Nicaragua. Foto: Jorge Mejía Peralta
Opinie -

‘Ay nicaragua nicaragüita’, linkse verdeeldheid over Sandinisme

Op 12 februari 2022 verscheen op deze site het artikel 'Wat je over Nicaragua in de mainstream media niet zal lezen', een gedeeltelijke vertaling van een uitvoerig artikel van Maurice Lemoine, voormalig hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique. Walter Lotens is het oneens met de visie in dit artikel op Nicaragua en president Ortega. Hij zet de puntjes op de i van links.

maandag 14 februari 2022 21:05
Spread the love

 

Nicaragua wordt volgens Maurice Lemoine negatief geframed in de mainstream media. Daarom zet Walter Lotens enkele puntjes op de i van links. Hij schrijft bijdragen voor o.a. www.uitpers.be, een kritische Webzine voor Internationale Politiek die zeker niet tot die mainstream media behoort. De verdeeldheid over Nicaragua is immers groot.

 

De glimlach van een jaguar

Er was eens een meisje in Nicaragua

dat glimlachend rondreed op een jaguar.

Aan het eind van de rit

zat het meisje achter het gebit

en de glimlach op het gezicht van de jaguar.

(Nicaraguaanse limerick)

 

Foto: LV

De feiten waren duidelijk voor mij in 1985: een arrogante Noord-Amerikaanse inmenging en fanatieke contra’s probeerden een prille revolutie de nek om te draaien.

Dat was voor mij tevens een antwoord op het dilemma dat Salman Rushdie voorlegde via een anonieme Nicaraguaanse limerick in zijn Nicaraguaans reisverslag ‘De glimlach van een jaguar’ (1987). Hij schreef dat boek in 1986 tijdens zijn kort bezoek aan Sandinistisch Nicaragua1.

In 1985 en in 1989 maakte ik deel uit van een syndicale brigade om de Sandinisten te ondersteunen. De internationale solidariteitsbeweging was groot toen. Het vertrouwen in de Sandinisten ook. Evenals het geloof in de revolutionaire veranderbaarheid van de maatschappij.

Natuurlijk, dacht ik, staat het meisje voor de nog frisse revolutie en is de jaguar het yankee-imperialisme. Dat het jonge meisje ook wel eens Sandinistisch Nicaragua had kunnen zijn en de jaguar de revolutie was op dat ogenblik ondenkbaar.

Een land in oorlog moet noodgedwongen een verticale organisatiestructuur hanteren. Om te kunnen reageren op de sabotage van de CIA, op contra-aanvallen, op de economische boycot van de VS, op de tendentieuze artikelen in het liberale dagblad La Prensa en op de donderpreken van de conservatieve bisschop Obando y Bravo moest men ook autoritair kunnen optreden.

Enige kritische distantie ten aanzien van het FSLN bestond er amper2. Wij brigadisten hadden het volste vertrouwen in de negen Sandinistische comandantes. En zeker in Daniel Ortega: guerrillero van het eerste uur, gevangene van dictator Anastasio Somoza en in 1985 tot Nicaraguaanse president verkozen.

 

De titel van het artikel verwijst naar het lied Nicaragua Nicaragüita van de Nicaraguaanse muzikant, componist en zanger Carlos Mejía Godoy:

Linkse verdeeldheid

37 jaar later liggen de kaarten helemaal anders. Wat is er nog overgebleven van dat revolutionaire Sandinisme? En hoe springen Daniel Ortega, de 76-jarige revolutionair van het eerste uur en zijn vrouw Rosario Murillo, de huidige vicepresident, daarmee om? De westerse eensgezindheid van links rond de steun aan het Sandinistische Nicaragua dateert van de jaren 1980, maar die is intussen ver te zoeken.

Het regime-Ortega wordt scherp op de korrel genomen door een deel van de linkerzijde en weggezet als een regelrechte dictatuur. Ook (inter)nationaal wordt er door links warm en koud geblazen.

President Daniel Ortega en vice-presidente Rosario Murillo, zijn echtgenote. Foto: alainet.org

Enkele voorbeelden. Bernard Duterme van het Centre Tricontinental zet zich in zijn commentaren en analyses in Alternatives Sud voluit achter de oppositie tegen het Ortega-regime. Dat doet ook William I. Robinson die nu hoogleraar professor sociologie en Latijns-Amerika studies is aan de Universiteit van Californië in Santa Barbara. Hij werkte in de jaren 1980 in Managua bij het Nicaragua News Agency en het Nicaraguaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ook het Spaanstalige alai.net neemt – enigszins verwonderlijk, zo lijkt mij – het artikel Nicaragua: triunfo sandinista e injerencia internacional van Carlos Mauricio Ferolla op over de recente verkiezingen in haar digitale nieuwsbrief dat duidelijk vanuit een pro-Ortega houding is geschreven.

En dan heb ik het uiteraard nog niet over facebook waar de internationale pro’s en contra’s in alle talen rond je oren vliegen.

De tegenstanders

Volgens de huidige tegenstanders van het Ortega-regime zit – remember de Nicaraguaanse limerick hierboven – het meisje dat de revolutie voorstelt nu achter het gebit van de jaguar.

In open brieven aan Daniel Ortega, ondertekend door vele solidariteitswerkers uit de jaren 1980, wordt de Nicaraguaanse regering opgeroepen “meer dan 130 politieke gevangenen vrij te laten, de draconische nationale veiligheidswet waaronder deze personen werden gearresteerd in te trekken en ongeldig te verklaren, en te onderhandelen over electorale hervormingen om vrije en eerlijke verkiezingen te garanderen”.

Belangrijk hierbij op te merken is dat de briefondertekenaars benadrukken dat de misdaden van de Amerikaanse regering – in het verleden en heden – geen rechtvaardiging of verontschuldiging zijn voor de misdaden tegen de menselijkheid begaan door het huidige regime van Daniel Ortega en Rosario Murillo.

FSLN Comandante Dos Dora María Téllez (geruit hemd) in 1979. Foto: Dora María Téllez/Public Domain

Honderden tegenstanders van het regime werden in de voorbije jaren van hun bed gelicht en verdwenen in de cel. Ook oud-strijders van het eerste uur, met name een aantal historische revolutionaire leiders, waaronder de legendarische guerrillacommandanten Dora María Téllez en Hugo Torres.

Beiden namen deel aan de inval in 1978 in het Nationaal Paleis die de Somoza-dictatuur dwong om 60 politieke gevangenen te bevrijden, en Torres nam ook deel aan de gedurfde kerstfeestaanval van 1974 die Somoza dwong Daniel Ortega uit de gevangenis te bevrijden.

Op dit ogenblik komt het bericht binnen dat Hugo Torres, nu 72 jaar, in gevangenschap is overleden. Een zeer akelige coïncidentie op een ogenblik dat Maurice Lemoine de verdediging van het Ortega-regime op zich meent te moeten nemen.

Ook internationale ngo’s moesten het ontgelden. Het Nicaraguaanse ministerie van Binnenlandse Zaken beschuldigde ze ervan ‘de controle en het toezicht’ te belemmeren op hun rekeningen en op de herkomst en de begunstigden van de giften die ze beheren.

Hugo Torres Jiménez. Foto: Confidencial/CC BY-SA 3:0

Het gaat respectievelijk over de Amerikaanse ngo’s National Democratic Institute For International Affairs (NDI), International Republican Institute (IRI) en Helping Hands The Warren William Pagel M.B. Foundation en om de Europese organisaties Oxfam Itermon (Spanje), Oxfam Ibis (Denemarken) en Diakonia (Zweden).

“Het is een situatie die we niet meer hebben gezien sinds de tijd van de Somoza’s of van de oorlog tegen de Verenigde Staten. Het is angstaanjagend”, zegt de bekende schrijfster Gioconda Belli, voorzitter van de afdeling Nicaragua van PEN International en ooit medestander van Daniel Ortega en het FSLN van de jaren 1980.

Volgens Belli heeft het Sandinistische regime “de verschrikkingen van de Latijns-Amerikaanse dictaturen uit het verleden overtroffen” door zijn aanvallen op boeren, studenten, feministen, religieuze groeperingen en ten slotte journalisten en media.

De voorstanders

Daartegenover stellen de linkse verdedigers van het huidige Ortega-regime dat Nicaragua een nieuw revolutionair proces doormaakt en dat de Verenigde Staten erop uit zijn het Sandinistische regime omver te werpen. Twee belangrijke argumenten worden daarvoor aangehaald.

Er wordt ten eerste verwezen naar de sociale programma’s die door Daniel Ortega zijn geïntroduceerd toen hij in 2007 weer aan de macht kwam en die Nicaragua volgens hen op socialistische weg hebben gehouden.

Ten tweede wordt er zeer uitdrukkelijk verwezen naar de Amerikaanse financiering voor een aantal Nicaraguaanse organisaties die banden zouden hebben met de anti-Sandinistische oppositie. Een bekende vertolker van dit standpunt is Maurice Lemoine, ex-hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique.

Hij analyseert zeer uitvoerig en met veel eruditie welke nefaste invloed de VS op het binnenlands beleid van Nicaragua hebben en hoe die van daaruit het repressieve beleid van de Ortega-regering als het ware legitimeert. Dat doet hij ook nu weer in zijn artikel3 op dewereldmorgen.be. Diezelfde eenzijdige en pardonnerende benadering komt ook terug in de analyse van sommige linkse auteurs in dit land.

Inderdaad, Nicaragua behoorde altijd tot de zogenaamde achtertuin van Uncle Sam met alle gevolgen van dien – en dat blijft ongetwijfeld nog steeds de ambitie van de VS – maar daarnaast kunnen we toch ook niet voorbij gaan aan de interne ontwikkelingen van het Sandinisme in Nicaragua in de dertig jaar tussen 1990 en vandaag.

Een meedogenloze Amerikaanse interventie in de jaren 1980, waaronder een contrarevolutionaire militaire campagne, een economisch embargo en interne politieke inmenging leidden er uiteindelijk toe dat de Sandinisten in 1990 uit hun ambt werden gestemd.

Op 1 januari 1990 werd Violeta Chamorro president. Naast haar toenmalig verliezer Daniel Ortega. Foto: Fundación Violeta Chamorro/Public Domain

Vanaf dat cruciale jaar waarin het FSLN zeer nipt de verkiezingen verloor en Violeta Barrios de Chamorro president werd, begon de internationale solidariteit met Nicaragua sterk af te zwakken. In de hele wereld verminderde de aandacht voor dat Midden-Amerikaans land. Managua, eens het centrum van de internationale pers, werd terug de gewone hoofdstad van een klein Midden-Amerikaans landje met nu ongeveer 6,4 miljoen inwoners.

De Sandinistische partij was na de machtswisseling aan herbronning toe en dat gebeurde buiten het blikveld van internationaal links dat andere richtingen uitkeek. De electorale nederlaag van 1990 dompelde de Sandinistische partij in een scherpe interne crisis over programma’s, ideologische oriëntatie en strategie.

De Sandinistische achterban verzette zich tijdens de regering-Chamorro van de jaren 1990 weliswaar tegen het neoliberale programma dat het land werd opgelegd door de VS en de internationale financiële agentschappen in samenwerking met de lokale kapitalistische klasse en conservatieve politici.

Tegelijk ontstond er echter een kloof tussen de kleine Sandinist van de straat en een nieuwe elite die zich begon te vormen. De zogenaamde piñata, een uitdeelfeestje dat plaats vond tijdens de regimeverandering van 1990 waarbij sommige Sandinisten, waaronder de gebroeders Ortega, aanzienlijke eigendommen hadden verworven die tot het collectieve patrimonium van de revolutie behoorden, was een zeer veeg teken aan de wand.

In de jaren 1980 trokken de negen comandantes naar buiten toe aan één zeel, maar de piñata toonde een minder voorbeeldige kant van enkele vooraanstaande Sandinisten. Het was de voorbode van die tweespalt in het Sandinisme.

‘We blijven Nicaragua veranderen’, ‘Nicaragua, christelijk, socialistisch, solidair’. Campagne-affiches van Ortega. Foto: Sven Hansen/Flickr

Naarmate de jaren 1990 vorderden, begonnen nieuwe Sandinistische landeigenaren en zakenlieden een affiniteit te ontwikkelen met de klassenbelangen van en zich aan te sluiten bij de traditionele bourgeoisie.

“Gedurende dat en het daaropvolgende decennium verlieten honderden historische Sandinistische leiders samen met duizenden partijleden het FSLN of werden uit het FSLN verdreven omdat de Ortega-factie een ijzeren greep op het partijapparaat kreeg en alle pogingen om de partij te vernieuwen en te democratiseren onderdrukte”.

“Hierdoor werd het FSLN gereduceerd tot een lege huls van de historische partij. Toch bleef de FSLN-leiding zichzelf legitimeren met een revolutionair discours dat niet langer overeenkwam met enig ander politiek programma of gedrag dan dat van het bevorderen van de eigen groepsbelangen en het veiligstellen van een plaats onder het dominante blok in de nieuwe neoliberale orde”.

Dat schrijft William I. Robinson in Crisis in Nicaragua I: is de regering Ortega-Murillo links?. Hij is nu hoogleraar professor sociologie en Latijns-Amerika studies is aan de Universiteit van Californië in Santa Barbara. Hij werkte in de jaren tachtig in Managua bij het Nicaragua News Agency en het Nicaraguaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Tot 2001 was hij verbonden aan de UCLA, de Centraal-Amerikaanse Universiteit van Managua. Volgens hem ging het FSLN almaar meer de opportunistische toer op en in 1999 werd een pact gesloten met een vleugel van de traditionele oligarchie, bekend als de Liberale Alliantie, waarbij de twee politieke krachten onderhandelden over een regeling voor het delen van de macht.

Augusto César Sandino (1895-1934). Foto: Public Domain

Ook met de voormalige leden van de gewapende contrarevolutie (de contra’s) en met de conservatieve katholieke kerkhiërarchie en evangelische sekten raakten de Ortega’s on speaking terms.

Ortega kwam dan uiteindelijk in 2007 opnieuw aan de macht en blijft het na zijn verkiezingsoverwinning van 2021. Hij beloofde absoluut respect voor privé-eigendom en onbeperkte vrijheid voor het kapitaal en regeerde vervolgens samen met de kapitalistische klasse, georganiseerd in de Hoge Raad voor het Particulier Bedrijfsleven (COSEP), tot deze laatste met Ortega brak in de nasleep van de protesten van 2018 waarbij heel veel doden vielen.

William I. Robinson daarover: “Na haar herintreding nationaliseerde de regering opnieuw de gezondheidszorg en het onderwijs, verhoogde ze de sociale uitgaven, investeerde ze in infrastructuur en introduceerde ze andere welzijnsprojecten (uit te delen via FSLN-patronagenetwerken).”

“Deze sociale programma’s waren welkome en belangrijke aanwinsten voor de volksklasse na jaren van meedogenloze privatisering en bezuinigingen. Maar ze veranderden niets aan het in essentie neoliberale model dat was ingevoerd door de drie regeringen die aan Ortega’s terugkeer naar de macht voorafgingen.”

“Ortega-Murillo verdedigde krachtig en gewelddadig de bestaande klasse- en eigendomsverhoudingen en kreeg lof toegezwaaid van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank voor hun pro-kapitalistische, pro-multinationale ondernemingsbeleid, alsook lof van de Verenigde Staten voor hun samenwerking met het Amerikaanse Southern Command, de DEA (Drug Enforcement Agency) en het Amerikaanse immigratiebeleid.”

De eerste jaren van zijn bewind ging het Ortega voor de wind: de grondstofprijzen waren hoog, internationale kredieten bleven overvloedig vloeien en de kraan van enkele miljarden dollars van de Venezolaanse petrodollarsubsidie bleef open … tot de economische crisis vanaf 2014 toesloeg.

De armoedecijfers begonnen fors te stijgen tot bijna 45 procent van de totale bevolking. In 2018 sloeg dan de sociale vlam in de pan nadat bezuinigingsmaatregelen van de regering geleid hadden tot de verlaging van de pensioenen en verhoging van de pensioenbijdragen door werknemers en werkgevers.

Amaya Coppens (m). Foto: State Department/Public Domain

De protesten waarbij vaak ironisch genoeg ook de kinderen van de eerste generatie Sandinisten betrokken waren, werd bloedig onderdrukt. Denken we maar aan het ook in België bekend geval van Amaya Coppens die maandenlang in de gevangenis doorbracht.

Het tweede argument dat gehanteerd wordt door een bepaalde linkerzijde om het het harde optreden van de regering-Ortega te rechtvaardigen is de bewering dat de gearresteerde Nicaraguanen buitenlandse agenten zouden zijn die deel uitmaken van een Amerikaanse samenzwering om een staatsgreep uit te voeren.

Ter ondersteuning van deze bewering wijzen aanzienlijke delen van internationaal links op Amerikaanse financiering voor Nicaraguaanse oppositieorganisaties. Er wordt dan gewezen op de miljoenen dollars die het U.S. Agency for International Development (USAID) via de National Endowment for Democracy (NED) uitgeeft aan niet-gouvernementele organisaties, mediakanalen en ondernemersorganisaties die banden hebben met de oppositie.

Is dat wel zo en – vooral – willen de VS wel een regimeverandering? Dat zijn de vragen die Willliam I. Robinson opwerpt in een tweede artikel onder de titel in vraagvorm Crisis in Nicaragua II: probeert de VS de regering Ortega-Murillo omver te werpen?.

Geven de VS via het USAID en de NED financiële steun aan sommige niet-gouvernementele organisaties, mediakanalen en bedrijfsverenigingen die bij de oppositie betrokken zijn? Ja natuurlijk, schrijft de linkse auteur, dat behoort nu eenmaal tot het DNA van de imperialistische VS, maar dat is niks nieuw.

Hij argumenteert: “Financiering in Nicaragua begon al halverwege de jaren 1980 en is nooit gestopt. Het is niet nieuw in de Ortega-Murillo-periode. In de jaren 1980 maakte het deel uit van de contrarevolutionaire strategie.”

In de jaren 1980 was Nicaragua nog het paradepaardje van alle progressieve krachten. Foto: LV

“Vanaf 1990 heeft deze strategie geprobeerd de pro-neoliberale/kapitalistische krachten te versterken, deze krachten te helpen de hegemonie in het maatschappelijk middenveld te bereiken, de transnationale kapitalistische agenda in het land te promoten en elke radicalisering van de basis te voorkomen.”

“De beschuldiging dat deze financiering bedoeld was om de regering omver te werpen, is moeilijk vol te houden, aangezien Ortega mede heeft geregeerd met dezelfde krachten, ondersteund door de NED. Het NED-programma in Nicaragua verschilt van dat in landen als Cuba, Venezuela of Iran, waar ze een onderdeel vormen van totale destabilisatiecampagnes.”

Volgens hem is de houding van de VS ten opzichte van die drie landen heel anders dan tegenover Nicaragua waartegen onder de Ortega’s nieuwe versie geen verwoestende destabilisatiecampagnes met economische blokkades en sancties worden gevoerd zoals in de jaren 1980 en die nu ook nog in die drie landen plaats vinden.

Neen, Nicaragua blijft vanaf het aantreden van Ortega in 2007 en dat tot op heden onderdeel van de Midden-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (CAFTA). De Verenigde Staten blijven ook Nicaragua’s belangrijkste leverancier van aardolie. De handel met de Verenigde Staten trekt aan en bedroeg in 2020 meer dan $ 5 miljard.

Cristiana Chamorro, dochter van presidente Violeta Chamorro (1990-1997), opposante van Daniel Ortega. Foto: medelu.org

Robinson merkt ook op dat de financiering van USAID voor Nicaragua in de 14 jaar dat Ortega aan de macht was honderden miljoenen dollars bedraagt. Hij benadrukt dat het overgrote deel van dit bedrag naar de regering zelf gegaan is – naar gezondheids- en onderwijsprogramma’s, export-importondersteuning, voedselhulp en goederenondersteuning, drugsbestrijdingsoperaties, technische bijstand voor ontwikkelingsprogramma’s van de overheid, enzovoort. Zijn conclusie is dan ook duidelijk: het is daarom gewoon niet houdbaar om te beweren dat USAID-programma’s in Nicaragua ‘regimeverandering’ nastreven.

“De voornaamste zorg van Washington in Nicaragua is niet Ortega uit de weg te ruimen. De belangrijkste zorg van Washington in mijn analyse is niet om van Ortega af te komen, maar om, in het licht van een crisis die voortkwam uit interne tegenstellingen, de belangen van het transnationale kapitaal in het land en de hegemonie van het kapitaal over elk politiek project na Ortega te behouden.”

Een deel van de linkerzijde weigert om de interne tegenstellingen en de repressie van de Ortega-clan te analyseren en schuift zoals Maurice Lemoine alle schuld daarvoor in de schoenen van de yankees.

De waarschuwing die vervat zit in de Nicaraguaanse limerick waarnaar Salman Rushdie al in 1986 verwees, nodigt echter uit om de verwording van het revolutionair proces onder ogen te zien. De revolutie is al lang niet meer het jonge meisje dat op de jaguar zit. Het zit nu achter het gebit van een jaguar die almaar meer de trekken van Daniel Ortega begint te vertonen.

Het Orteguisme heeft het Sandinisme verdrongen. Mocht Augusto César Sandino weten hoe zijn naam misbruikt wordt zou hij zich zeker omdraaien in zijn graf.

Selectieve blindheid

Links tegen links. Verdeeldheid alom. Hoe kan dat toch? Een deel van de linkerzijde weigert dus om de interne tegenstellingen en de repressie van de Ortega-clan te analyseren en schuift alle schuld daarvoor in de schoenen van de yankees. De mensen die deze stelling verdedigen zijn volgens mij selectief doof.

Dat is erg, maar wat nog erger is dat die selectieve doofheid geen nieuwe kwaal is waaraan een deel van de linkerzijde lijdt. Die selectieve blindheid van sympathiserende fellow-travellers heeft zich in de golfbewegingen van de internationale solidariteitsbeweging wel vaker voorgedaan.

Ik schreef daarover al in 1998, met Nicaragua als voorbeeld, in mijn boek ‘Deuken in Sandino’s hoed’. De zogenaamde piñata, een uitdeelfeestje dat plaats vond tijdens de regimeverandering van 1990 waarbij sommige Sandinisten, waaronder de gebroeders Ortega, aanzienlijke eigendommen hadden verworven die tot het collectieve patrimonium van de revolutie behoorden, was een zeer veeg teken aan de wand.

In de jaren 1980 trokken de negen comandantes naar buiten toe aan één zeel, maar de piñata toonde een minder voorbeeldige kant van enkele vooraanstaande sandinisten. Het was de voorbode van die tweespalt in het Sandinisme, maar vele sympathisanten vingen die signalen niet op. Ze bleven er blind voor.

Die blindheid wordt veroorzaakt door een vorm van doorgeschoten ideologisch denken met een hoog utopisch gehalte. Utopisch denken kan zeer inspirerend zijn maar kan ook als een tweesnijdend zwaard werken.

Ik baseer me daarvoor op Hans Achterhuis die in zijn filosofische werken vaak verwijst naar de grote mogelijkheden, maar ook waarschuwt voor de grote gevaren die aan dat denken verbonden zijn.

“Als het om utopisch denken gaat,” zo zegt hij, “staat er maatschappelijk veel op het spel. Enerzijds is er sprake van idealen en hoop op maatschappelijke verbeteringen die vaak hun neerslag vinden in utopisch denken, anderzijds is er de verleiding en het gevaar van dit denken dat vaak met zijn protagonisten op de loop gaat.”

Juist omdat er in de utopische benaderingswijze zoveel dromen, hartstochten, verwachtingen en belangen zijn geïnvesteerd, is er sprake van bijziendheid en blindheid voor bepaalde – vaak minder aangename – aspecten van de utopische werkelijkheid. Dat gebeurde trouwens in al die landen en continenten waar de revolutie zogezegd voor de deur stond of gaande was.

Achterhuis verwijst naar een aantal historische voorbeelden en laat daarbij ook de namen van Jean-Paul Sartre en Simonne de Beauvoir vallen. “Het gaat dan vaak om bezoekers, vaak westerse linkse intellectuelen, die in de periode van het toenmalige ‘reëel bestaande socialisme’ van de Sovjet-Unie en China tot Cuba en Albanië geen enkele maatschappelijke misstand konden ontdekken.”

Hans Achterhuis. Foto: Vysotsky/CC BY-SA 4:0

“Integendeel, zij prezen de socialistische samenlevingen die zij bezochten bijna de hemel in. Het egaliserend maatschappijproject fascineerde en daarom nam men het paternalistisch top-down-model er zonder veel kritiek bij.”

Het is een beetje als met de figuur van comandante Tomás Borge, die stormenderhand de Europese auditoria veroverde. Het solidaire publiek luisterde geboeid naar de literaire zeggingskracht van deze dialectisch geschoolde intellectueel.

Dat achter deze kleine olijfgroene gestalte ook een gehaaide sabelvreter schuilging die de jarenlange reflexen van een verticalistische voorhoedebeweging in zich draagt, werd niet opgemerkt of voor lief genomen.

Het leninistische gedachtegoed als politieke vertaling van het marxisme met onder meer de rol van de ‘wetende’ voorhoede en van het zogenaamd democratisch centralisme heeft in de 20ste eeuw tot heel wat miserie geleid, van de Sovjet-Unie tot Cambodja bijvoorbeeld. Daarvoor even een duik in de geschiedenis.

Kleine en grote goedheid

Vasili Grossman in Duitsland in 1945. Foto: Fair Use

Zo kwam de Russische schrijver Vasili Grossman, ooit de beroemdste oorlogscorrespondent van de Sovjet-Unie, wegens ‘antirevolutionair’ gedrag in aanvaring met Stalin. Zijn grandioze roman Leven & Lot over de belegering van Stalingrad tijdens de Tweede Wereldoorlog werd echter in de Sovjet-Unie niet gepubliceerd omdat de auteur, op eigen moreel kompas laverend tussen goed en kwaad, er volgens Stalin een afwijkend ideologisch potje zou van gemaakt hebben.

De eens zo gelauwerde journalist die tijdens de oorlogsjaren de heldendaden van de dappere Sovjet-Unie beschreef, werd ineens tot een subversieve auteur gebombardeerd. Hij had een zeer ernstige faux pas gezet in zijn beschrijvingen en benaderingen van goed en kwaad.

Volgens Vadertje Stalin maakte Grossman zware ideologische fouten. Hij maakte de verkeerde morele keuzes, want onder een totalitair regime zijn die immers ondergeschikt aan de ideologische doelstellingen van de partij. De persoonlijke moraal moet wijken voor de ideologie.

Het gaat dan uitsluitend over Hun moraal en de onze, zoals de titel van een boek van Leon Trotsky luidt. Moraal en ideologie leven onvermijdelijk op gespannen voet met elkaar. Het morele handelen is noodzakelijkerwijze een individuele aangelegenheid terwijl een ideologie een min of meer afgerond systeem van gedachten en strevingen is die richtinggevend zijn voor het sociaal-politiek handelen.

Grossman beschrijft in zijn boek onder meer dat een Russische vrouw een homp brood geeft aan een Duitse gevangene terwijl hij verwacht gelyncht te worden. Mocht dat wel? Was die vrouw wel te goeder trouw? Het bleek een gevaarlijke passage, want deze kleine goedheid paste niet in het ideologische plaatje van de USSR onder Stalin4.

“Brood geven aan een vijand, dat doe je toch niet. Dat is een staatsvijandige daad. ‘Goed’ is immers wat het doel van het moment dient, met name en naar keuze in te vullen: een heilsleer, de revolutie, of een of ander -isme met een zeer hoog abstractiegehalte. De ‘kleine goedheid’ krijgt geen laveerruimte binnen het kader van de ‘grote goedheid’. De bekoring van het ‘goede’ kan zich uiteindelijk ten kwade keren.5

The road to hell is paved with good intentions.

Van Kampuchea naar de Killing Fields

Neem nu het verhaal van Gunnar Bergström. Deze jonge Zweedse maoïst trok in 1978 met twee kameraden naar Cambodja om er een reportage te maken over het revolutionaire werk van de Rode Khmers en het ‘democratische’ Kampuchea. Hij kwam terug met foto’s van lachende en goed doorvoede Cambodjanen, die welgezind stuwmeren, bruggen en wegen maakten.

De genocide van het Cambodjaanse volk was toen nota bene al drie jaar aan de gang. Geen linkse haan die daar toen naar kraaide. Beelden van dat ideologisch verzwegen drama zag ik enkele jaren geleden zelf in Phnom Penh. Ik bemerkte de angst in de ogen van de slachtoffers, meestal partijgenoten, – ook vrouwen en kinderen – van wie de persoonsgegevens voor hun dood zorgvuldig in kaart werden gebracht.

Het regime ging grondig te werk. Dat deden ook de nazi’s. De zwartwit foto’s van deze lugubere boekhouding zijn intussen de wereld rondgegaan. Ze hangen in Toul Sleng, een voormalige Franse middelbare school omgevormd tot folterplaats, en nu een museum. Van daaruit ging het richting Killing Fields, naar een knekelveld om nooit meer te vergeten.

Dertig jaar later kwam Gunnar Bergström met zijn propagandafoto’s terug naar Phnom Penh en naar Toul Sleng om zijn verontschuldigingen aan te bieden aan het Cambodjaanse volk. Het heeft lang geduurd voordat hij de eigen ideologische blindheid wist toe te geven.

Ongeveer twee miljoen Cambodjanen, een vierde van de totale bevolking, werden vermoord gedurende het bijna vier jaar durende schrikbewind van Pol Pot. Het was de bedoeling van de nummer één van het regime een ruraal socialisme te vestigen en daarvoor moest elk spoor van twintigste-eeuws leven uitgeroeid worden.

Tachtig procent van de Cambodjaanse leerkrachten en vijfennegentig procent van alle dokters werden vermoord, samen met alle geschoolde burgers. Cambodja werd, zoals Pol Pot het uitdrukte, teruggevoerd naar het jaar zero.

Oorspronkelijk kwamen de berichten uit Phnom Penh amper door in het Westen. Ter linkerzijde verkeek men zich oorspronkelijk op de situatie. In ons land reageerde het toenmalige AMADA even gevaarlijk naïef als Gunnar Bergström.

Het maoïsme heeft wel vaker ideologische beoordelingsfouten gemaakt. Onder Ludo Martens – en ook later nog – werden totalitaire regimes als dat van Mobutu en Kim Jong-il de hemel in geprezen.

Onder het ideologische deksel

“Omdat de bewoners van Utopia geacht worden in volstrekte harmonie met elkaar te leven, borrelt en kookt het voortdurend onder het glad gepolijste deksel waarmee de geïnteresseerde buitenstaander in eerste instantie kennis maakt. Alleen wie geen buitenstaander wil blijven, krijgt de kans om onder het deksel te kijken.”6

Dat schrijft Hans Achterhuis zeer terecht. Politieke fellow travellers zijn vaak niet de beste bron en er zijn maar weinigen die aan die selectieve blindheid ontsnappen…7 En dat is nog steeds zo. Wie zich links noemt, moet onder het deksel van de ideologie durven en kunnen kijken.

Niet alleen remmende externe factoren, maar ook interne problemen moeten bij een analyse worden onderzocht. Kritiek geven op een links regime speelt in de kaart van rechts. Dus zwijgen maar in naam van de ‘goede zaak’? Mon oeil!

De niet zo fraaie was buitenhangen kan noodzakelijk zijn en dat vraagt wat meer guts dan alle zonden van Israël door te schuiven naar de VS, want zo wordt een regime als dat van Ortega bevestigd in haar oorverdovend grote gelijk.

Repressie is volgens die rechtlijnige logica dan noodzakelijk om de verworvenheden van de revolutie te behouden. Het yankee-gevaar wordt dan als passe-partout gebruikt om wettelijk kogels te kunnen gebruiken tegen een binnenlandse oppositie die gemakshalve in de grote zak van buitenlandse agenten of toch minstens handlangers ervan worden gestopt.

Ideologische verblinding kan moorddadig worden. Dat is een les die links intussen zou moeten geleerd hebben uit haar eigen bloedige geschiedenis.

 

Notes:

1   Salman Rushdie. De glimlach van een jaguar. Veen, Amsterdam, 1987, 144 pp. ISBN 078 9020 4222 45

2   In 1998 deed ik dat wel in mijn boek Deuken in Sandino’s hoed, over internationale solidariteit. Libertas, 233 pp. ISBN 978 9071 2222 83

3   Maurice Lemoine, Vol d’hypocrites au-dessus du Nicaragua, Mémoire des luttes, 1 juli 2021.

4   La petite bonté noemt de Franse filosoof Levinas zo’n handeling die van een individuele mens naar zijn naaste uitgaat.

5   Todorov, Tzvetan. (2002). Herinnering aan het kwaad, bekoring van het goede. Atlas, Amsterdam/Antwerpen: Atlas.

6   Hans Achterhuis. De Erfenis van de utopie. Ambo, Amsterdam, 1998 (p.24).

7   Hans Achterhuis vertelt hierover een typerende anekdote: ‘Tijdens een treinreis die Sartre en de Beauvoir door China maakten, stapte op een bepaald station een Chinese arbeider in. Toevallig kwam hij in de coupé van het illustere Franse filosofenduo terecht. Daar ontspon zich direct een hoog intellectuele conversatie over Sartres “Critique de la raison dialectique”. Over deze abstracte en extreem ingewikkelde studie maakte de eenvoudige arbeider een aantal behartigenswaardige opmerkingen. Jammer genoeg moest hij er bij een volgend station uit. Sartre en De Beauvoir concludeerden echter enthousiast uit deze korte ontmoeting dat dank zij het onderwijs dat op een ongemeen hoog niveau lag, de nieuwe socialistische mens die praktijk en theorie wist te verenigen in China al aanwezig was.’ (Achterhuis, 1998, p. 38-39).

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!