about
Toon menu
Reportage

Het zwarte goud van gehandicapten in Benin (2)

Het sociale en ecologische drama van de olie-industrie in Nigeria is in het Westen ruimschoots bekend. Een minder bekend verhaal dat ermee samenhangt, is hoe buurland Benin voor zijn brandstofvoorziening afhankelijk is geworden van illegale oliesmokkel uit Nigeria. Het meest opvallende fenomeen zijn de Beninse gehandicapte oliesmokkelaars en hun eigenaardige driewielige Vespa’s. Een tweede reportage over dit fenomeen.
maandag 13 augustus 2012

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

doc

De liberalisering van de Beninse petroleummarkt

In Benin heeft niet alleen de goedkope Nigeriaanse olie maar ook de liberalisering van de petroleummarkt sterk bijgedragen tot de groei van de parallelle petroleumhandel. Midden jaren '90 - net na het monetaire drama van de devaluatie van de CFA (zie uitleg over CFA in artikel I, nvdr) in 1994 - drongen het IMF en de Wereldbank er ook op aan om de door de overheid gedomineerde Beninse petroleummarkt open te stellen voor binnenlandse en buitenlandse actoren.

Het aanvankelijk goeddraaiende overheidsbedrijf Societé Nationale de Commercialisation des Produits Petroliers (Sonacop) dat instond voor de aankoop en distributie van petroleumproducten kwam daardoor voor een stuk in Beninse en buitenlandse privéhanden terecht. Maar het grootste aandeel (55%) van Sonacop kwam in handen van het privébedrijf Continentale de Pétrole et Investissements (CPI), eigendom van de Beninse zakenman Séfou Fagbohoun.

Daarnaast leidde de liberalisering van de Beninse petroleummarkt ook tot de komst van westerse petroleumbedrijven zoals Oryx, Total, Texaco en Chevron, die na de voltooiing van de gedeeltelijke liberalisering van Sonacop in 1999 vooral in het zuiden van Benin hun tankstations openden. Rond die tijd begon het gebruik van petroleum ook toe te nemen. De voortdurende stroomonderbrekingen zorgden immers voor een felle toename in het gebruik van stroomgeneratoren die op dieselolie werken. Ondertussen is het gebruik van stroomgeneratoren overal in Benin een vast gegeven worden.

Een dolk in de rug van het Beninse volk

Zoals te verwachten viel, had de liberalisering van de Beninse petroleummarkt een aantal nefaste gevolgen. Voor wie een beetje vertrouwd is met de neoliberale 'bevrijdingstheologie' klinken sommige van deze nadelige gevolgen zelfs heel bekend in de oren.

Zoals bekend, luidt één van de belangrijkste neoliberale mantra’s dat de privatisering van overheidsbedrijven zal leiden tot meer competiviteit op een geliberaliseerde markt, wat op zijn beurt voor prijsdalingen zal zorgen. We weten ondertussen dat dit bijvoorbeeld niet gebeurde bij de liberalisering van de Belgische energievoorziening. De liberalisering van de Beninse petroleummarkt onderging eveneens hetzelfde lot: in 2000 stegen de petroleumprijzen aan de pomp met maar liefst 78 procent.

Liberalisering is desinvestering

De liberalisering is ook niet gepaard gegaan met nieuwe broodnodige investeringen in infrastructuurwerken, opslagcapaciteit en distributienetwerken. Er kwam enkel een petroleumterminal bij in de haven van Cotonou, gefinancieerd door de bedrijven Addax en Oryx Group.

Het gedeelte van Sonacop dat werd geprivatiseerd, bleek ook sterk onder de werkelijke waarde van het overheidsbedrijf van de hand te zijn gedaan. Zo kocht Fagbohoun zijn aandeel voor iets meer dan 10 miljard CFA, terwijl het aandeel een waarde had van 23 miljard CFA. Deze operatie doet uiteraard denken aan hoe de Belgische overheid enkele jaren geleden verschillende overheidsgebouwen voor een appel en ei van de hand deed.

Liberlaisering is corruptie

Maar het grote kwaad kwam pas enkele jaren later bovendrijven, na een controle van de boekhouding van Sonacop door onderzoekers van de Union Economique et Monétaire Ouest Africaine (UEMOA-Economische en Monetaire Unie van West-Afrika). Zo bleek de gedeeltelijke liberalisering van Sonacop ook nog eens op frauduleuze wijze te zijn verlopen.

De onderzoekers kwamen er namelijk op uit dat Fagbohoun zijn deel van Sonacop had aangekocht met geld uit de kas van het overheidsbedrijf zelf. Men kwam hier op uit omdat Sonacop een schuld bleek te hebben van iets meer dan 4 miljard CFA aan onbetaalde douane- en fiscale facturen.

Bovendien had Fagbohoun samen met zijn trawanten ook op frauduleuze wijze olievoorraden van privéondernemingen ontvreemd en 8 miljard CFA gestolen bij bestelde investeringen voor infrastructuurwerken die nooit werden uitgevoerd. Wat er dus gebeurde is dat een malafide zakenman met niets anders dan hulp uit de Beninse overheid, de Beninse staat en enkele privéondernemingen oplichtte. In totaal zou hij 34 miljard CFA hebben achterover hebben gedrukt.

Deze Sonacopaffaire is natuurlijk een beklijvend voorbeeld van corruptie waar vele Afrikaanse landen voortdurend gebukt onder gaan. Maar corruptie is natuurlijk geen typisch Afrikaans product. Het is vooral de schaamteloze wijze waarop Fagbohoun zijn hand heeft gelegd op Sonacop, dat doet denken aan de Dexia-affaire in België. Een bedrijf kopen met geld uit de kas van het bedrijf zelf is immers even schaamteloos als een bank dat het geld van haar spaarders kwijtspeelt op de beurs en vervolgens bij de regering gaat aankloppen om de rekening te laten betalen door de spaarders zelfs.

Volgens Adrien Ahanhanzo Glèle, voorzitter van Transparancy International Bénin was de uitverkoop van Sonacop ronduit een economische misdaad – het was een dolksteek in de rug van de Beninse bevolking. Doordat Fagbohoun voor zijn misdaad op hulp kon rekenen uit politieke middens, kon hij aan gerechtelijke vervolging ontsnappen.  Hij bracht dan ook slechts enkele dagen door in de gevangenis. Net zoals met vele andere lopende corruptiezaken in Benin heeft de overheid haar geld niet meer teruggezien. 

Liberalisering wordt ondergang van Sonacop

Naast de liberalisering van Beninse petroleummarkt drong het IMF er bij de Beninse regering ook op aan om een liberaal prijsmechanisme te introduceren. Concreet betekende dit dat de prijzen aan de pomp een weerspiegeling moesten zijn van de prijzen op de wereldmarkt. Om de prijzenslag met de parallelle petroleummarkt echter bij te houden, zag de regering zich genoodzaakt een subsidiëringmechanisme te introduceren maar omdat de prijsstijgingen door de wereldmarkt worden bepaald heeft dat echter niet veel uitgehaald.

Na 1999 was de Beninse regering niet meer in staat om de brandstoffen goedkoper aan te bieden dan verkrijgbaar op de parallelle petroleummarkt. Naast de financiële kater die Sonacop overhield aan de gedeeltelijke liberalisering, brachten de bijkomende zware subsidiëringen het overheidsbedrijf naar de financiële afgrond. Voor zover Sonacop nog in handen was van de overheid, was het bedrijf dan ook niet meer in staat om verder te investeren in opslagcapaciteit en distributie.

Maar het kon nog erger, want wegens een nieuwe stijging van olieprijzen op de internationale markt werd het noodlijdende Sonacop in 2005 voor de eerste keer geconfronteerd met grote petroleumtekorten. De staat injecteerde weliswaar nog een budget van 3 miljard CFA maar zelfs dat bedrag bleek niet genoeg te zijn om de nijpende tekorten overal in het land weg te werken.

Zelfs de toevoer vanuit de parallelle petroleumhandel bleek niet te volstaan om de tekorten op te vangen. Dit kwam omdat er ondertussen ook een informele exporthandel was ontstaan van goedkope legale en illegale Beninse olie naar Niger, Mali en Burkina Faso. Zowel de legale Beninse benzine van de pomp als de gesmokkelde kpayo (zie artikel 1 voor uitleg, nvdr) uit Nigeria was immers nog steeds goedkoper dan wat er in de naburige landen viel te verkrijgen.

Bening wordt een 'informeel land'

Uiteindelijk kon de pas verkozen president, Thomas Yayi Boni, in 2006 de petroleumtekorten opvangen met Libische olie. Door alle financiële katers die de gedeeltelijke liberalisering van Sonacop met zich meebracht, is het overheidsbedrijf uiteindelijk in een vicieuze cirkel van grote schuldenlasten terechtgekomen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de herleiding van Sonacop tot een zombieachtig overheidsbedrijf in sterke mate heeft bijgedragen tot een exponentiële groei van de parallelle petroleumhandel.

Al in 2001 was 70 procent van de brandstofvoorziening in handen van de illegale petroleummarkt. De verwoede pogingen van president Yayi Boni om na de petroleumcrisis van 2005 de parallelle petroleummarkt te formaliseren, hebben evenmin de groei ervan kunnen tegenhouden. Daarom zou volgens schattingen 80 tot 90 procent van de Beninse brandstofvoorziening tegenwoordig afhankelijk zijn van de informele handel in kpayo.

Albert Tévoédjrè, een vaste waarde in de Beninse politiek sinds de onafhankelijkheid, beweerde recentelijk dan ook dat Benin nu net door de kpayo handel een ‘informeel land’ dreigt te worden. Het zijn pathetische woorden. Nochtans zit er een grond van waarheid in, omdat de Beninse economie ondanks de mooie ontwikkelingbeloftes van de neoliberale IMF-hogepriesters en hun Beninse slippendragers voor 80 tot 90 procent op informele wijze draaiende wordt gehouden.

(Wordt vervolgd)

Deze reportage is tot stand gekomen met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondre journalistiek – www.fondspascaldecroos.org