Analyse -

Internationale bemoeienissen verzieken situatie Irak en Syrië

De situatie in Irak en Syrië wordt met de dag complexer. Dat er maar geen einde aan het geweld komt, heeft vooral te maken met de inmenging van internationale en regionale machten in de regio. Ze vechten in beide landen hun dikwijls tegengestelde belangen uit. Het internationale machtsspel heeft er ook voor gezorgd dat jihadische netwerken de laatste decennia als paddenstoelen uit de grond schoten.

dinsdag 11 november 2014 00:46

De groei en mondialisering van salafistische jihadische netwerken zijn mee in de hand gewerkt door de steun die ze kregen in het kader van de
rivaliteiten tussen groot- en regionale machten. Het begon met een
geheim CIA-programma dat de codenaam Operation Cyclone droeg. Onder
invloed van zijn nationale veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski gaf
de Amerikaanse president Carter op 3 juli 1979 zijn goedkeuring aan
financiële en militaire steun voor de Afghaanse Mujahedeen. Die waren de
strijd aangegaan met het communistische regime in Kaboel dat gesteund
werd door de Sovjet-Unie. Het programma kwam tot stand met de hulp van de
Pakistaanse geheime dienst (ISI) en Saoedisch geld. Het was Koude
Oorlog. Brzezinski zou later verklaren dat het de uiteindelijke
bedoeling was om een Sovjet-invasie uit te lokken, wat een halfjaar
later ook daadwerkelijk gebeurde.

Er ging uiteindelijk naar schatting 20 miljard dollar naar de
Mujahedeen, onder wie zich fundamentalistische krijgsheren en
oorlogsmisdadigers ophielden als Gulbudin Hekmatyar. De VS creërden hun eigen
monster. Hekmatyar zou na de aanslagen van 9/11 in 2001
oproepen tot een Jihad tegen de VS. Naar eigen zeggen onderhield hij
nauwe banden met Osama Bin Laden en diens Al Qaida. Een deel van de
Mujahedeen zou opgaan in de Taliban die zo in het bezit kwamen van de
door de VS geleverde wapens. Het einde van de Sovjetoorlog in
Afghanistan (1989) zorgde voor een enorme aantrekkingspool van
buitenlandse jihadisten. De internationale jihad was geboren. Tijdens de
oorlog in Bosnië (1992-1995) organiseerden ze zich in een eigen
eenheid waar ze aan de zijde vochten van de Bosniakken van Alija
Izetbegovic. Internationale jihadi’s zouden daarop ook hun weg vinden
naar de oorlog in Kosovo (van 1998-1999), om te vechten aan de zijde
van het Kosovaarse Bevrijdingsleger, UCK en de oorlog in Libië (2011).

Telkens zien we hetzelfde patroon, waarbij regionale en internationale
machten zoals de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië, Turkije, Iran of Qatar
met hun soms tegengestelde belangen lokale en internationale Mujahedee financieel en militair steunen.
In het geval van de VS blijkt meer dan eens hoe er rechtstreekse banden
bestaan tussen VS-instanties en Al-Qaida-strijders. In het geval van de
Bosnische oorlog sprak Richard Holbrooke – die toen namens de VS het
Dayton vredesakkoord onderhandelde – van een ‘pact met de duivel’.

Ayman al-Zawahiri, de Egyptische Al-Qaida-ideoloog en sinds de dood
van Osama Bin Laden de nieuwe Al-Qaida leider, schreef kort na de
aanslagen van 11 september 2001 een boek waarin hij de strategie van de mondiale jihad uit de doeken doet.
Veel daarvan vinden we terug in de manier waarop groepen als IS en
Jabhat al Nusra te werk gaan in Syrië en Irak: een legitimiteit voor het
viseren van burgerdoelen, het gebruik van zelfmoordaanslagen en vooral
het hanteren van moderne media om de mondiale Jihad in verschillende
delen van de wereld te promoten onder leiding van een multi-etnisch en
multilinguïstisch leiderschap. Dat model kreeg ook zijn toepassing in
Syrië en Irak. En ook hier met de steun van internationale en regionale
machten.

De Amerikaanse bezetting

De Amerikaanse bijdrage aan de groei van de internationale
gewelddadige Jihad was niet alleen een gevolg van structurele steun aan
radicale islamisten. Tijdens de Amerikaanse bezetting kreeg Irak een
sektarisch politiek systeem opgedrongen. Washington gaf politieke en
militaire steun aan een regime dat een discriminerende en repressieve
politiek hanteerde tegenover de Soennitische minderheid. Paul Bremer
III, die met de Voorlopige Autoriteit van de Coalitie (als departement
van het Amerikaanse ministerie van Defensie) tussen mei 2003 en juni 2004 het bestuur van Irak
overnam na de val van Saddam Hoessein, zorgde
voor de volledige ontmanteling of ‘deba’athisering’ van de Iraakse
staat. Ze ontbond het Iraakse leger, zette een grootschalig
privatiseringsprogramma op van de Iraakse economie en kende
miljoenencontracten toe aan Amerikaanse reconstructiebedrijven.

Bremer
moedigde de sektarische politiek (Sjiieten, Soennieten en Koerden) aan
om het verzet te ondermijnen. Hij zorgde daarmee voor een escalatie van
het binnenlands geweld. Radicale salafisten pleegden niet alleen aanslagen
op de ‘coalitietroepen’ maar viseerden ook burgers en
streden tegen de door Sjiitische partijen gedomineerde regeringen vanaf
2005. Een van de meeste succesrijkste salafistische verzetsleiders, de
Jordaan Abu Musab al Zarqawi, zou zich vanaf eind 2004 met zijn
organisatie bekennen tot Al Qaida.

De opkomst van het salafisme in Irak

De regering in Bagdad voerde de repressie in het Soennitische deel
van het land op. Vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken opereerden
tussen 2006 en 2008 doodseskaders verbonden met de radicale Sjiitische
Badr-militie. Sektarisme werd de basis van elke politieke organisatie.
De regering al-Maliki (premier van mei 2006 tot augustus 2014) zette
deze sektarische politiek consequent door. Eind 2012 kwam daartegen een
golf van protest op gang, die zich niet beperkte tot de voornamelijk
door Soennieten bevolkte al-Anbar-provincie. Er waren ook protestacties
in andere delen van het land. Ze richtten zich tegen de corruptie en
brutale repressie van het regime al-Maliki dat kon rekenen op de massale
militaire steun van de VS en daarom als het tweede gezicht van de
bezetting werd gezien.

Hoewel de protestacties vreedzaam verliepen, antwoordde het regime van al-Maliki zeer gewelddadig. Dat zorgde dan
weer voor groeiende steun aan extremistische groeperingen onder de
Soennieten. De ontmanteling van een protestkamp in de stad Ramadi eind
2013 zorgde ervoor dat de spanningen in een regelrechte burgeroorlog
uitmondden. Volgens Human Rights Watch
vielen er in de maanden daarop vele honderden doden, vooral als gevolg
van bombardementen op opstandige steden als Ramadi en Fallujah, werd er
op grote schaal gefolterd en werden opposanten geëxecuteerd in de
gevangenissen. Meer dan 300.000 inwoners sloegen op de vlucht.

De
aanvankelijk onderlinge twisten tussen Soennieten van verschillend
politieke strekkingen en stamverwantschappen maakten plaats voor de
gemeenschappelijke strijd tegen het gehate regime in Bagdad. Geleidelijk
aan werd ISIS (nu: IS) de dominante gewapende kracht, niet het minst
omdat voormalige generaals van het verdwenen Ba’athregime zich aan haar
zijde schaarden. De verovering van Mosul, de twee grootste stad van
Irak, door IS versterkte het sektarisch karakter van het conflict. De
Iraakse regering deed beroep op Sjiitische milities die al sinds midden
2013 verantwoordelijk zijn voor de uitdrijving en het doden van
soennitische burgers in het zuiden van Irak. De vrees voor IS of
vermeende samenwerking ermee heeft volgens bepaalde berichten ook
gezorgd voor een politiek van etnische zuiveringen door Koerdische
milities in het noorden van Irak.

Onder druk van de VS, maar ook van Iran, werd al-Maliki uiteindelijk
als premier vervangen door Haidar al-Abadi. Volgens president Obama zal
Abadi systematisch de hand reiken naar alle mensen in Irak. Al-Abadi is
inmiddels tegemoetgekomen aan een aantal van de soennitische
ongenoegens. Hij slaagde er ook in om een akkoord te sluiten over de
aanstelling van een nieuwe minister van Defensie (een soenni) en
minister van Binnenlandse Zaken (een Sjiiet), twee gevoelige posten die
onder de tweede regering van al-Maliki vacant bleven.

Het blijft
de vraag of het om meer gaat dan cosmetische veranderingen en
of al-Abadi greep kan krijgen op de sektarische logica die de politiek
in Irak in zijn greep heeft. Zijn belofte midden september om een einde
te maken aan de regeringsbombardementen op plaatsen waar burgers
resideren, blijkt weinig gehoor te krijgen. De nieuwe minister van
Binnenlandse Zaken lijkt ook niet meer dat een schaamlapje te zijn,
omdat de echte macht bij de Badr-partij en de ermee verbonden militie
ligt. Het is tekenend dat al-Maliki, die de controle
uitoefent over de belangrijkste Sjiitische milities met een
twijfelachtige reputatie, in de nieuwe regering blijft zetelen, nu als
vicepremier. Volgens zowel Amnesty International
als Human Rights Watch maken de Sjiitische milities met luchtsteun van
de ‘Coalition of the willing’ nog steeds geen onderscheid tussen
IS-strijders en soennitische burgers. In de optiek van veel soennieten
is de steun aan IS noodzakelijk voor hun eigen overleven.

De opmars van IS in Syrië

De aanwezigheid en groei van IS in Syrië houden zowel verband met de
bezetting en de sektarische politiek in Irak als met de opstand tegen
het autoritaire regime in Damascus en de daaropvolgende groeiende
interne Syrische verdeeldheid, eveneens op sektarische basis. Kort na
het begin van de opstand tegen Assad, begon de Irakees Abu
akr al-Baghdadi, die sinds 2010 IS
zou leiden, ook een gewapende militie in Syrië uit te bouwen die sinds
januari 2012 als Jabhat al-Nusra door het leven zou gaan. Jabhat
al-Nusra zou al gauw militaire successen boeken en als gevolg daarvan
zijn aanhang zien groeien. Maar onenigheid tussen de lokale leider van
Jabhat al-Nusra in Syrië en IS-leider al-Bagdadi in Irak, nadat deze
laatste de samensmelting van beide organisaties aankondigde, leidde tot
een afscheuring en voor IS ook tot een breuk met Al Qaida.

In Syrië
begonnen beide groepen elkaar gewapend te bestrijden. Terwijl Jabhat
al-Nusra vooral focuste op de val van Bashir al-Assad, lag het accent
van IS op de uitbouw van een kalifaat dat trouwens in de zomer van
2014 door al-Bagdadi is uitgeroepen. IS kon rekenen op groeiende populariteit en al-Bagdadi zou een meester blijken in zowel het
militaire als civiele bestuur van zijn organisatie. De militaire
successen oefenden een aantrekkingskracht uit op heel wat milities die
tot dan hadden samengewerkt in platformorganisaties zoals het Vrije Syrische
Leger of het door Saudi-Arabië gesteunde Islamitische Front. Zij zouden
zich met hun door de Golfstaten en Turkije geleverde wapens aan de zijde
van IS scharen. IS verkreeg ook de controle
over een deel van de olieproductie om met de opbrengsten van de
gesmokkelde olie – onder meer via Turkije – de gewapende strijd te
financieren.

De ‘Coalition of the willing’

De publieke executies van een aantal Amerikaanse en Britse
staatsburgers en de verovering van de stad Mosul door IS, zorgden voor
een activering en ook wel een kleine kentering van de Amerikaanse
politiek vis à vis Syrië. Plots werd de strijd tegen IS in Irak en Syrië
prioritair en was de val van Bashir al-Assad dat plotseling veel
minder. De VS verzamelden een groep landen van uiteenlopend pluimage en
met verschillende belangen in een internationaal samenwerkingsverband,
de ‘Coalition of the willing’ met inbegrip van vijf Arabische landen. Maar
behalve het gemeenschappelijke doel om te strijden tegen IS – en dat is
zelfs twijfelachtig – heerst er vooral onenigheid. De Turkse premier
Tayyip Erdogan – die slechts schoorvoetend tot de ‘coalitie’ toetrad –
dringt al vele maanden aan op de installatie van een no-fly-zone waar
dan het gros van de Syrische vluchtelingen kan worden ondergebracht, een
streven dat ook door Frankrijk wordt gedeeld.

Bovendien vreest
Erdogan een versterking van de PKK en op lange termijn de oprichting van
een Koerdische staat op het grondgebied van Irak, Syrië, Iran en zelfs
Turkije. De PKK is de belangrijkste Turks-Koerdische partij die al
jarenlang een conflict met de regering in Ankara uitvecht en nauwe
banden onderhoudt met de Syrische Democratische Unie Partij (DYP) en
diens gewapende arm YPG (Volksdefensieleger). Turkije en Qatar vinden
zich in de steun aan de Syrische moslimbroeders in de hoop dat dit hun
beider machtsposities in de regio alleen maar kan versterken. Maar dat
plaatst hen tegenover Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten die een groeiende invloed van de moslimbroeders in de regio vrezen, wat dan weer hun steun aan het regime van de Egyptische generaal
al-Sisi verklaart. Deze laatste verdreef de moslimbroeders vorige zomer
van de macht in Egypte.

De verschillen in prioriteiten en belangen
binnen de coalitie werden ook geïllustreerd door de diplomatieke
spanningen tussen de VS en Turkije en de sterke aarzelingen van deze
laatste om zijn rol in de ‘Coalitie’ op te nemen. Turkije heeft een opengrenspolitiek gehanteerd voor gewapende strijders richting Syrië met
als belangrijkste doel om de Syrische president president Assad uit de
macht te verdrijven, wat de belangrijkste prioriteit is van Ankara.
Een no-fly-zone moet niet alleen zorgen voor de opvang van vluchtelingen
in eigen land, maar moet ook dienen als ‘safe haven‘ voor de gewapende
oppositie. De Verenigde Staten houden zich rond beide Turkse
doelstellingen wat meer op de vlakte sinds de strijd tegen IS de
prioriteit is geworden. Turkije bleek ook erg moeilijk te overtuigen om
zijn grenzen open te stellen voor (Koerdische) strijders die de val van
de Noord-Syrische Koerdische stad Kobani moesten helpen voorkomen.
Erdogan plaatste de Koerdische YPG (volksdefensie leger) omwille van hun
banden met de PKK publiekelijk op dezelfde hoogte als IS, als een even
groot te bestrijden kwaad. De VS zagen zich daarop zelfs verplicht om de
Koerdische verdediging van Kobani vanuit de lucht met wapens te
bevoorraden, hoewel de stad zich vlak aan de grens met Turkije bevindt.

Het is bekend dat veel van de militaire steun die landen als Turkije,
Saoedi-Arabië en Qatar aan de gewapende oppositie verleenden,
rechtstreeks of onrechtstreeks bij radicale salafisten met inbegrip van
IS is terechtgekomen. Het grootste deel van de olie-inkomsten van IS –
er is sprake van meer dan een miljoen dollar per dag – verloopt via
Turkije, wat op zijn zachtst gezegd een gevolg is van de lakse Turkse
grenspolitiek.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!