Boekrecensie -

Een antropoloog onder bankiers

Met 'Dit kan niet waar zijn' biedt journalist Joris Luyendijck een onthutsende inkijk in de wereld van Londense City.

maandag 4 mei 2015 16:15

Joris
Luyendijk (1971) is antropoloog én journalist, een ongewone maar
geslaagde combinatie van beroepenvelden die hem tot een giraffe onder
het journaille maakt. Hij doet met succes aan journalistiek
‘veldwerk’ volgens de beproefde antropologische methode van de
‘participerende observatie’. Dat
deed hij al in 2006 met ‘Het zijn net mensen, beelden uit het
Midden-Oosten’. Tussen
1998 en 2003 was Joris Luyendijk Midden-Oostencorrespondent – en
inwoner van de regio – voor de
Volkskrant, NRC Handelsblad
en
het NOS
Journaal
.

In
‘Je hebt het niet van mij, maar…’ bleef hij nu eens in het
Nederlandse binnenland. In september 2010 kreeg hij als
‘Nieuwspoortrapporteur’ de gelegenheid om gedurende een maand
vrij rond te lopen in de vierkante kilometer rond het Haagse
Binnenhof waar het kloppend hart is van de Nederlandse politiek. Ook
in dat boek kijkt hij als antropoloog naar de Nederlandse politiek.

Going
native

In
‘Dit kan niet waar zijn’ verkent hij het gedrag van een bepaalde
mensensoort die men onder de verzamelnaam ‘bankiers’ kan
plaatsen. Gedurende twee jaar dompelde hij zich, op vraag van
Guardian-hoofdredacteur
Alan Rusbridger, onder in dat wereldje. Tussen 2011 en 2013 sprak hij
met werknemers en oud-werknemers in de City
en
schreef daarover een bankingblog op de Guardian-site
onder de prikkelende titel going
native in the world of finance
.
Dat moet de ultieme natte droom van elke journalist zijn.

‘Dit kan
niet waar zijn’ is de neerslag, maar niet de weergave van
interviews, die in het Nederlands ook in NRC Handelsblad
en
De
Standaard

zijn verschenen. Going
native

is ook een verwijzing naar een van de taboes bij antropologen: het
gevaar van een te grote identificatie met de onderzochte personen.
Hoewel Luyendijk een goed luisterend oor is, trapt hij niet in die
valkuil, want hoe verder en dieper hij in dat wereldje
doordringt, hoe meer hij vertwijfeling als een soort
misselijkheid voelt opkomen.

De
City bevraagd

In
de City, de financiële wereld van Londen, werken tussen de
250.000 en de 350.000 mensen. Ongeveer 200 ervan kreeg hij, eerst met
veel moeite, aan de praat. Want zoals Luyendijk schrijft, ‘met alle
ongeschreven regels, taboes en interne hiërarchieën is de City
net een dorp, of een stam’.

Zoals elke antropoloog die aan veldwerk
doet, moet hij een inburgeringsproces doormaken. Luyendijk moet zich
het jargon eigen maken en leren wat the magic Circle (de vijf
dominante advocatenkantoren) is, wat een doughnut (een nul
bonus), een red-eye (een nachtvlucht) of een fat finger
(een nulletje te veel) is. De code of silence blijkt één van
de grootste hinderpalen om in dat milieu door te dringen. Hij is als
een deken die geluiden uit de sector smoort en vervormt, schrijft
Luyendijk mooi. En dan is er natuurlijk ook de geringe voorkennis bij
de modale burger. ‘Op school leer je bijna niets over de werking
van de financiële wereld. Mij is althans meer onderwezen over de
oude Egyptenaren dan over banken.’ (p. 131)

De vragen die
Luyendijk aan bankiers stelt die anoniem met hem willen praten zijn
dan ook gewone-mensen-vragen in de aard van: hoe
werkt het systeem? Hoe is de financiële crash van 2008 kunnen
gebeuren? Hoe kunnen de riante bonusscheppers dat voor zichzelf
verantwoorden? Zijn
bankiers monsters? Is hebzucht het probleem? En veel belangrijker:
kan het weer gebeuren? Zijn de diepere oorzaken van de crash van 2008
weggenomen, of is de financiële wereld nog altijd een tijdbom in het
hart van onze samenleving? Hoe denken die mensen die in de City
werken? Het is voornamelijk die laatste vraag naar de mensen achter
het verhaal waarmee Luyendijk aan de slag gaat.

Aan de hand van zijn
gesprekken komt er zo een robotfoto te voorschijn van een goed
verdienend iemand, soms met aspergerachtige trekken, die vindt dat
hun organisatieprincipe amoreel is en niet immoreel. In veel
gevallen is niet ‘hebzucht’ hun motief maar eerder angst om zich
klem te rijden in dat dure Londense leventje, waar je als ouder al
gauw 5000 pond per jaar betaalt om een kind naar een topschool te
sturen. De meeste werknemers zijn met gouden ketens vastgebonden op
een dure stoel en hebben geen besef van of interesse voor de richting
die het systeem uitgaat.

De
lege cockpit

Het
beeld van de lege cockpit waarmee Luyendijk zijn boek opent, is
beangstigend. Als passagier zie je ineens een gigantische steekvlam
uit een van de vliegtuigmotoren komen:
‘Je
stoot je buurman aan en roept de stewardess, die na enige tijd
verschijnt en meldt dat er inderdaad wat technische problemen zijn
geweest, maar dat alles weer in orde is. Ze oogt zo kalm en
zelfverzekerd dat je het bijna gelooft, maar je wurmt je toch langs
je medepassagiers naar het gangpad, waar eerst de stewardess en dan
de purser je tegenhouden, allebei met de boodschap: Gaat u
alstublieft terug naar uw plaats. Je duwt ze opzij en weet de deur
van de cockpit te grijpen, je trekt hem open en daar zit niemand.’
(p. 11)

Dat
schrijft Luyendijk als opening voor dit boek, maar hij sluit ook af
met hetzelfde beeld van de lege cockpit. ‘Hoe krijg je zonder een
mondiale regering de mondiale financiële sector weer onder
controle?’ vraagt de auteur zich af. Hij is daar behoorlijk
pessimistisch over, vooral omdat de financiële wereld op de
crisis gereageerd heeft als een motorrijder op een bijna-ongeluk. ‘De
stoot adrenaline na de gelukkige afloop, en de enorme schok als je
beseft wat er had kunnen gebeuren. Maar de reis gaat verder, en
naarmate de plek van het ongeluk in je achteruitkijkspiegel kleiner
wordt, ga je jezelf steeds meer wijsmaken dat het wel meeviel.’ (p.
138)

Verbaasde
verontwaardiging

Met
dit boek is er iets merkwaardigs aan de hand: al weken staat ‘Dit
kan niet waar zijn’ op de eerste plaats in de Nederlandse
bestsellerslijst. De kaap van de 100.000 exemplaren is al lang
genomen. Een lezing van Joris Luyendijk trekt volle zalen in
Nederland en België. Ook voor een NewB-publiek, het initiatief voor
een coöperatieve bank dat de auteur uitdrukkelijk aanprijst. En toch
is Luyendijk geen klokkenluider, geen hemelbestormer of activist, ook
geen econoom à la Amartya Sen, maar een antropoloog met een zeer
goede pen die in dit leesbare boek de bankierswereld een
(on)menselijk gezicht heeft gegeven. De titel ‘Het zijn net mensen’
had ook hier van toepassing kunnen zijn, maar hij koos liever voor de
verbaasde verontwaardiging van ‘Dit kan niet waar zijn’.

Joris
Luyendijk, Dit kan niet waar zijn, onder bankiers, Atlas, Amsterdam,
2015, 208 blz. ISBN 9789045028163

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!