocht naar bruikbare kaders die mensen praktisch kunnen
inspireren bij het omgaan met de veranderingen die superdiversiteit met zich
meebrengt. De auteurs gaan een stapje verder en leggen hun eigen sociale
habitat op de snijtafel.

In
Brussel zijn er 174, in Antwerpen 168 en in Gent 160 nationaliteiten. Het is
niet zo dat slechte ‘enkele mensen’ per nationaliteit in ons land verblijven.
Zeker de grote steden veranderen snel in superdiverse steden. Lees er
Hans Vandecandelaeres In Brussel maar op na. In Brussel heeft 67,9
procent van de bevolking een buitenlandse stamboom, in Antwerpen 39,7 procent,
in Mechelen 27,3 procent en in Gent 26,3 procent.

Empirisch gezien is de
‘Vlaamse samenleving’ in de zin van één volk, één natie, één taal en één
cultuur een fictie. Superdiversiteit is vandaag de
norm. Dat is het nieuwe paradigma, schrijven de drie auteurs. Is dat
nu ‘super’ in de zin van supertof? Nee, zeggen Ben Yakoub, Ico Maly en Jan Blommaert.

Ze pleiten voor een nieuw
realisme inzake diversiteit, maar het is wel een voorsmaakje van de wereld van
morgen. Vandaar het centraal thema van dit boek: het beschrijven van de
complexiteit van diversiteit met de bedoeling een kader aan te reiken om die
nieuwe realiteit verstaanbaar te maken.

Dat is ook wat Dirk Geldof onlangs geprobeerd heeft in Superdiversiteit, maar die wordt, tot mijn
verbazing, niet vermeld in Superdiversiteit en democratie.

Urbaan landschap

De drie auteurs
vertrekken  – waarschijnlijk
geïnspireerd door Blommaert – van de methode van het taalkundig
landschapsonderzoek waarin taal als een inherent onderdeel van onze fysieke
omgeving wordt bekeken. Maar ze lassen ook etnografische methodes in, waardoor Superdiversiteit en democratie een ambitieuze oefening laat zien. Antropologische,
historische, sociologische, sociolinguïstische, filosofische en politieke
invalshoeken worden op elkaar betrokken.

De drie auteurs nemen elk een
superdiverse straat voor hun rekening waarin ze zowel gebruiker, bewoner,
belanghebbende als onderzoeker zijn. Joachim Ben Yakoub, stafmedewerker
beeldvorming en diversiteit bij de Pianofabiek in Brussel, stelt de Fortstraat
in Sint-Gillis voor. Ico Maly, doctor in de cultuurwetenschappen en coördinator
van Kif Kif, neemt de Gentse Wondelgemstraat voor zijn rekening. Jan
Blommaert, hoogleraar taal, cultuur en globalisering, buigt zich over zijn
Berchemse Statiestraat.

Ze kregen ook ondersteuning van twee Kif Kif-stagiairs,
de Schotten Steven Clark en Missale Solomon, die per straat met veertig
bewoners gesprekken voerden aan de hand van een vragenlijst over religie,
taalgebruik en herkomst. Dat is het onderzoek naar het urbane’ landschap’ dat
concrete draagkracht geeft aan dit boek.  

De Berchemse Statiestraat 

Ik
focus even op de Berchemse Statiestraat omdat die mij het best gekend is en omdat ik hem als auteur van het boek Groeten uit Borgerhout
(en als Oud-Borgerhoutenaar) kan vergelijken met het leven op de
Turnhoutsebaan.

De
Statiestraat-Driekoningenstraat is de centrale as van de buurt Oud-Berchem, die
doorgaans omschreven wordt als een arme en onleefbare concentratiebuurt.
Jan Blommaert constateert echter dat de buurt een opmerkelijk
samenhangend karakter vertoont. Hij vraagt zich af hoe het
komt dat zo’n diverse buurt, met een concentratie van reële en potentiële
problemen, toch ‘leefbaar’ is.

Blommaert onderscheidt verschillende soorten van
bewoners. Eerst was er de oude ‘allochtone’ populatie die tot de
arbeidersklasse behoort. Vanaf de jaren 1970 kwam een forse migrantengroep van
overwegend Turkse ‘gastarbeiders’ zich daar ook vestigen. In de jaren
negentig trokken jonge, hoogopgeleide tweeverdieners naar die buurt waar toen nog betaalbare woningen konden
worden verworven.

Daarbovenop kwam later een eerste golf van superdiverse
migranten van overwegend Oost-Europese, Afrikaanse en Poolse origine, die versterkt werd door clandestiene transmigranten die de buurt gebruiken als
tussenstop naar elders. Naast de buurtbewoners zijn er natuurlijk de
buurtgebruikers, meestal allochtone bedienden op weg naar het spoorwegstation.

Oecemenisch Nederlands

Wat is
het visuele resultaat van dat alles? De superdiverse transitmigranten scheppen
een behoefte aan goedkope winkels, ook aan voorzieningen voor een cliënteel
zonder vaste verblijfplaats. De Statiestraat-Driekoningenstraat telt daardoor
een hoog aantal dag- en nachtwinkeltjes, uitgebaat door leden van die
migratielaag, die betaalbare producten per stuk verkopen.

Ook goedkopere ketens
zoals Wibra, Zeeman, Kruidvat en Blokker hebben er vestigingen. De buurt kent daarnaast een grote concentratie van restaurantjes en andere sociale ruimten en
vertoont volgens Blommaert een grote dynamiek in het inspelen op nieuwe
bevolkingsgroepen. Het valt op dat de nieuwe evangelische kerken sterk
inzetten op die nieuwe bevolkingsgroepen. In Oud-Berchem, een stationsbuurt, is
dat niet anders.

De wekelijkse instroom van honderden Afrikaanse kerkgangers
leidde snel tot het opstarten van een tweetal Afrikaanse kruidenierszaken. Hetzelfde gebeurde met de Braziliaanse kerkgemeenschap: binnen de kortste
keren kwam er een Braziliaanse superette. Blommaert benadrukt dat wat hij het
oecumenisch Nederlands noemt (taal ‘met haar op’ maar begrijpelijk) de voertaal
is in de buurt, gebruikt door vrijwel alle taalgroepen.

Superdiversiteit heeft
volgens hem geleid tot een grotere rol van het Nederlands, niet van
het verzwakken ervan. Oud-Berchem is uitgegroeid tot een heel ‘leefbare’ buurt.
Blommaerts verklaring: ‘Dat is niet dankzij de individuele attitude van de
buurtbewoners. Dat is dankzij een effect van structurele aard: convivialiteit
in het algemeen belang van de buurt. Als we deze buurt willen laten werken dan
moeten we ons conviviaal opstellen tegenover de anderen.’ (p. 144) 

Borgerhoutse Turnhoutsebaan

De inschatting van de
ontwikkelingen in ‘mijn’ Turnhoutsebaan is minder positief op het vlak van convivialiteit. Enerzijds is de
Turnhoutsebaan bekend tot in het buitenland. Daar zorgt De Roma voor, die mensen van overal aantrekt. Waarschijnlijk is de komst van Rataplan naar de
Turnhoutsebaan het beste wat Oud-Borgerhout de laatste jaren is overkomen.
Anderzijds is de Turnhoutsebaan voor een stuk een naar binnen gekeerd dorp,
waar gesegregeerd leven blijft
voortbestaan en waar men vaak ‘meer van hetzelfde’ in de vorm van pizzatenten,
vis- en nachtwinkels, theehuisjes en bakkers aantreft.

De theehuisjes en de
vzw’s met melancholische mediterrane namen – en vaak klanten – staan open
voor iedereen, maar worden in de praktijk alleen bevolkt door mensen (mannen) van overwegend Marokkaanse origine. Hetzelfde kan gezegd worden van
goedbedoelde initiatieven om ‘iedereen’ in Oud-Borgerhout op een gezellige
manier bij elkaar te brengen.

In de jaren negentig hebben wij met een
enthousiast bewonerscollectief vanuit die optiek café Apropoo aan het
Krugerpark uit de grond gestampt, dat nu onder de naam Bar Leon, samen met café
Mombasa in Oud-Borgerhout, de place to be
is geworden van overwegend jonge tweeverdienende gentrifiers.

Gepacificeerd

De
ontwikkelingen aan het Krugerpark die ik in mijn boek beschreef, gaan in
dezelfde richting. Uit getuigenissen van mijn gesprekspartners blijkt dat
het Krugerpark in de voorbije jaren onmiskenbaar een gepacificeerde groene zone
is geworden, maar dat de communicatie tussen de verschillende gebruikers van
die publieke ruimte vooralsnog zeer beperkt blijft. De scheiding der geesten is
nog lang niet overbrugd. Dat is de mantra die ik enkele jaren geleden zowat
overal gehoord heb.

Zoals Jan Blommaert en zijn co-auteurs aangeven gaan de
ontwikkelingen naar superdiversiteit razendsnel en dat geldt natuurlijk ook voor
Oud-Borgerhout, dat meer en meer overstroomd wordt door nieuwkomers van
diverse origine.

Toch blijft, ook vijftig jaar na de migratiebeweging
overwegend vanuit het Rifgebergte, de facto een Marokkaanse enclave haar numerieke stempel op de omgeving drukken. Zo raakt het superdiverse
karakter, dat zeker aanwezig is, minder zichtbaar. Meer onderzoek naar het
reilen en zeilen op en rond de Turnhoutsebaan, in de lijn van Superdiversiteit
en democratie
, lijkt mij zeker gewenst.

De wijk
in de wereld

De
straten die de drie auteurs beschrijven, en ook de Turnhoutsebaan, geven
de snel veranderende hartslag aan van wat de Canadese journalist Doug Saunders
in zijn boek De trek naar de stad ‘steden van aankomst’ noemt. 

Zoals planoloog Jeb Brugmann (De stad 2.0, hoe steden de
wereld veranderen
) vertrekt Saunders van het uitgangspunt dat de stad de
plaats is waar alles kan veranderen als het maar goed wordt aangepakt. ‘Steden
van aankomst’ zijn volgens Saunders ‘overgangsruimtes waar de grote economische
en culturele hausse zich zal voordoen, of waar de volgende grote
geweldsexplosie zal plaatsvinden’

Wat hij ‘steden van aankomst’ noemt, komt voor onder verschillende benamingen: als sloppen, favela’s,
bustees, bidonvilles, ashwaiyyat, shantytowns, kampongs, urban villages,
gecekondular en barrio’s van de ontwikkelingslanden, maar ook als
immigrantenwijken, etnische buurten, banlieus difficiles, Plattenbau-wijken,
chinatowns, Litte India’s, Hispanic Quarters, sloppenwijken, slums en migrant
suburbs van de rijke landen, die zelf jaarlijks twee miljoen mensen uit de
ontwikkelingslanden opnemen – hoofdzakelijk dorpbewoners.

Ketenmigratie

Saunders
onderscheidt vier belangrijke functies van de stad van aankomst. De eerste is
de vorming en instandhouding van een netwerk dat het dorp, de stad van aankomst
en de gevestigde stad met elkaar verbindt.

Ten tweede fungeert de stad
van aankomst als toegangsmechanisme. In een proces dat bekendstaat als
ketenmigratie haalt de stad van aankomst niet alleen mensen binnen door te
voorzien in goedkope huisvesting en in hulp bij het vinden van banen aan de
onderkant van de arbeidsmarkt, maar maakt hij ook mogelijk dat er een volgende
golf nieuwkomers arriveert. De stad van aankomst stuurt geld naar het dorp en
voorziet dit van elementair krediet.

Ten derde fungeert de stad van
aankomst als stedelijk vestigingsplatform. Hij voorziet in ‘zwarte’ middelen
die de migrant uit het dorp in staat stellen om, nadat hij geld heeft gespaard
en onderdeel van het netwerk is geworden, een huis te kopen.

Ten slotte voorziet een naar behoren functionerende stad van aankomst in een
traject van sociale mobiliteit naar de sociale middenklasse of naar de gelederen van
de gesettelde, bezittende klasse van geschoolde arbeiders met vast werk.

Magnetisch

Die sociale mobiliteit neemt een belangrijke plaats in in het denken van Saunders.
Volgens hem moeten niet alle steden van aankomst per definitie arm zijn.
Naarmate het leven in deze ‘enclaves’ beter wordt en er een
migrantenmiddenklasse tot ontwikkeling komt, krijgen ze een magnetische
aantrekkingskracht op mensen die uit de drukke binnenstad wegtrekken en vormt
zich er een eigen welgestelde middenklasse.

Dat laatste fenomeen vermeldt ook
Jan Blommaert voor de Statiestraat. Daar ontwaart hij voornamelijk Turkse
ondernemers die dankzij een opwaartse spiraal uit de marginaliteit loskomen waarin ze decennia lang vastzaten. Op de Turnhoutsebaan doet zich dat
fenomeen ook voor, maar in veel zwakkere mate. 

Van Berchem naar Bolivia

Vanuit
hun brede taalkundig landschapsonderzoek houden de auteurs sterk
rekening met de fysieke ruimte die voor hen ook een sociale, culturele en
politieke ruimte is ‘die zaken aanbiedt en mogelijk maakt, die
aanzet tot bepaalde patronen van sociaal gedrag, daartoe uitnodigt en dat
gedrag voorschrijft of net verbiedt’ (p. 9).

En vooral: ‘Elke ruimte is een
machtsruimte, die gecontroleerd wordt door sommige mensen en dus ook sommige mensen controleert.’ (p. 10)
Zij benadrukken dat steden meer en meer polycentrisch worden, dat er niet
één centrum is in een stad of in een wijk. Dat kan op termijn belangrijke politieke repercussies hebben.

Dat is gebleken in een land als Bolivia waar El Alto,
de bovenstad van La Paz, een belangrijke rol gespeeld heeft in het aan de macht
komen van Evo Morales. El Alto ontstond en ontwikkelde zich volgens
de logica van de verwaarlozing, die eigen is aan bidonvilles van alle
wereldsteden. El Alto is de smeltkroes waar een nieuw Bolivia aan het
ontstaan is.

Er
wordt vaak een apart taaltje gesproken dat aymarallano
wordt genoemd, een mengvorm van Aymara en Castellano, het Standaardspaans. De inzet zijn de
‘nieuwkomers’ (aangespoelden) die zich via een moeizaam inburgeringsproces een nieuw bestaan
proberen te verwerven in hun ‘land van aankomst’, dat allesbehalve een
Shangri-la blijkt.

El Alto is zeer duidelijk polycentrisch
gegroeid: de stad heeft geen afgebakend centrum, ze is eerder een netwerkstad met verschillende kleinere centra. Die plaatselijke centra zijn op
een horizontale manier met elkaar verbonden en hebben het ontstaan mogelijk gemaakt van nieuwe
sociale bewegingen, die aan de invloed van traditionele partijen konden
ontsnappen.  

Toekomstgericht denken 

Het adagium “stadslucht maakt vrij” is van alle tijden en
continenten. Meer dan de helft van de
wereldbevolking woont in steden. Dat is voor het eerst in de geschiedenis.
Tegen 2040 zal ongeveer twee derde van de mensheid in een verstedelijkte
omgeving wonen. Op wereldvlak ziet
het er naar uit dat de sociale, culturele en economische geografie van een land
er binnenkort een zal zijn van met elkaar verbonden stadgewesten. Steden beginnen stilaan de staat te
verdringen in de politieke ruimte.

Met die superdiversiteit die overal
doordringt kan het sociaal en politiek echter alle richtingen uitgaan. Het is
dan ook zeer belangrijk, zo stellen de auteurs, dat de overheid leert omgaan
met veranderlijkheid, met superdiversiteit. Dat gebeurt niet in Vlaanderen.

‘Het beleid vertrekt vanuit de premisse dat we allemaal sedentaire burgers zijn
met een leven dat zich uitsluitend in Vlaanderen afspeelt. Een dergelijk beleid
is compleet onaangepast aan de realiteit van vandaag. Die realiteit vraagt een
beleid en structuren die elastisch zijn.’ (p. 166).

In zijn
verhaal verwijst Ico Maly met instemming naar de
Gentse overheid die in de wijken een stimulerend beleid voert, terwijl
Blommaert daar voor Antwerpen geen melding kan van maken. 

Ico Maly eindigt zijn bijdrage over de
Wondelgemstraat met wijze woorden: ‘Het is in zo’n wijken dat we moeten
experimenteren om met deze veranderende wereld om te gaan. Het is in deze
wijken dat we voor het eerst geconfronteerd worden met de toekomst. Hoe die
toekomst er zal uitzien, dat bepalen we voor een groot deel zelf.’ (p. 124)  

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!