Opinie, Samenleving -

Waarom een indexsprong niet de ruilmunt kan zijn voor een inspanning van de vermogens

De geruchten blijven gaan dat er bij de federale regeringsonderhandelaars een akkoord zou bestaan over een indexsprong. Voor de CD&V zou dat kunnen als er ook een gelijkaardige inspanning van de vermogens wordt gevraagd. Op deze manier wordt gepoogd een ruil te bezegelen die de eerlijke verdeling van de inspanningen moet bewijzen. Dit is een schijnmanoeuvre en heeft niets met eerlijke verdeling te maken.

maandag 29 september 2014 12:41

De allereerste fout in deze zogeheten
balansredenering is dat er geen rekening wordt gehouden met alle andere
inspanningen die worden gevraagd (lees: “opgelegd”) en waarbij er van enig
evenwicht geen sprake is. BTW-verhogingen, verhoging van inschrijvingsgelden, verhogen
van de trein-, tram- en bustarieven, verhoging van de dieselprijs, verhoging van de
prijs voor kinderopvang, de verdubbeling van de zorgverzekeringspremie,… Het
maakt diegenen die dat moet betalen (de gezinnen) niet uit of dat een Vlaamse
dan wel federale beleidsmaatregel is. Het zal allemaal uit hetzelfde
gezinsbudget moeten komen. En gezinsbudgetten op basis van lonen of uitkeringen
zijn echt wel wat anders dan “vermogens”, waar dan slechts één inspanning aan
gevraagd wordt.

Fout twee in de redenering. De indexsprong
is disproportioneel zwaarder (2 procent blijvend koopkrachtverlies) dan een
“gelijkwaardige inspanning” van de vermogens. Vermogens zullen immers op andere
wijze kunnen blijven aangroeien, waar het de uitdrukkelijke regeringsbedoeling
is om naast een indexbevriezing ook een loonstop door te voeren. Die
loonstop geldt al vier jaar en zal voor minstens twee jaar bij wet verlengd worden.
Met andere woorden, er is geen recuperatiemogelijkheid om bij
CAO-onderhandelingen dit index- en koopkrachtverlies gedeeltelijk of geheel
goed te maken. Ook niet in ondernemingen die wel winst maken. Er is dus
een loonstop maar geen vermogensgroeistop.

Derde kwestie. Bij wet van 1996 werd er dus
een loonnormering vastgelegd. Die heeft de loonstijgingen beperkt, tot zelfs
volledig onmogelijk gemaakt. In de wet van 1996 (tot vrijwaring van ’s lands
concurrentievermogen) staat nog steeds vermeld dat gelijkwaardige inspanningen
kunnen gevraagd worden van de andere inkomensgroepen. Tot op heden is er nog
nooit enige maatregel genomen om deze wetsbepaling van toepassing te laten
zijn. Kortom, er is al achttien jaar een eenzijdige inspanning van de werknemers
gevraagd, zonder enige inspanning van andere inkomensgroepen. Dat is niet
minder dan schuldig verzuim. Maar het is bovenal een al achttien jaar durend
onevenwicht dat niet met een “gelijkwaardige inspanning bij een indexsprong”
ongedaan wordt gemaakt.

Ten vierde. Er werden in de jaren ’90 van de
vorige eeuw ook drie indexsprongen doorgevoerd, in een periode met hogere
inflatie overigens. Het eigenaardige is dat bij de rubricering van deze
indexsprongen, dus niet aan werknemers uitgekeerde loonaanpassingen, de
“boekhouding” van de sociale zekerheid deze noteert als “bijdragen van de
werkgevers”. Feitelijk wordt dus al meer dan twintig jaar de zaak voorgesteld dat
een indexsprong van de werknemers eigenlijk een “werkgeversinspanning” is. Nu
zou de indexsprong niet als bijdrage aan de sociale zekerheid worden
doorgestort, maar in de ondernemingen blijven. Kortom een rechtstreekse
sponsoring van de werknemers van de bedrijven… De wereld op zijn kop. 

Kortom, een indexsprong nu vergt
verschrikkelijk veel extra inspanningen van andere inkomensgroepen én
werkgevers vooraleer er nog maar iets in zicht komt dat “gelijkwaardigheid” genoemd kan worden.

Ferre Wyckmans, Algemeen Secretaris LBC-NVK

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!