Analyse - Hemme Battjes

Belangrijke uitspraak: grens aan intieme vragen homoseksuele asielzoeker

Voor een beter inzicht in de complexe asielproblematiek houdt de sectie Migratierecht van de Vrije Universiteit Amsterdam een blog bij. Actuele zaken krijgen er toelichting. Regels laten echter ruimte voor interpretatie. Daarom geeft de blog telkens historische achtergronden, kadert het probleem in wetgeving en jurisprudentie, en verklaart het relevante (Nederlandse) recht. Zo raken menselijke dilemma's zichtbaar, die de landsgrenzen overschrijden.

vrijdag 12 december 2014 16:21

In het arrest A, B en C van 2 december 2014
stelt het Hof van Justitie grenzen aan wat asielautoriteiten aan een
asielzoeker mogen vragen om te beoordelen of hij homoseksueel is.
Fysieke tests en video’s van seksuele handelingen mogen niet, het
stellen van stereotiepe vragen mag wel. 

Geloofwaardigheid

Nadat het Hof van Justitie zich vorig jaar uitsprak over de
vraag of homoseksuele asielzoekers hun seksuele gerichtheid geheim
moeten houden als ze daarmee gevaar kunnen ontlopen (zie Asiel voor homoseksuelen: belangrijke uitspraak),
is er nu wederom een uitspraak van het Hof over homoseksuele
asielzoekers. Deze keer gaat het over de geloofwaardigheid van het
asielrelaas. Een kwestie waar meerdere lidstaten mee worstelen is hoe
vast te stellen of een asielzoeker homoseksueel is. Gewoonlijk moeten
asielzoekers hun aanvraag onderbouwen met bewijs (zoals documenten of
foto’s), en met een geloofwaardig verhaal (“relaas”). Of dat relaas
geloofwaardig is wordt vastgesteld door gedetailleerde vragen te
stellen, te bezien of de antwoorden op die vragen consistent zijn en of
zij overeenkomen met wat bekend is over vergelijkbare situaties in het
land van herkomst van de asielzoeker. Bij homoseksualiteit ligt dit
ingewikkeld, omdat dit in strijd kan komen met het recht op privacy van
de asielzoeker. Zoals bijvoorbeeld wanneer een antwoord wordt geëist op
gedetailleerde vragen over iemands seksleven of intieme foto’s of
video’s als bewijsmateriaal wordt gebruikt .

De asielzoekers in A, B en C stelden alle drie homoseksueel te zijn,
maar werden niet geloofd door de Nederlandse asielautoriteiten. A stelde
daarop bereid te zijn een “test” te ondergaan, C legde een video over
waarop hij “intieme handelingen” verricht met iemand van hetzelfde
geslacht, en B ten slotte stelde dat van hem helemaal niks gevergd kon
worden – de autoriteiten moesten hem op zijn woord te geloven. Daarop
stelde de hoogste Nederlandse asielrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het Hof van Justitie de vraag welke grenzen Europese Richtlijnen, en vooral het Handvest van Grondrechten, aan de beoordeling van die geloofwaardigheid stelt.

Enkele stelling niet voldoende

In paragraaf 49 van het arrest veegt het Hof om te beginnen de
visie van B van tafel. De enkele stelling dat de asielzoeker
homoseksueel is, is niet voldoende. De mededeling dat iemand
homoseksueel is, is een uitgangspunt, dat nader geverifieerd mag worden
middels ondervragingen.

Stereotiepe vragen

Het Hof geeft vervolgens aan wat wel en niet mag bij die
ondervragingen. Vragen over “stereotiepe opvattingen” kunnen “nuttig”
zijn (paragraaf 62). Een correct antwoord op een stereotiepe vraag telt
in het voordeel van de asielzoeker, en een slecht antwoord is niet
voldoende om hem ongeloofwaardig te vinden – alle persoonlijke
omstandigheden moeten worden meegenomen. Het is niet helemaal duidelijk
wat voor stereotypen het Hof precies op het oog heeft. Het noemt zelf in
deze context kennis van de asielzoeker over belangenverenigingen van
homoseksuelen (paragraaf 60) – de IND kan
dus in elk geval vragen of de asielzoeker het COC in zijn land van
herkomst kent. Maar mag de IND ook vragen hoeveel vriendjes iemand heeft
gehad – dus uitgaan van het stereotype van de promiscue homoseksueel?
Het is kwestieus of zulke vragen kunnen bijdragen aan waarheidsvinding.

Tests en video’s

Het Hof geeft verder aan dat het recht op privacy het verbiedt
te vragen naar ’details van de wijze waarop de asielzoeker praktisch
invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid’ (paragraaf 64). Details
over het seksleven (de Engelse versie van het arrest heeft het over
sexual practices”) moeten dus buiten beschouwing blijven. En bewijs in
de vorm van een test (zoals bijvoorbeeld fallometrie,
die in Tsjechië wel wordt toegepast) of een video-opname mogen de
lidstaten niet alleen niet vergen, maar ook niet aanvaarden als een
asielzoeker daarmee komt. Dat bewijs is in strijd met het recht op
respect voor de menselijke waardigheid. Een vrijwillig aangeboden video
wel aanvaarden kan ertoe leiden dat asielzoekers zich genoodzaakt zien
tegen hun wil dergelijk materiaal te produceren, aldus het Hof. Het is
niet duidelijk waarom het Hof deze redenering niet ook gebruikt bij de
stereotiepe vragen. Het Hof vindt het kennelijk minder problematisch
dat asielzoekers zich, in reactie op de wél toegestane stereotiepe
vragen, genoodzaakt voelen stereotiepe antwoorden te geven.

Met deze uitwerking van het recht op privacy en de menselijke
waardigheid stelt het Hof een duidelijke grens. Opmerkelijk is overigens
wel dat een video volgens het Hof niet noodzakelijkerwijs bewijswaarde
heeft (paragraaf 65) – homo-seks bewijst dus niet dat iemand een echte homo is. Wat dan wel bewijst dat iemand homo is, vermeldt het Hof niet.

Homoseksualiteit niet meteen genoemd

Ten slotte geeft het Hof nog aan dat als de asielzoeker niet
bij de “eerste gelegenheid” gewag maakt van zijn gerichtheid, dat niet
voldoende is om hem ongeloofwaardig te achten. Seksualiteit is een
gevoelig onderwerp, en dus kan het heel goed verklaarbaar zijn dat
iemand er niet direct mee komt. De implicaties van deze bevinding van
het Hof kunnen groot zijn. Een van de drie asielzoekers in deze zaak, C,
had in een eerste aanvraag niets gezegd over zijn gerichtheid, en in de
tweede gesteld vervolging te vrezen vanwege zijn homoseksualiteit. Als
een asielzoeker in de tweede aanvraag iets aanvoert dat hij ook eerder
had kunnen aanvoeren, hoeft daarop volgens vaste Nederlandse rechtspraak
niet te worden ingegaan. Met deze uitspraak in de hand zou je kunnen
stellen dat dat te kort door de bocht is: het kan zijn dat de
asielzoeker aanvoert dat hij zijn schroom om over zijn seksuele
gerichtheid te spreken pas na een tijdje in Nederland te hebben
verbleven heeft overwonnen. Het tweede asielverzoek mag dan niet alleen
maar omdat hij die gerichtheid niet meteen noemde, worden afgewezen.
Maar een andere interpretatie is eveneens denkbaar. Er kan ook worden
gesteld dat het Hof zich in deze zaak alleen uitlaat over de beoordeling
van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daaraan komt de rechter
volgens de genoemde vaste rechtspraak bij de tweede aanvraag niet toe
omdat hij zijn homoseksuele gerichtheid niet al in de eerste aanvraag
aanvoerde. Dan speelt de geloofwaardigheidsbeoordeling in de tweede
aanvraag geen rol en heeft deze uitspraak van het Hof geen effect voor
herhaalde aanvragen.

Conclusie

Alles overziend brengt het arrest een belangrijke
verduidelijking: het verbiedt tests en videopnames om homoseksualiteit
te bewijzen. Ook maakt het Hof duidelijk dat vragen over details van het
seksuele leven van asielzoekers tot het verleden moeten behoren. Maar
er blijft ook veel onduidelijk. Wanneer zijn stereotiepe vraagstellingen
precies toegestaan? Zijn niet-gedetailleerde vragen over het seksleven
toelaatbaar? En een belangrijke vraag die open blijft is of de enkele
omstandigheid dat niet meteen gewag is gemaakt van de gerichtheid
voldoende is om te concluderen dat de asielzoeker ongeloofwaardig is.
Wat dat betekent voor herhaalde aanvragen is niet duidelijk.

Deze tekst van het Verblijfblog vind je ook hier.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!