Wie knikkert, krijgt kunst

Wie knikkert, krijgt kunst

donderdag 25 september 2014 10:54

Zondag zat ik met de kinderen te genieten van de laatste zomerzon. Ik las sinds lang nog eens een roman. De tijd zit nog zelden mee om me aan de literatuur over te geven, zeker met twee bengels in huis. Maar daar wil ik het niet over hebben, want ik werd al snel afgeleid door het merkwaardige spel dat het nageslacht aan het spelen was. De twee jongens (Bjorn en Pieter; 10 en 8 jaar) zaten iets verder op de grond met mijn oude knikkers te spelen – curiosa voor kinderen deze tijd. Na een paar ronden was het spelletje met de knikkers overgegaan in een creatief hoogstandje. Zoals Deucalion en Pyrrha begonnen ze de knikkers één voor één over hun schouder te gooien zonder achterom te kijken. Vervolgens gaven ze een naam aan de knikker en verbeeldden ze zich dat ze in mensen veranderden die allerlei vreemde dingen deden achter hun rug. 

Wat al lacherig begon met een schoolvriend die met zijn fiets tegen een verkeersbord reed, de leraar die in zijn onderbroek voor de klas stond, oma die een dansje deed, de buurman die zoals gewoonlijk – sorry buurman! – vals begon te zingen of een soldaat die in een roze balletjurk gedrild werd, veranderde iets later naar een ander niveau. De oudste zei: ‘Nu gaan we miljoen jaar terug en mogen we alleen maar mensen uit de oertijd hier wensen.’ En toen werd het interessant.

De kleinste wierp een knikker over zijn schouder: ‘Dan wens ik de vuurman, want die kan mij en de grot warm houden.’ De oudste: ‘Waarom zou hij jou aan zijn vuur laten zitten?’  ‘Omdat hij mijn vriend is, natuurlijk.’ De oudste: ‘Goed dan,’ en wierp een knikker. ‘Ik wens mijzelf een jager, die kan mij leren hoe je mammoeten vangt.’ – Blijkbaar zijn er toch dingen die kinderen nog graag zouden leren, dacht ik.

‘Een mammoet krijgen we toch nooit met ons vieren op?’ 

‘Neen, maar we hebben ook nog niet gedaan met wensen, toch? En wie een mammoet kan vangen, kan zo wat alles vangen…’

‘Oké, terug mijn beurt … euhm … Ja!’ Knikker. ‘Dan wil ik een muurschilderaar die onze barbecue vastlegt op de muren van de grot. Ik denk dat de kale rotsen anders maar wat depressief zijn.’

‘We kunnen hem ook laten tekenen hoe je wilde dieren vangt. En vuur maakt! Dan moeten de jager en de vuurman het niet steeds uitleggen of zelf doen.’

‘Maar als iedereen dan kan jagen en vuur maken, wordt de kunstenaar dan de leider omdat hij iets kan dat anderen niet kunnen?’

‘Ik denk het niet, er zouden mensen zijn die niet snappen dat hij de grot gezellig heeft gemaakt. Als ze denken dat de muren vol staan, zouden ze hem waarschijnlijk zelfs geen vlees meer geven omdat hij niets doet. Ze zouden zelfs vergeten wat ze van hem hebben geleerd.’

‘Dat is sneu voor hem. Dan wens ik geen muurschilder maar eerst een leider!’

‘Waarom?’

‘Omdat de leider de slimste moet zijn. Hij zou het nut van de muurschilder wel snappen en zou de anderen verplichten hem wat vlees te geven.’

En zo ging het nog een tijdje verder. Met een voldaan glimlachje legde ik mijn boek weg, genoot ik nog wat van de zon op mijn gezicht – blij dat dit mijn troost is, gelukkig dat dit onze toekomst is.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!