Wat is een faire prijs?

Wat is een faire prijs?

dinsdag 16 september 2014 20:33

Naar aanleiding van de Panorama-aflevering ‘de prijs van
goedkoop eten’[1],
waarin de misère van de voedselproducenten werd voorgesteld, vraag ik mij af
wat dat precies is: een eerlijke prijs voor eten. Voeding wordt bij ons immers
nog zelden als primaire behoefte beschouwd: de huidige generatie heeft geen
honger meer gekend, heeft nooit dorst in de keel voelen branden. Schaarste werd
in de afgelopen zeventig jaar overvloed. ‘Kunnen we nog leven zonder iets
banaals als een smartphone?’ is een vraag die we ons wel eens stellen. Maar hoe
vaak staan we stil bij onze dagelijkse kost? De tafelgebeden worden
tegenwoordig immers meer en meer overgeslagen.

De vraag naar een correcte prijs voor eten lijkt mij
moeilijk te beantwoorden. Men kan immers verschillende maatstaven hanteren:
voedsel en drinken zijn onze belangrijkste behoeften, dus in dat opzicht zou
het praktisch al onze inkomsten mogen opslokken. Dit zou ons terugkatapulteren
richting de Middeleeuwen: iedereen als autarkische boer, een kleine surplus
voor andere gebruiksgoederen. Hoe vreemd dit ook lijkt: her en der in Europa
zijn er projecten die teruggaan naar dit model.[2]
Steevast klinkt de tijdswinst (in de zin van tijd voor jezelf) en het minder gejaagd
leven als hoofdargument, het verlies in ‘luxe’ neemt men er graag bij. Een
andere hanteerbare maat (die de documentairemakers van Panorama lijken te
bezigen) is dat de producenten een eerlijke prijs krijgen voor hun werk – omzeggens
genoeg geld krijgen om een flinke boterham van te smeren.  

Veelzeggend is allicht dat het aandeel van de landbouw in
het Belgische BBP de laatste honderd jaar alleen maar is gedaald. Van ongeveer
10% tijdens het interbellum, tot nog 0,65% in 2010. Hierdoor gaat er ook een
steeds kleiner aandeel van het familiebudget naar voeding omdat er zoveel
andere zaken zijn die we moeten (willen?) bekostigen. “Zolang men ons dat
goedkoop voedsel aanbiedt, is er geen probleem”, denken we dan als
consument in de supermarkt. 

Maar is dit ook zo? Ongetwijfeld werkt deze stelling de
kleine boeren en andere producenten in de armen van grotere bedrijven. Tussen
1980 en 2010 zijn er maar liefst 45% van de jobs geschrapt in de
landbouwsector.[3]
Na WO II moesten de kroostrijke boerenfamilies hun kinderen meer en meer elders
laten werken en moesten de landbouwbedrijven steeds efficiënter worden. Waar
gaat deze efficiëntie heen? Idealiter naar meer geld, meer ‘vrije tijd’ en dus
minder werk. 

Vreemd genoeg horen we in de dagelijkse economische berichtgeving
alleen iets terug van dat laatste. Wat de landbouwers betreft, verdwijnt het
extra geld in de zakken van de managers van de supermarkten, dient de extra
tijd om zich zorgen te maken en moeten ze betreuren dat hun kinderen niet meer
op hun velden zullen kunnen werken, omdat ze opgeslokt zijn door grote multinationals.
Ieder zou voor zich eigenlijk de keuze moeten kunnen maken wat hij wil: ofwel
veel geld verdienen, ofwel meer rust hebben. Dat laatste is echter sociaal
weinig aanvaard. Bovendien vraag ik mij af waar je nog (nuttige!) jobs kan creëren
als er in elke sector gesnoeid moet worden? 

Boeren zijn al sinds de Romeinen een gerespecteerde klasse:
mensen die op het veld werkten, bekend om hun morele kracht. Een
senator die eenmaal weeks op het veld ging werken, kon dan ook rekenen op
bijval. Die morele superioriteit heeft de kerk bovendien lange tijd blijven
verdedigen. Zij hebben altijd gevoeld dat werken op het veld meer is dan labeur,
het is een manier van leven. Vreugd en leed worden er idealiter met het gezin
beleefd, oprechte liefde voor veld en vee verbindt de mensen op het platteland.
“Zolang wij de prijs maar niet betalen,” denken we dan. Maar
eigenlijk heeft de doorsnee consument de prijs al betaald: de landbouw was
lange tijd zo’n grote, conservatieve en versnipperde sector dat de contouren
van ons economische model hier pas relatief laat zichtbaar werden. In de
landbouwsector moet er hard gewerkt worden, maar het leven op het ritme van de
natuur en de seizoenen waren het offer waard.  

Vlak na WO II leerde men op de landbouwscholen nog over
arbeidsvreugde aan de hand van boerenapostel Gerlacus van den Elsen, lang nadat
de arbeiders waren afgestompt door het ritme van de machines. Met stellingen
als “De arbeid wordt door den boer
niet geteld. Arbeiden is zijn lust, dag en nacht, van jongs af aan tot in hogen
ouderdom, omdat hij gehard is tegen alles, sterk en gezond van ziel en lichaam,
koning en schepper op zijn eigen land, medewerkend met de natuur die het
gestrooide zaad doet ontkiemen en honderdvoudig vermenigvuldigen,
[4]
was de kleine boerenstand lange tijd niets anders dan een ten dode opgeschreven
anachronisme in het licht van de efficiëntieleer. Helaas zijn het de minder
sympathieke supermarkten die de winsten afromen en betaalt de arme boer het
gelag met het verlies van zijn leven aan land en haard. Zo gaat het echter al
decennia door.

landbouw


[1]
http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/programmas/panorama.

[2]
https://decorrespondent.nl/551/In-Griekenland-is-er-leven-na-de-crisis/31068686-d00e4ae9.

[3]
Kerncijfers Landbouw. De Landbouw in België in cijfers 2013.

[4]
Paul Klep, De Nederlandse katholieke boerenbonden en de agrarische
gezinsproblematiek 1930-1962.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!