Soennitische islamistische strijders in Jableh met een spandoek die luidt: 'soennieten gaan voor het martelaarschap en alawieten naar de uitroeiing'.
Nieuws, Politiek, Tmd, Syrië, Analyse, Burgeroorlog Syrië, Sektarisme -

Oorsprong en evolutie van het sektarisme in Syrië

In de Belgische pers heeft de discussie over Syrië een verkeerde wending genomen. Twee jaar na de start van de Syrische opstand wordt de berichtgeving bijna volledig gedomineerd door de tientallen Belgische jongeren die daar zijn gaan vechten. De ontwikkelingen in Syrië zelf zijn daarbij van secundair belang. Daardoor heeft iedereen een mening over Syrië, maar weten weinigen echt wat er ter plekke

vrijdag 26 april 2013 16:00

Zeven teksten over zeven Syrische thema’s

Syrië is een complex land met een al even complexe geschiedenis. Simplistische benaderingen en stellingen helpen ons niets verder om de situatie te begrijpen. Daarbovenop verspreiden zowel de oppositie als het regime bewust desinformatie, wat een correct beeld van de situatie nog moeilijker maakt. Daarom dit initiatief.

Zeven teksten over zeven thema’s zullen de lezer doorheen belangrijke passages van de recente en minder recente Syrische geschiedenis loodsen. Zo hoop ik dat de lezer een beter beeld krijgt van wat er in Syrië gebeurt en dat bepaalde vastgeroeste misvattingen de wereld uit worden geholpen.

Dit eerste deel behandelt het fenomeen van het sektarisme dat – meer dan welk ander thema ook – duiding nodig heeft.

Inleiding

Al te vaak wordt sektarisme voorgesteld als inherent aan het Arabisch-zijn. Volgens die logica kan ‘de Arabier’ enkel loyaal zijn aan zijn stam, clan of denominatie. Daarbij wordt impliciet gesteld dat het sektarisme een ziekte is die het modernisme in de weg staat en bijgevolg de creatie van een moderne natie onmogelijk maakt. Daardoor kan een land of natie dat een amalgaam aan sekten en stammen bevat enkel worden geregeerd door de harde hand van een dictator.

Die essentialistische benadering van een ingewikkeld fenomeen als sektarisme is natuurlijk zeer handig voor beleidsmakers, journalisten, analisten etc. Zelfs in Arabische intellectuele kringen laat men zich doorgaans vangen door zulk denken en vragen sommige intellectuelen zich af hoe het komt dat “sektes ‘oprijzen’ alsof het slapende cellen zijn”.

Op het eerste zicht lijkt er weinig mis met die essentialistische benadering van het sektarisme en de loyaliteit van de Arabier, want, is er in de naam van de sekte niet zoveel bloed gevloeid? Bulkt de geschiedenis van het Midden-Oosten niet van de religieuze oorlogen?

De ontkrachting van die ‘vaststelling’ is niet de focus van dit essay, hoewel die wel degelijk een ontkrachting behoeft. In dit eerste essay wordt, los van het huidige klimaat dat wordt gekenmerkt door een hoog gehalte aan sektarisme, de historische context geschetst waarin het sektarisme is ontstaan. Hierbij kom ik tot een radicaal andere conclusie waarbij politiek sektarisme, verre van een oud fenomeen, een product is van de intrede van de moderniteit in de Arabische wereld.

Sektarisme: is het eeuwenoud of een product van de moderniteit?

Sektarisme is volgens Ussama Makdisi, de auteur van ‘The Culture of Sectarianism‘, het gevolg van de intrede van de moderniteit in de Arabische wereld in de 19de eeuw. De buitenlandse spelers, zowel Europese als niet-Europese, toonden toen grote interesse voor het Midden-Oosten en slaagden erin hun invloed te vergroten. Dat was mogelijk omdat het Ottomaanse Rijk, dat de Zieke Man van Europa werd genoemd, langzaam maar zeker desintegreerde.

Als gevolg daarvan ontstonden er in verschillende streken van het rijk twee vormen van ideologieën waaruit politieke legitimiteit werd geput, het nationalisme en het sektarisme. Nationalisme en sektarisme zijn elkaars tegenpolen en konden enkel ontstaan als alternatieve manieren van politiek voeren in het afbrokkelende Ottomaanse rijk. Die stelling zal ik hier verdedigen door een historische duik te nemen in de geschiedenis van Groot-Syrië.

Druzen, Maronieten en Ottomanen

Doorheen de geschiedenis hebben zich historische groepen genesteld in het Libanese gebergte waar ze vrij waren van vervolging. De Maronietische christenen waren in de 5de eeuw gedwongen daarheen te vluchten omdat ze er, naar Byzantijnse maatstaven, heterodoxe dogma’s op nahielden. Later volgden er heel wat kleinere religieuze groeperingen die vluchtten voor vervolging. Daardoor werd de interne cohesie ook sterker.

De Druzen zijn één van de groepering die haar oorsprong vindt in het Fatimidische Egypte van de 11de eeuw. Zij verschenen op het toneel tijdens de kruistochten en kregen de opdracht om de streek rond het Libanon-gebergte tegen de kruisvaarders te beschermen. Zo kwam het dat Maronieten en Druzen beiden inwoners werden van de bergstreek die vandaag Libanon heet.

Om de eeuw gebeurde het dat de Druzen de toorn van de heersers over zich kregen omwille van hun onafhankelijkheid of rebellie. Af en toe kwam het ook tot een veldtocht. Toch is het niet zo dat er sprake was van een religieus of politiek sektarisme in de regio omdat politiek het prerogatief was van een elite die niet per se tot een bepaalde religieuze groep diende te horen.

Een Druzengouverneur die de Ottomaanse sultan gehoorzaamde, hoefde niets te vrezen en genoot dezelfde gunsten als alle andere gouverneurs. Een soennitische gouverneur die rebelleerde eindigde aan de galg, ongeacht het feit dat hij zijn religie deelde met de Ottomaanse sultan. Dat was de realiteit van het pragmatische Ottomaanse beleid.

Verandering van wind

“Het Ottomaanse Rijk had toen te kampen met grote problemen op verschillende fronten.”
 

De eerste keer dat Groot-Syrië met het fenomeen sektarisme werd geconfronteerd, was tijdens de Egyptische invasie in de jaren ’30 van de 19de eeuw. Muhammad Ali, die als officier in het Ottomaanse leger het machtsvacuüm had ingevuld na de Franse bezetting van Ottomaans Egypte door Napoleon (1798-1801), slaagde erin een schijnbaar onafhankelijk Egypte te bouwen.

Aanvankelijk toonde hij geen interesse in expansie, maar zijn te onafhankelijke koers zorgde ervoor dat men zich in Istanboel zorgen begon te maken. Ook de imperiale macht Groot-Brittannië maakte zich zorgen om een te sterk Egypte, want Muhammad Ali Pasha begon aan grootschalige hervormingen die het land de moderniteit zouden binnenloodsen.

Het Ottomaanse Rijk had toen te kampen met grote problemen op verschillende fronten. Algerije werd in 1830 door de Fransen bezet. Op het Arabische Schiereiland terroriseerden de Saudi’s en de Wahabbieten de lokale bevolking en bezetten ze zelfs de heilige stad Mekka. De Russen lagen op de loer in het oosten en het noorden. Veel dichter bij de Ottomaanse hoofdstad Istanboel kwamen de Grieken in opstand tegen het Ottomaanse gezag.

In de twee laatste gevallen hielp Muhammad Ali zelfs met het pacificeren van de rebellieën. Maar zijn militaire superioriteit leidde ertoe dat hij zelf grootse ambities begon te koesteren. Dat bleek toen hij zijn zoon Ibrahim erop uit stuurde om Groot-Syrië te veroveren.

Ibrahim Pasha slaagde er vrijwel probleemloos in het gebied in te lijven. Orde en centraal gezag creëren was echter een veel moeilijkere opdracht, vooral in de Libanese bergen, omwille van de sociale structuur van de feodale maatschappij daar. Dus probeerde Ibrahim als eerste in de geschiedenis de diversiteit aan religieuze denominaties te misbruiken om zo zijn macht beter te doen gelden. Hij sloot een alliantie met Emir Bashir Shihab die zich tot het Maronietische geloof had bekeerd nadat hij was geboren in een soennitische familie.

Zo probeerde Ibrahim de Maronietische christenen, die toen de grootste minderheid in de Libanese bergen waren, aan zijn kant te krijgen tegen de Druzische feodale klasse die loyaal bleef aan het Ottomaanse gezag. De feodale samenstelling had niets met religieuze affiliatie te maken, want een Druzische feodale heer kon vooral Maronieten onder zich hebben en omgekeerd. Ibrahim Pasha slaagde er niet in die feodale structuren te doorbreken, maar hij schiep wel een gevaarlijk precedent.

Europa en de Arabische religieuze minderheden

Luttele decennia later zou Libanon, dat toen deel uitmaakte van Groot-Syrië, de eerste burgeroorlog kennen waarbij een transitie plaatsvond van een feodaal systeem, waarin de sociale stand waartoe men behoorde bepalend was, naar een systeem waarbij de sekte de belangrijkste noemer werd. De architecten van die verandering waren het imperialistische Frankrijk, Groot-Brittannië, tsaristisch Rusland, de Pruisen, de Oostenrijkers en de Ottomanen zelf.

Frankrijk diende zich aan als beschermer van de katholieke Arabieren in het Ottomaanse Rijk. Ook andere belangrijke Europese grootmachten bleven niet achter en steunden een bepaalde religieuze strekking. De Russen ontfermden zich over de Orthodoxe christenen en bij gebrek aan een protestante aanwezigheid in de Libanese bergen steunden de Britten de Druzen. Alle belangrijke Europese spelers hadden nu iets in de pap te brokken in Libanon, onder het voorwendsel een minderheid te beschermen.

Het oude systeem viel als een kaartenhuisje in elkaar. De Ottomanen waren niet langer de “power-brokers” in de Libanese bergen. Maar nog belangrijker dan de intrede van de Europese grootmachten was de politisering van het gewone volk (‘the amma of commoners’).

De feodale elite verloor haar monopolie om politiek te bedrijven. Zelfs de Druzische en Maronietische religieuze elites slaagden er niet in het gewone volk terug op te roepen om de gevestigde orde te respecteren. Om het in de volgende woorden te stellen: er ontstond bijna simultaan een bottom-up en top-down verandering die het politieke leven in de Levant compleet veranderde.

De eerste ‘religieuze’ burgeroorlog?

“Bijna alle dorpen waren tot dan toe gemengd qua populatie en sektarische animositeit was hen vreemd. De enorme veranderingen leidden ertoe dat de dorpen voortaan bijna exclusief werden bewoond door één sekte.
 

De hiërarchie in het oude Ottomaanse rijk was in essentie seculier van aard, maar die maakte nu plaats voor een nieuw soort politiek waarbij religieuze affiliatie de belangrijkste noemer werd. Het ineenstorten van het oude systeem opende de ruimte voor een nieuwe vorm van politieke participatie die gebaseerd was op een taal van religieuze gelijkheid. Dat werd mede mogelijk gemaakt door de nieuwe edicten die in Istanboel werden uitgevaardigd en die de gelijkheid van alle burgers garandeerden. Die edicten werden de ‘Tanzimat’ genoemd.

Die radicale breuk met de continuïteit leidde tot een regelrechte burgeroorlog in Libanon, waarbij vele ‘commoners’ zich schaarden achter Tanyus Shahin, een gewone (niet-feodale) Libanese christen die zowel tegen de feodale elite, de Ottomanen als de Maronietische clerus ageerde.

Een ‘volksopstand’ was het gevolg en omdat ze een nieuwe politieke dimensie aan hun maronietische identiteit gaven, begonnen ze ook tegen de Druzen te vechten omdat zij geen onderscheid meer maakten tussen de Druzische feodale heersers en het gewone Druzenvolk, dat evenveel te lijden had onder de feodaliteit. Het gevolg was dat de Druzische ‘commoners’ zich schaarden achter de feodale leiders, die zichzelf voortaan beschouwden als beschermers van de Druzen. Tot dan was de Druzische feodale elite simpelweg de beschermer van de publieke orde en de hiërarchie.

Omdat de Maronieten er op uit waren om de Druzen uit te moorden, schaarden deze laatsten zich makkelijk achter hun feodale heersers (nu nog bestaan de nakomelingen van die feodale heersers bij de Druzen en hebben ze de politieke macht in handen, zoals de Atrash en Jumblatt-families, terwijl bij de Maronieten de erfgenamen van die feodale klasse amper invloed hebben).

Duizenden mensen stierven in een nooit geziene uitbarsting van geweld tussen de Maronieten, onder leiding van een ‘commoner’, en de Druzen, onder leiding van de feodale heersers. Bijna alle dorpen waren tot dan toe gemengd qua bevolking en sektarische animositeit was hen vreemd. De enorme veranderingen leidden ertoe dat de dorpen voortaan bijna exclusief werden bewoond door één sekte. Uiteindelijk trokken de Druzen aan het langste eind. Toen ze dan wraak namen op de Maronieten en willekeurig christenen begonnen uit te moorden, kwamen de Europese machten in actie.

Europa grijpt in

Die eerste sektarische oorlog was een geschenk voor de Fransen en andere Europese grootmachten. Zij konden hun claim als beschermers van minderheden kracht bijzetten en ze moeiden zich direct met de politiek in de Levant. Hoewel ze mee de oorlog hebben veroorzaakt, konden ze de gebeurtenissen zo naar hun hand zetten dat ze in staat waren de Ottomaanse staat te verzwakken.

Het was de eerste keer dat de minderhedenkwestie aangewend werd als voorwendsel voor directe militaire interventie. Maar het was zeker niet de laatste keer.

Als gevolg van de oorlog en westerse inmenging werd sektarisme als politiek systeem geïnstitutionaliseerd in de Libanese bergen. De Europese machten en de Ottomanen besloten om van de Libanese bergen een autonome regio te maken. Het bestuur zou bestaan uit een vast aantal maronieten, druzen, soennieten, sjiieten, Grieks-orthodoxen etc. De idee hierachter was dat een druus enkel de druzen kon vertegenwoordigen, een maroniet enkel de maronieten…

Alle religieuze groepen hadden in het Ottomaanse rijk wel een zekere autonomie over hun religieuze zaken, maar dat had niets met politiek te maken. In feite creëerde de regeling politiek-religieuze gemeenschappen die voordien enkel religieuze gemeenschappen waren. De Europese architecten van dat systeem hebben ervoor gezorgd dat het sektarisme tot op de dag van vandaag voortleeft in Libanon.

De Libanese burgeroorlog van 1860 had ook gevolgen voor de rest van Groot-Syrië, enkel was de uitkomst in het Syrische binnenland helemaal anders.

De slachting van de christenen in Syrië

“De islamistische handelaars misbruikten de Libanese situatie om de bevolking op te hitsen tegen de christelijke handelaars. Dat lukte en er ontstond een ware slachting in de hoofdzakelijk christelijke wijk Bab Touma in het oude gedeelte van Damascus.”

Frankrijk had duidelijk zijn zinnen gezet op Ottomaanse grondgebied omdat het ambieerde de belangrijkste Mediterraanse grootmacht te worden. In 1798 bezette het al korte tijd Ottomaans Egypte alvorens er verdreven te worden door een gemeenschappelijk Brits-Ottomaans offensief.

Maar 32 jaar later bezetten de Fransen succesvol Algerije. Nog eens 30 jaar later hadden de Fransen duidelijk hun oog laten vallen op Groot-Syrië. In de Libanese bergen had Frankrijk al heel wat invloed, maar in de belangrijke Syrische steden was de Franse invloed nihil. De Fransen probeerden daar hun invloed uit te breiden op een heel andere manier dan die in de Libanese bergen, omdat de maatschappelijke structuur heel erg verschilde.

Een van de manieren om in de Syrische steden lokale cliënten te winnen waren de ‘capitulaties’. Een capitulatie is een document dat de houder vrijwaart van belastingen en vervolging. Capitulaties waren een drukkingsmiddel die een sterke mogendheid gebruikte tegen een zwakkere tegenstander.

Zo kon de sterke partij de zwakkere partij economisch aan zich binden. In het begin waren capitulaties enkel in handen van de buitenlandse – Europese – inwoners die zich in het Ottomaanse Rijk vestigden, maar later slaagden consuls erin die fel begeerde capitulaties te schenken (en soms verkopen) aan sommige Ottomanen.

De gewone handelaars in het Syrië van de 19de eeuw hadden een hekel aan die capitulaties, omdat zij niet konden concurreren met handelaars die er wel hadden. Ook hadden de normale handelaars veel moeilijker toegang tot superieure en goedkopere Franse merchandise.

De Franse consuls bevoordeelden de christelijke handelaars in Syrië met die capitulaties, tot grote ergernis van de andere handelaars. Dat leidde tot een fel anti-Frans sentiment bij vele handelaars in Aleppo en Damascus. Toen het nieuws hen bereikte van de slachtingen die ‘christenen’ (de commoners onder leiding van Tanyus Shahin) begingen in Libanon tegen de druzen zagen zij hun kans schoon.

De islamistische handelaars misbruikten de Libanese situatie om de bevolking op te hitsen tegen de christelijke handelaars. Dat lukte en er ontstond een ware slachting in de hoofdzakelijk christelijke wijk Bab Touma in het oude gedeelte van Damascus.

Maar op het moment dat de slachting in alle hevigheid losbarstte, verscheen Emir Abdelqader ten tonele. Die Algerijnse nationale held leidde jarenlang het verzet tegen de Franse bezetting van Algerije. Uiteindelijk werd hij gevangen genomen en verbannen naar Frankrijk, en later Syrië. Door zijn opmerkelijk parcours was hij zich beter dan wie dan ook bewust van de Franse koloniale praktijken.

Emir Abdelqader was een islamistische geleerde.  Toch beschermde hij tijdens de slachting de christelijke wijk samen met enkele honderden Algerijnse medestanders. Hij hielp veel christenen vluchten naar het veiligere Beiroet. Bij Syriërs, en zeker de christenen, is Emir Abdelqader vandaag nog zeer geliefd. Dankzij zijn ingrijpen is een grotere slachting vermeden, en daardoor hadden de Fransen geen pretext om rechtstreeks te interveniëren. En zo bleef de Franse invloed beperkt tot de Libanese bergen.

Anti-christelijke of anti-westerse pogrom?

Vele historici en analisten kijken met een simplistische blik naar de rellen in Damascus in 1860 en zeggen dat het een spontane uiting van sektarisme was. Maar de rellen waren geen simpele en spontane uitbarsting van een primordiaal gevecht tussen ‘moslims’ enerzijds en ‘christenen’ anderzijds.

De ogenschijnlijke sektarische rel was in feite de eerste spontane uiting een van anti-westers nationalisme in Syrië, die door de economische elite werd gemanipuleerd en gestuurd in de richting van het sektarisme. De arme christelijke wijken in Damascus en Aleppo bijvoorbeeld werden gespaard van het geweld. Het waren vooral de christelijke handelaars die het slachtoffer werden. Om het in één zin te zeggen: economische ontevredenheid vertaalde zich in sektarisch geweld.

Het is ook niet toevallig dat het Syrische nationalisme, als voorloper van het Arabische nationalisme, in deze periode is ontstaan en uitgekristalliseerd door intellectuelen als Butrus al-Bustani.

De bekende historicus van de Arabische wereld Albert Hourani, zelf van Arabische christelijke komaf, vatte het zo samen: “De ontwrichting van de economie, het verlies van macht en invloed, het besef dat de politieke wereld van de islam van buitenaf werd bedreigd: dit alles uitte zich in het midden van de eeuw in een reeks gewelddadige bewegingen die waren gericht tegen de nieuwe politiek, tegen de toenemende invloed van Europa en op sommige plaatsen tegen de lokale christenen die er baat bij hadden. In Syrië bereikten deze hun hoogtepunt in 1860”.

Sykes-Picot

“Groot-Syrië werd door de Fransen en de Britten verdeeld in 4 artificiële entiteiten die tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan: Libanon, Syrië, Palestina en Transjordanië.”
 

Sektarisme begon dus voet aan de grond te krijgen in Libanon als politiek systeem, niet zozeer in Syrië zelf, onder meer dankzij de interventie van de Algerijnse Emir Abdelqader.

Een halve eeuw later brak WOI uit. Het Ottomaanse Rijk koos de kant van de Duitsers en Oostenrijk-Hongarije tegen de Britten, Fransen, Rusland en Italië. De uitkomst van die oorlog is bij iedereen gekend. Tijdens die oorlog probeerden de Britten de Arabische onvrede te benutten door de Arabieren te laten vechten tegen de Ottomanen (in een volgend essay zal hier dieper op worden ingegaan). De Britten beloofden dat ze in ruil voor de Arabische steun een onafhankelijk Arabisch land zouden creëren.

Maar nog voor het pleit beslecht werd kwamen de Russen in opstand en werd er een einde gemaakt aan het tsaristisch systeem. De linkse revolutionair Lenin greep de macht en maakte de imperialistische plannen openbaar in 1917. Lenin waarschuwde de Arabieren voor het Frans-Britse design om het Midden-Oosten te verdelen in landen die door Frankrijk en Groot-Brittannië bezet zouden worden. Lenin kreeg gelijk, en de Arabieren werden bedrogen. Er kwam helemaal geen eengemaakt Arabisch rijk.

Groot-Syrië werd door de Fransen en de Britten verdeeld in 4 artificiële entiteiten die tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan: Libanon, Syrië, Palestina en Transjordanië.

Toen de Franse kolonisatie van Syrië begon, verdeelde Frankrijk dat land nog eens in 4 entiteiten: een land voor de alawieten, één voor de druzen, één in de regio Aleppo en één in de regio Damascus. Religieuze groeperingen en regio’s werden zo tegen elkaar opgezet en van elkaar afgesloten. De Syrische reactie op de Franse kolonisatie was een staaltje van puur nationalisme, en de Syriërs bewezen dat de oudste steden van de wereld geen Franse beschaving nodig hadden.

De Fransen koloniseren Syrië

“Réveille-toi Saladin, nous sommes de retour. Ma présence ici consacre la victoire de la croix sur le croissant”
 

Een jonge Libanese sjiitische rebel, Adham Khanjar, gaf de eerste aanzet tot wat de Syriërs de Grote Syrische Revolte noemen. Khanjar slaagde erin de Franse hoge commissaris Henri Gouraud in een hinderlaag te lokken. Gouraud raakte zwaar gewond en enkele bodyguards stierven bij die aanslag.

Gouraud was de belangrijkste man in het nieuwe deel van het Franse imperium in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee. Daar liet hij geen twijfel over zijn bedoelingen. In juli 1920, net na de verovering van Damascus bezocht hij het graf van de legendarische Saladin die in de 12de eeuw furore maakte door de kruisvaarders te bestrijden en te verjagen uit Jeruzalem.

Gouraud stond aan het graf van Saladin en zei: “ Réveille-toi Saladin, nous sommes de retour. Ma présence ici consacre la victoire de la croix sur le croissant”. Oftewel: “Wordt wakker Saladin, we zijn teruggekeerd. Mijn aanwezigheid hier bewijst dat het kruis de maan heeft overwonnen.” Het seculiere Frankrijk had nog last van naweeën na de kruistochten.

Na de aanslag op Gouraud vluchtte Khanjar naar Jordanië dat door de Britten werd gekoloniseerd. Wat later keerde hij terug naar Syrië om daar onderdak te zoeken in de bergen van Hawran, waar vooral druzen woonden. Khanjar wou daar de hulp inroepen van de al-Atrash-familie die tijdens de Eerste Wereldoorlog veel Arabische nationalisten had gered van de Ottomaanse galgen door hen onderdak te bieden.

Maar onderweg naar al-Atrash werd Khanjar ontdekt en gearresteerd. Toen Sultan Pasha al-Atrash ter ore kwam dat een persoon die zijn gastvrijheid zocht werd gearresteerd stuurde hij een ultimatum naar de Fransen en eiste dat Khanjar zou worden vrijgelaten. Tevergeefs, want Khanjar werd later geëxecuteerd. En die executie was de aanzet tot de Grote Syrische Revolte die meer dan 2 jaar zou duren.

De druzen vielen de Franse posities aan. Bruut geweld was de reactie van de Franse kolonisator, maar de druzen krabbelden niet terug. Maar alleen konden de druzen het nooit van de Fransen halen. Daarvoor hadden ze hulp nodig van de andere Syriërs.

De steden komen in opstand 

Religie is voor God, en de natie is er voor iedereen”.

In het noordelijker gelegen Homs las een soennitische korporaal met grote gedrevenheid elke dag de Franse kranten. Die stonden vol met gedetailleerde verslagen van de bevrijdingsstrijd die een onbekend volkje in het noorden van Marokko aan het voeren was tegen twee koloniale machten. Fawzi al-Qawuqji sympathiseerde met de Riffijnen die overwinning na overwinning boekten tegen de Spanjaarden, en later ook de Fransen.

Toen de druzen in opstand kwamen werd het nationalisme bij al-Qawuqji voorgoed aangewakkerd en in zijn memoires stelde hij zich openlijk de vraag: “als de Riffijnen het kunnen in het verre Marokko, waarom wij ook niet hier?” Fawzi al-Qawuqji verliet het Franse leger en sloot zich aan bij het antikoloniale verzet. Samen met al-Atrash leidde hij de opstand en ze zwoeren Syrië niet zonder strijd op te geven.

Hun slogan was: “Religie is voor God, en de natie is er voor iedereen”. Ze slaagden erin alle segmenten van het Syrische volk achter zich te krijgen, maar de militaire superioriteit van de Fransen die vooral vanuit de lucht de rebellen achterna zaten, was fataal. Fawzi al-Qawuqji zou later nog verschillende opstanden leiden en stond zelfs aan het hoofd van het Arabische bevrijdingsleger dat tegen de zionisten zou vechten in 1948.

Quelle mission civilisatrice?

Hoewel de Fransen kwamen met ‘une mission civilisatice’, en een mandaat kregen van de Volkenbond om een moderne staat uit te bouwen, bleek er wel degelijk een natie te bestaan in Syrië.

Geconfronteerd met een nationalisme dat totaal tegen hun perceptie inging, besloten de Fransen dan de Syriërs ‘into submission’ te bombarderen en gebruik te maken van een sektarisch discours dat totaal niet van toepassing was.

Of zoals Michael Provence stelt in zijn onderzoek naar de Grote Syrische Revolte: “The 1925 uprising, however, was the first general ‘Syrian’ uprising and the first to utilize nationalist language. Among the many written accounts of the 1925 uprising, only those of the French emphasize the sectarian identity of the rebels. For the French, it was always ‘The droeze Revolt.’ For the people who took part, Droeze, Muslim and even Christian, it was the ‘Syrian Nationalist Revolution’.”

Het Franse design om de bevolking te verdelen naar sektarische lijnen mislukte (tijdelijk). Nadat Groot-Syrië al werd verdeeld in 4 staten (Jordanië, Palestina, Syrië en Libanon), wilden de Fransen wat nog overbleef van Syrië verdelen. Maar de Syriërs dachten er kennelijk anders over.

Syrië wordt onafhankelijk

“Religieuze minderheden en soennitische (landloze) boeren zagen het leger als één van de weinige instituten die hen verwelkomde.”
 

In 1943 werd Syrië onafhankelijk en in 1946 verlieten de laatste Franse troepen Damascus.

Politiek in het postkoloniale Syrië was zeer tumultueus, en de ene staatsgreep volgde na de andere. Vooral de oprichting van Israël in het zuidwestelijke deel van Groot-Syrië liet een diep litteken achter in de Syrische psyche.

Maar politiek was toen vooral een zaak van de stedelijke elite en het militaire establishment. Dat laatste beschuldigde de stedelijke elite ervan dé zaak verraden te hebben, omdat ze nalieten een sterk leger uit te bouwen uit angst dat het de macht zou grijpen.

Die stedelijke elite was hoofdzakelijk soennitisch – net als de Palestijnse bevolking – en hun geprivilegieerde positie was een erfenis van de Ottomaanse bezetting. In het leger was ondertussen een zeer belangrijke trend ontstaan. Leden van de etnische en religieuze minderheden, en landloze soennitische boeren, hadden tijdens de Franse bezetting een ‘upwards-mobility‘ meegemaakt door massaal in dienst te treden en te promoveren in het leger.

Dat had twee oorzaken. De stedelijke (soennitische) elite keek neer op het leger. En religieuze minderheden en soennitische (landloze) boeren zagen het leger als één van de weinige instituten die hen verwelkomde, en waarin ze maatschappelijk konden promoveren.

Het gepolitiseerde Syrische leger

In de jaren ’50 en ’60 had je bijna geen apolitieke legers in de Arabische wereld, en het Syrische leger was hier zeker geen uitzondering op. Talloze staatsgrepen werden gepleegd vanuit dat leger. Tezelfdertijd had je de opkomst van het Arabische nationalisme dat in Syrië onder meer werd gepromoot door de Ba’ath-partij. Als ideologen van die partij stelden Salah al-Din Baytar en Michel Aflaq dat sektarisme, regionalisme, tribalisme en imperialisme de grootste bedreigingen voor de Arabische natie waren.

In een volgend deel wordt dieper ingegaan op de rol die de Ba’ath-partij speelde in Syrië, en de rol van het sektarisme binnen die partij. Wat vooral belangrijk is dat hoewel de Ba’ath qua ideologie een antisektarische partij was, er bepaalde elementen waren die het niet zo nauw namen met die ideologie en sektarisme als wapen gebruikten. De relatie tussen het sektarisme als werkelijkheid en praktijk, en het sektarisme als discours binnen de Ba’ath-partij, was dubieus.

De ultieme sektarisering van het Syrische politieke discours begon pas in de jaren ’70 van de vorige eeuw. De Syrische Moslimbroeders hadden hier een belangrijk aandeel in. Zij hebben het sektarisme niet uitgevonden, maar in de Syrische politiek waren zij de eersten die de schuld van het Syrische falen legden bij één religieuze groepering, de alawieten. En zij creëerden daarmee een gevaarlijk precedent .

De Libanese burgeroorlog en Syrië

Het Syrische leger vocht dus aan de kant van pro-Israëlische milities tegen de Palestijnen en Libanezen, die op ideologisch vlak althans veel dichter bij de Ba’ath stonden dan de rechtse milities.”

Voor de start van de Syrische opstand in maart 2011 kan een objectieve analist stellen dat Syrië onder de Assad-dynastie vier decennia van opmerkelijke stabiliteit kende. Maar tussen 1976 en 1982 moest de Assad-dynastie vechten om haar voortbestaan, tegen islamistisch geïnspireerde groeperingen. En weer speelden de gebeurtenissen in het kleine buurland Libanon een belangrijke rol in het schouwspel dat zich in Syrië ontvouwde.

In 1975 begon de Libanese burgeroorlog tussen hoofdzakelijk rechts-maronietische milities en een coalitie van links-Libanese groeperingen en de Palestijnse verzetsbewegingen. Een jaar later leek het pleit beslecht te zijn in het voordeel van de linkse en Palestijnse groeperingen, die allemaal als uitgangspunt hadden dat gewapende strijd tegen Israël de enige manier was om Palestina te bevrijden.

De regio was in de ban van die ontwikkelingen en er was een Arabische en internationale consensus dat het links-revolutionaire project in Libanon moest falen. In 1976 kreeg Syrië een mandaat van de Arabische Liga, volmondig gesteund door Israël en de VS om de rechtse maronieten militair bij te staan. Dat de maronietische milities door het fascisme waren geïnspireerd, deed er niet toe.

Het Syrische leger vocht dus aan de kant van pro-Israëlische milities tegen de Palestijnen en Libanezen, die op ideologisch vlak althans veel dichter bij de Ba’ath stonden dan de rechtse milities.

Die ontwikkeling schokte vele Syriërs. In Syrië ging het bovendien slecht met de economie, en de regering was hopeloos inefficiënt en corrupt. De plattelandsvlucht was hoog waardoor de spiraal van armoede toenam. Bepaalde groeperingen, waaronder de Moslimbroeders, maakten handig gebruik van die onvrede om te proberen het regime ten val te brengen. Ze begonnen aanslagen te plegen op hooggeplaatste Syrische functionarissen.

Vooral alawietische Ba’athisten werden het slachtoffer van de aanslagen van de Moslimbroeders. Zij hoopten dat het regime zou antwoorden met repressie, waardoor het meer mensen van zich zou vervreemden. Ook hoopten ze zo het sektarisme aan te wakkeren en zo veel mogelijk frictie te creëren tussen soennieten en alawieten.

De Moslimbroeders percipieerden namelijk de strijd tegen het regime als een strijd tegen de alawietische minderheid die de islamistische meerderheid domineerde. Het discours van de Moslimbroeders stond bol van referenties naar de alawieten.

In Syrië refereerde men nooit naar de sekte van politici, en zelfs niet naar de sekte van de gewone mensen. Iedereen wist dat het land bestond uit een mozaïek van geloofsovertuigingen, maar dat werd aanvaard en maakte deel uit van de Syrische nationale identiteit. Het discours van de Moslimbroeders stelde de alawieten buiten die Syrische natie, en schilderde ze af als onrechtmatige usurpators.

De Iraanse revolutie

“Sadat vertrouwde de alawiet al-Assad om samen een spectaculaire oorlog te vechten, maar niet om samen een politiek te coördineren. Zo wordt sektarisme te pas en te onpas gebruikt om politieke keuzes te legitimeren.”

Maar pas na de Iraanse revolutie zou de Moslimbroederschap zich zo stoutmoedig voelen om een open oorlog uit te vechten met het Syrische regime. De Iraanse revolutie, die eerst breed gedragen werd door verschillende politieke componenten, werd later gekaapt door de islamistische component onder leiding van Khomeini.

Amper een jaar na de start van de Iraanse revolutie viel Saddam Hoessein Iran binnen, gesteund door de meeste Arabische regimes, de VS en verschillende Europese landen. Die breed gedragen invasie gaf Khomeini de kans om de interne oppositie die mee deelnam aan de revolutie uit te schakelen.

Syrië, de aartsvijand van het Ba’athistische Irak, was toen vrijwel de enige Arabische bondgenoot van Iran. In die periode zochten de Syrische Moslimbroeders tevergeefs contact met Khomeini in hun strijd tegen het “goddeloze” Ba’ath-regime.

Maar vanwege de geo-politieke dimensie die de Iraanse revolutie en de Iraaks-Iraanse oorlog aannam, kon het Iraanse regime zich niet veroorloven om haar enige Arabische bondgenoot, Syrië, te verliezen. De Syrische Moslimbroeders kwamen dus met lege handen en vol rancune terug uit Teheran.

De Moslimbroeders vonden in de Egyptische president Anwar Sadat een objectieve bondgenoot in hun strijd tegen Hafez al-Assad. Sadat is één van de meest gehate Arabische presidenten ooit omdat hij een vredesakkoord sloot met Israël in 1979 dat bekend staat als de Camp David-akkoorden.

Dat gebeurde in hetzelfde jaar als de Iraanse revolutie die fel antizionistisch was. Enkele jaren voor dat vredesakkoord verrasten Egypte en Syrië de hele wereld toen ze simultaan een oorlog startten tegen Israël. Het primaire doel van de Otoberoorlog in 1973 was de bevrijding van Egyptisch en Syrisch land dat Israël had bezet na de Zesdaagse Oorlog van 1967.

Sadat verraadde eind jaren ’70 de geest van het Egyptische-Syrische akkoord door een unilateraal vredesakkoord te sluiten. Om dat verraad te vergoelijken, bleef Sadat maar praten over de alawietische heersers in Syrië. Zo was de bevrijding van de Golan geen prioriteit zolang al-Assad aan de macht was.

Hij wou geen kastanjes uit het vuur halen voor een (minderwaardige) alawiet. Blijkbaar was de sektarische identiteit van Hafez al-Assad pas een issue nadat Sadat vrede wou sluiten met Israël. Sadat vertrouwde de alawiet al-Assad om samen een spectaculaire oorlog te vechten, maar niet om samen een politiek te coördineren. Zo wordt sektarisme te pas en te onpas gebruikt om politieke keuzes te legitimeren.

In feite was Nasser, de Arabisch nationalistische president van Egypte en voorganger van Sadat, een fervente tegenstander van het Ba’ath-regime in Syrië. Er zijn speeches voorhanden waarin hij virulent tekeer gaat tegen Hafez al-Assad. Maar Nasser gebruikte argumenten en speelde nooit de sektarische kaart.

De slachting van de cadetten

“Realpolitik, meer dan ideologische of sektarische consideraties, leidden tot de bizarre alliantie tussen de Syrische Moslimbroeders, het Jordaanse regime, het Ba’ath-regime in Irak, en fascistische christelijke milities in Libanon.”

Nauwelijks enkele maanden na de Iraanse revolutie slachtten de Moslimbroeders meer dan 80 hoofdzakelijk alawietische cadetten af in Aleppo, in wat de dodelijkste aanslag was tot dan toe. In 1980 ontsnapte Hafez al-Assed zelf ternauwernood aan de dood bij een aanslag.

Hij wreekte zich door bijna alle politieke gevangenen van de Moslimbroeders te executeren in de gevangenis in Palmyra. Bijna 550 Moslimbroeders stierven toen een gruwelijke dood. Al-Assad stuurde ook leden van zijn geheime dienst om aanslagen te plegen in het naburige Jordanië dat de Moslimbroeders steunde.

Omdat Iran geen hulp bood aan de Syrische Moslimbroeders in hun strijd tegen de Syrische Ba’ath gingen de Moslimbroeders aankloppen bij Saddam Hoessein, de leider van de even “goddeloze” Iraakse Ba’ath-partij. Realpolitik, meer dan ideologische of sektarische consideraties, leidden tot de bizarre alliantie tussen de Syrische Moslimbroeders, het Jordaanse regime, het Ba’ath-regime in Irak, en fascistische christelijke milities in Libanon. Die laatsten waren enkele jaren daarvoor de bondgenoten van het Syrische regime tegen de linkse Libanezen en de Palestijnen.

Landhervorming

“De Syrische Moslimbroeders daarentegen hadden een andere kijk op Nasser. Tot in de jaren ’50 entertainden zij het vage idee van een islamistisch socialisme.”
 

Er was dus duidelijk een geo-politieke dimensie aan het conflict tussen de Moslimbroeders en het Syrische regime. Maar de kiemen van de onvrede van de Moslimbroeders waren vooral lokaal van aard. De soennitische stedelijke middenklasse en grootgrondbezitters in Hama waren het slachtoffer van de herverdeling van het land.

In Hama was feodaliteit nog wijdverspreid aan het begin van de 20ste eeuw. En die praktijk bestond nog altijd toen Hafez al-Assad aan de macht was. Vooral landloze boeren werden uitgebuit door de rijke grootgrondbezitters.

Als onderdeel van de agrarische politiek werd er dus heel wat land geconfisqueerd en herverdeeld onder de landloze boeren. Het was Nasser die de eerste landbouwhervorming doorvoerde toen er een unie bestond tussen Egypte en Syrië, tussen 1958 en 1961.

Nasser had daarvoor al een soortgelijke landhervorming in Egypte doorgevoerd. Daardoor konden miljoenen landloze boeren worden voorzien van grond en werd er een einde gemaakt aan hun uitbuiting door de grootgrondbezitters. In Egypte waren de Moslimbroeders hier faliekant tegen, en waren zij de grootste uitdagers van Nasser.

De Syrische Moslimbroeders daarentegen hadden een andere kijk op Nasser. Tot in de jaren ’50 entertainden zij het vage idee van een islamistisch socialisme. Ter vergelijking, Nasser hanteerde de term Arabisch socialisme. Na die periode komt die term echter niet meer voor in de literatuur van de Moslimbroeders.

Ook ontbonden zij zich vrijwillig toen Nasser de voorwaarde stelde dat alle politieke organisaties in Syrië moesten worden ontbonden om een eenheid te bewerkstelligen in 1958. En toen de staatsgreep plaatsvond onder leiding van stedelijke soennitische officieren weigerde de toenmalige leider van de Moslimbroederschap Issam Attar het afscheidingsdocument te ondertekenen.

Toen Hafez al-Assad eigenlijk hetzelfde beleid verderzette werd hij simpelweg beschuldigd van sektarisme door de Moslimbroeders. De alawieten komen traditioneel uit bergachtig gebied, en daardoor hadden ze weinig landbouwgrond. Daardoor profiteerden zij heel erg als gevolg van de herverdeling van de landbouwgronden.

Bovendien had de economische politiek van het regime nadelige gevolgen voor de stedelijke handelaars die een belangrijk deel vormden van de bevolking van Hama. De focus van het regime op industrialisatie in de jaren ’70 zorgde voor de aanwezigheid van producten die beter, en vooral, goedkoper waren. De handelaars in Hama kregen harde klappen. Tegelijkertijd voerde het regime een minimumloon in voor arbeiders.

De perceptie leefde dus dat het ‘goddeloze alawietisch geleide Ba’ath-regime’ grond afnam van de vrome soennieten en rechtmatige eigenaars van het land, om de heterodoxe alawieten land te geven.

Net als ongeveer 120 jaar eerder waren de rijkere soennieten boos omdat een politieke speler een bepaalde minderheid leek te bevoordelen. 120 jaar daarvoor waren dat de christelijke handelaars, nu de landloze alawietische boeren en de Ba’ath. Het gevolg was dat het anti-Ba’ath sentiment zich vertaalde in een anti-alawietisch sentiment met alle gevolgen van dien. Ba’ath-functionarissen werden overal in Syrië vermoord, vooral als ze alawietisch waren.

In 1982 vielen de militieleden van het in 1980 gevormde collectief ‘Het Islamitisch Front’ belangrijke symbolen van de Ba’athpartij aan in Hama. Wat er exact gebeurde in februari 1982 is nog altijd niet duidelijk. Journalisten waren uiteraard niet welkom en de weinige journalisten die in Hama geraakten, waaronder Robert Fisk, waren getuige van de horror. Tussen 10 en 30.000 mensen stierven. Grote delen van de oude stad werden met de grond gelijk gemaakt door het Syrische leger dat geleid werd door Rif’at, de broer van president Hafez al-Assad.

De Moslimbroeders werden verslagen en de overlevende leiders vluchtten naar het buitenland. Hafez al-Assad heeft zo de belangrijkste uitdaging in zijn politieke carrière overleefd. Nog nooit had een Arabische leider in de moderne tijd zoveel onderdanen de dood in gejaagd als Hafez al-Assad in 1982. Zo kwam ook een einde aan elk sektarisch getint politiek discours in Syrië, waar politiek sowieso een gevaarlijke aangelegenheid was.

Sektarisme na Irak

“Het waren soennitische landen als Qatar – van waaruit de militaire aanval plaatsvond – Saoudi-Arabië en Koeweit, die de invasie volmondig steunden. Het door de ‘alawieten’ geregeerde Syrië verzette zich op diplomatiek vlak tegen de oorlog tegen de ‘soennitische’ Saddam Hoessein.”

“Ladies & Gentlemen, we’ve got him”. Die historische woorden na de arrestatie van de Iraakse dictator Saddam Hoessein luidden het bloedigste sektarische conflict in dat de islamistische wereld ooit heeft gekend. Na een bloedige dictatuur en verlammende internationale sancties kreeg het land er een invasie bij die gebaseerd was op een leugen. Het resultaat was geen ‘vrijheid’ of ‘democratie’, maar meer dan een miljoen doden en miljoenen vluchtelingen, een land in puin en de sociale cohesie helemaal gefragmenteerd … Dat was de Bush-doctrine in werking.

Maar de schade bleef niet beperkt tot Irak. In heel de Arabische wereld had de Irak-oorlog belangrijke gevolgen: de sektarisering van het politieke discours.

Op het eerste gezicht had die sektarisering weinig effect op het Syrische regime. Hoewel de perceptie leefde dat Iraakse soennieten zich tegen de invasie verzetten en de sjiieten en masse collaboreerden met de Amerikanen, meehielpen de soennieten te discrimineren, bestrijden en zelfs vermoorden.

Die perceptie leefde zeer sterk maar het waren soennietische landen als Qatar – van waaruit de militaire aanval plaatsvond – Saoedi-Arabië en Koeweit die de invasie volmondig steunden. Het door de ‘alawieten’ geregeerde Syrië verzette zich op diplomatiek vlak tegen de oorlog tegen de ‘soennitische’ Saddam Hoessein. Het kneep echter regelmatig zijn ogen dicht voor de vele jihadisten die via Syrië naar Irak gingen om er te vechten. Syrië stond zelfs op de lijst van de schurkenstaten en lang werd gevreesd dat Syrië next was!

Maar de kiemen van het sektarische discours penetreerden Syrië ook via internet en televisie. Syrië was daar niet immuun voor. In 2006 werd de hardste klap uitgedeeld aan het ‘sektariseringsproject’ in de regio door de Libanonoorlog waarbij Hezbollah het Libanese verzet leidde tegen de Israëlische agressie tegen Libanon.

De Arabische Lente leek voorgoed een einde gemaakt te hebben aan enige sektarische pretentie, maar de Arabische counterrevolutie werd geleid door allerlei kampen die tegen elke structurele veranderingen waren in de regio; de reactionaire Golfstaten, het westerse imperialisme, de zogenaamde revolutionaire staten (zoals Libië, Algerije en Syrië). Het sektarische discours was immers een van de wapens om het revolutionaire elan te vertragen, zeker wat betreft de reactionaire Golfstaatjes.

In Tunesië en Egypte werden alle taboes doorbroken en viel de angstbarrière helemaal weg. Zo ook de vele vooroordelen. Seculier en islamist, links en liberaal, moslim en christen, jong en oud, vrouw en man, rijk en arm: iedereen participeerde in de opstanden in Tunesië en Egypte.

Dit leek misschien een geromantiseerd beeld, maar het was ook zo, omdat niemand de revolutie kon monopoliseren door te claimen dat zijn of haar politieke stroming/visie/partij de opstand had gestart of geleid.

Een opvallend stramien was dat de staatsbenoemde religieuze leiders de kant kozen van het regime tegen de opstand. In Egypte waren zowel de staatspatriarch Shenoda als de staatsmoefti tegen de revolutie. Ook probeerde het Egyptische regime te anticiperen op een mogelijke staatsopstand door een aanslag te plegen op een kerk (Oudejaarsnacht 2010 in Alexandrië), om sektarische animositeit te creëren.

Maar die door de regering georkestreerde aanslag bleek niet sterk genoeg om de Egyptische sociale cohesie te ontwrichten. Het is wel tekenend dat het gefaalde Moebarak-regime het sektarisme als laatste kaart gebruikte om haar houdbaarheidsdatum te verlengen.

Conclusie

De belangrijkste conclusie die we kunnen trekken uit sektarisme in Syrië, en bij uitbreiding in het hele Midden-Oosten, is dat sektarisme tweeledig is qua constructie, oorsprong en zelfs waarachtigheid. Het denken vanuit je eigen sekte in politieke termen is relatief nieuw. Het politieke discours in de Arabische wereld was er nooit een van: ‘wij soennieten willen’ of, ‘wij druzen denken’, ‘wij sjiieten eisen’, etc.

Sektarisme is dus vooral een perceptie die levendig wordt gehouden, en misbruikt wordt als de politieke nood hoog is. Zelfs de Syrische onvrede over de vredesakkoorden tussen Egypte en Israël, werd door de toenmalige Egyptische president Anwar Sadat – de meest onpopulaire Arabische leider ooit – gekaderd in sektarische termen, waarbij hij de alawietische kaart trok om zo het grote verraad bij het Egyptische volk te legitimeren.

Aan de andere kant is het sektarisme een self-fulfilling prophecy. Minderheden zoeken sociale cohesie bij elkaar, met name als de dominante stroming binnen de maatschappij haar toevlucht zoekt in een soort tolerantie-discours, waarbij zij vraagt, of beter gezegd eist, dat zij het land leidt, en dat de andere groeperingen haar superioriteit aanvaarden. Net zoals er meerderheids- en minderheidsracisme is, bestaat er ook meerderheids- en minderheidssektarisme.

Elke diepe politieke analyse dient zich te onttrekken aan het simplistische reductionistische sektarische paradigma van een Midden-Oosten waarin politiek zou worden bepaald door de sekte waartoe je behoort. In feite zijn belangen, en in zekere zin ideologie, nog steeds de belangrijkste determinanten van de politieke decision-making van de meeste actoren in het Midden-Oosten, zelfs van diegenen die het sektarisme te pas en te onpas hanteren. 

 

De zeven thema’s die volgen, zijn:

  1. de oorsprong en evolutie van het sektarisme;
  2. de opkomst en neergang van de Ba’ath-partij;
  3. de evolutie van de Syrische maatschappij in de postkoloniale periode;
  4. de Syrische politiek sinds het aantreden van Bashar al-Assad;
  5. de Syrische oppositie;
  6. de geo-politieke dimensies van de Syrische opstand;
  7. een reconstructie van de opstand zelf.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!