Bob Woodward en Carl Bernstein
Verslag, Nieuws, Wereld, Watergate - Ingrid Van Daele

40 jaar na Watergate of welke schandalen kan de maatschappij vandaag nog aan?

Veertig jaar na de onthulling van de Watergate-affaire blijft de moeder van alle politieke schandalen de geesten beroeren. The Washington Post die de zaak uitbracht, slaakt een noodkreet: ‘Onderzoeksjournalistiek zoals we die sinds Watergate kennen, is in gevaar’.

donderdag 21 juni 2012 13:07

‘Watergate zou vandaag niet meer worden uitgespit.’ ‘Mediagroepen zouden zich er niet aan wagen.’ ‘De zaak zou bedolven raken onder de steekvlamjournalistiek.’

Bittere reacties uit het Vlaamse medialand. En wat vindt u van deze Amerikaanse bedenking? ‘Vandaag zou Watergate er helemaal anders uitzien. Het zou een cyberzaak zijn met hackers in plaats van inbrekers. Niet langer zouden journalisten achter het verhaal aan zitten, zoals in de Watergate-affaire, gewapend met notaboekjes, schrijfmachines en telefoons. De zaak zou mogelijk zelfs lekken buiten de media’, schrijft een journaliste in The Washington Post naar aanleiding van de verjaardag van de zaak, die precies veertig jaar geleden in haar krant werd uitgebracht.

Toen, op 18 juni 1972, schreef The Washington Post haar eerste verhalen over Watergate. In de kantoren, op de vijfde verdieping van het Watergate-complex aan de Virginia Avenue in Washington, waren de nacht voordien vijf inbrekers in maatpak en met rubberen handschoenen op heterdaad betrapt. Ze waren documenten aan het fotograferen en monteerden afluisterapparatuur. Ze bevonden zich in het hoofdkantoor van het Democratic National Committee (DNC), hét zenuwcentrum van het Democratische campagneteam in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in het najaar van datzelfde jaar.

‘Een derderangs inbraak’, suste de woordvoerder van het Witte Huis. Maar er was veel meer aan de hand. Eén van de inbrekers was de veiligheidschef van het Committee for the Re-election of the president.

Twee jonge journalisten van The Washington Post, Bob Woodward en Carl Bernstein, beide regionale reporters, beten zich in de zaak vast en spitten ze uit. Ze ontrafelden elk gegeven en dubbelcheckten elk detail. Ze klopten na de kantooruren thuis aan bij hun bronnen en trachten hun informatie hard te maken. ‘Find the document. Follow the money’, luidde hun devies. Deep Throat, de voormalige tweede man van het FBI, wiens identiteit dertig jaar lang geheim zou blijven, was hun voornaamste bron.

Met vallen en opstaan, en door wekenlang speuren, ontdekten ze dat de paranoïde Nixon zelf de opdrachtgever was van de inbraak. Ten allen prijze wilde hij de strategieën van de democraten kennen. Je weet wel: het idee dat je tijdens een oorlog zoveel mogelijk moet weten over de vijand. Hij zou hun kiescampagne saboteren en zorgen dat de minst succesvolle Democraat het zou halen in de voorverkiezingen. Dat daar ook een inbraak bij hoorde, nam hij er maar bij.

‘Wekenlang stonden de journalisten alleen met hun verhaal. Er was geen hond bij de andere media die hen geloofde’, zegt Leonard Downie, destijds een collega van Bernstein en Woodward op de redactie van The Post in een artikel ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de zaak. ‘Het waren moeilijke tijden, ook voor de andere redacteurs. Onze geloofwaardigheid als krant stond op het spel, en dus konden we maar beter op onze tellen passen. Elk woord van elk verhaal dat we uitbrachten, wikten en wogen we om de toekomst van ons dagblad niet te hypothekeren.’

Het zou maandenlang duren, tot eind 1972, toen ook officiële bronnen bij justitie al hadden aangegeven dat er iets loos was, vooraleer ook The Los Angeles Times, The New York Times en CBS News uitpakten met wat The Post ‘bijna welkome concurrentie’ heette. Elf dagen voor Nixons herverkiezing wijdde CBS zelfs vijftien minuten aan de Watergate-zaak die hij beschreef als een ‘uitgekiende campagne van politieke sabotage en spionage, zonder weerga in de Amerikaanse geschiedenis.’
Nixon werd dus toch herkozen en trad pas in augustus 1974 af. Zijn fameuze tapes deden hem de das om, want ze omvatten de smoking gun: een gesprek waaruit bleek dat Nixon wist van de hele doofpotoperatie rond de inbraak. Hij was ervan op de hoogte dat de inbrekers zwijggeld was betaald en dat de CIA werd ingezet om te voorkomen dat er verder op zou worden doorgegaan.

De smoking gun

Watergate werd een legende, het was de moeder van alle politieke schandalen, het werd dé affaire van de eeuw.
In Japan moest meteen na de zaak, de premier aftreden omdat de pers naar het voorbeeld van Watergate zijn financiële gesjoemel had boven gespit. En in Canada nam men zich voor ‘ethischer’ te worden in de politiek.

Op ook de pers had Watergate een grote invloed. De zaak inspireerde generaties van journalisten. Het werd een model in de journalistiek. Krantenredacties en televisiezenders investeerden in onderzoeksteams, vooral dan in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Magazines brachten lange, uitgekiende onderzoeksverhalen. En op de televisie volgden uitgebreide onderzoeksjournalistieke nieuwsuitzendingen.

Jarenlang volgden de grote zaken elkaar op. Zo was er de Iran-Contra-affaire (1986-1987) onder Ronald Reagan. Buiten het Congres om had Reagan steun verleend aan de Contra-rebellen in Nicaragua, met geld uit een illegale wapenverkoop. En er was de zaak rond Monica Lewinsky (1998-1999), die Bill Clinton bijna zijn presidentschap kostte.

In het Verenigd Koninkrijk pakte de krant The Guardian in 2003 uit met de corruptie-affaire van het Britse wapenbedrijf BAE, dat wereldwijd een netwerk van geheime betalingen had opgezet, en een miljoen pond had betaald aan een Saudische prins. ‘De fraudediensten gingen achter ons verhaal aan, maar werden gestopt door de toenmalige premier Tony Blair, omdat het de Saudi’s in verlegenheid bracht’, zegt journalist David Leigh, die het verhaal uitbracht, in een video-uitzending. Leigh leidt vandaag een onderzoekscel bij The Guardian.

‘Watergate is een mijlpaal voor de onderzoeksjournalistiek’, zegt Baldwin Van Gorp, professor communicatiewetenschappen aan de KU Leuven, die Woodward en Bernstein een tijd geleden op een conferentie in Austin heeft ontmoet. ‘Veel journalisten kozen voor het vak na Watergate. Ook zij wilden de corrupte mechanismen van de macht blootleggen. Helaas zijn de tijden veranderd en is er steeds minder ruimte voor dat soort journalistiek.’

‘Vandaag zou het veel moeilijker zijn om zo’n complexe zaak op dezelfde georchestreerde manier in de pers te brengen’, aldus Van Gorp. ‘De Watergate-journalisten konden zich veroorloven om de elementen waar ze aan twijfelden, op te sparen tot ze zeker waren en zo de puzzelstukken samenbrengen. Met de snelle berichtgevingscycli van vandaag zou dat ondenkbaar zijn. Onder druk van de concurrentie wil elk medium elke scoop voor zich. Ook al is men niet zeker van een paar details, men publiceert de informatie toch en zet ze later recht. Denk aan de verkeerd verstuurde mail van Ingrid Lieten in de Uplace-affaire, de zogenaamde Lietengate. Omdat de hele pers zich tegelijk op de zaak stortte, werd het bericht gigantisch uitvergroot en vermenigvuldigd via websites, kranten, twitter en facebook en was zijn ware toedracht zoek.’

-Gates zoals Lietengate zijn ondertussen bijna ontelbaar geworden in Vlaanderen. Er was Fortisgate over de vermeende beïnvloeding van magistraten, diamantgate over de oorlog bij het Antwerpse parket naar aanleiding van de fraude in de diamant, Oostendegate over de macht van Johan Vande Lanotte. Schandalen en schandaaltjes. ‘Dat is typisch iets voor deze tijd. Uit Noors onderzoek blijkt dat media, ook internationaal, steeds vaker met schandalen uitpakken. Betekent dit dat er meer schandalen zijn? Nee, het heeft meer te maken met de framing, de visie van waaruit we de werkelijkheid benaderen’, aldus Van Gorp. ‘Bij ons is dat nogal vaak corruptie. We vinden sinds Dutroux dat machthebbers altijd wel iets moeten te verbergen hebben. En dat levert veel en smeuïge schandalen op.’

‘Vaak blijkt bovendien, dat kleinere schandalen de jongste jaren een veel bredere media-aandacht krijgen, en impact hebben dan de echt belangrijke zaken. Een voorbeeld uit de Verenigde Staten: de democraat Anthony Weiner liep er in 2011 enorme imagoschade op, toen op grote schaal bericht werd over de suggestieve foto’s van vrouwen die hij op het internet had uitgewisseld. Voor George W. Bush was de schade veel minder groot, toen hij de inval in Irak van 2003 verkeerdelijk verantwoordde op basis van de aanwezigheid van massavernietigingswapens.’

‘Ook de zaak rond de folterpraktijken in de Abu Graib-gevangenis in Irak, die in 2004 werd uitgebracht, leidde nooit tot een presidentieel schandaal. Aanvankelijk legde men de verantwoordelijkheid zelfs bij de lagere militairen. En ook toen bleek dat zowel president Bush als vice-president Dick Cheney de foltering hadden toegestaan, gaven de media verstek.’

Verantwoordelijkheidsgevoel

Kan dan men niet langer op de media rekenen? Is het Watergate-ethos dan helemaal weg gedeemsterd? Zeker niet. ‘Sinds Watergate verwacht men nog altijd van de media, hoe onpopulair ze soms ook zijn, dat ze de corrupte machthebbers de wacht aanzeggen’, aldus The Washington Post.

Ze spelen nog een grote rol in het uitbrengen van corruptie en schandalen. Recent nog onthulde freelance journalist Nick Davies het afluisterschandaal van de Britse krant News of the World, waarbij medewerkers van de krant de voicemails van politici onderschepten, alsook die van slachtoffers van de aanslagen in de metro in 2005 en van familieleden van overleden Britse soldaten.

Europees waren er de verschillende artikelen (en de website farmsubsidy.org) over landbouwsubsidies, waarvan de vaak bedenkelijke begunstigden door journalisten in heel Europa werden onthuld. In eigen land was er zaak rond Lernout & Hauspie rond de eeuwwisseling, die weliswaar eerst onthuld werd in de Verenigde Staten (!). Er was de asbestzaak van Eternit met de veroordeling in Italië in eerste aanleg van Karel Vinck in 2006. De Standaard kwam met de Danneelstapes met het gesprek tussen kardinaal Danneels en het slachtoffer van Roger Vangheluwe in het pedofilieschandaal in de kerk. En Panorama bracht een legendarische uitzending over de graaicultuur bij de Hasseltse politie.

Wat is dan het probleem? ‘Watergate is een voorbeeld uit een ander tijdperk’, schrijft The Washington Post. ‘Toen gaven kranten hun medewerkers nog de nodige ruimte en moedigden hen aan om op een ingewikkeld verhaal door te gaan. Het Congres en justitie zetten de zaak voort. Het was een voorbeeld van democratisch teamwerk, waarvan iedereen weet dat het binnen de traditionele media niet langer mogelijk is.’

‘Ook de toenemende commercialisering en de grote druk op journalisten speelt een belangrijke rol in het afkalven van de onderzoeksjournalistiek’, zegt Katia Segers, onderzoekster aan de VUB (Vrije Universiteit Brussel). ‘Mediagroepen zouden precies zoals voorheen ruimte en tijd moeten geven aan slow journalism. Maar de commerciële businessmodellen laten dat soort journalistiek niet langer toe. De mediagroepen focussen zich op winsten en stellen niet langer budgetten meer ter beschikking om aan onderzoek te doen. De financiering is een groot probleem.’

Maar er is hoop. Er ontwikkelt zich een nieuwe trend. ‘Parallel aan de mainstream media rijzen nieuwe onderzoeksjournalistieke initiatieven als paddenstoelen uit de grond’, zegt Ides Debruyne van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. ‘De bekendste zijn de Amerikaanse The Huftington Post en ProPublica, die beide al de exquise Pulitzerprijs in de wacht sleepten. Frankrijk kent de succesvolle website Mediapart.fr. En in eigen land zijn er de sites Apache.be, DeWereldMorgen.be en Mo.be.’

The Huftington Post en ProPublica worden hoofdzakelijk gefinancierd met geld uit foundations, stichtingen van rijke families die geld ter beschikking stellen van de onderzoeksjournalistiek. Zo zijn er The Soros Foundation, The Knight Foundation, The Ford Foundation en andere, die al sinds een dertigtal jaar bestaan, maar sinds vijf jaar fors in opmars zijn. Gunstig voor de journalistiek. Maar ze zorgen niet voor een structurele financiering en dus moeten websites ook andere inkomsten zien op te strijken. Sommige verkopen hun artikelen aan de mainstream media. Andere maken hun website betalend, of doen aan crowdfunding, sponsoring door het publiek.’

Steeds meer stemmen gaan op om dit soort initiatieven te laten sponsoren door overheidsgeld. Zelfs twee Amerikaanse specialisten, mediaprofessor Robert McChesney en John Nichols van het Amerikaanse blad, The Nation, pleiten voor overheidssubsidies voor de journalistiek. ‘Commerciële belangen gaan niet samen met journalistiek’, menen ze. ‘We laten het bedrijfsleven toch ook het leger en het openbaar onderwijs niet beheren. Journalistiek dient het algemeen belang, de democratie. Helaas is die notie verdwenen sinds advertenties het nieuws financieren.’

Maar er is een ommekeer aan de gang. ‘Het commerciële model loopt op zijn laatste benen’, zeggen ze. ‘En dus moet de journalistiek herrijzen als een non-profitsector die overeind wordt gehouden met overheidssubsidies. Ze verwijzen naar de Amerikaanse geschiedenis. De presidenten Thomas Jefferson en James Madison waren begin negentiende eeuw ook al voorstander van een gesubsidieerde pers, zonder overheidscensuur, ten voordele van een sterke democratie.’ Interessant, maar vooraleer Amerika de pers zal subsidiëren met overheidsgeld, zal er nog veel water door zee stromen.

Toch is de vraag alleen al bijzonder tekenend. Ook bij ons kijkt iedereen in de richting van de openbare omroep, die een voortrekkersrol zou moeten spelen als het aankomt op onderzoeksjournalistiek. Al heeft de VRT een niet al te beste beurt gemaakt met zijn bedremmelde communicatie over het boek ‘De Keizer van Oostende’ van de twee VRT-journalisten Wim Van Den Eynde en Luc Pauwels. Wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk. Wie Vande Lanotte het vuur aan de schenen legt, of dat nu gebeurt met een boek dat tijdens of buiten de werkuren van de VRT is gemaakt, weet dat er een reactie volgt en moet zich daartegen wapenen.

Hoe dan ook wil de VRT zich in de toekomst meer op onderzoeksjournalistiek toeleggen, zo blijkt uit de beheersovereenkomst. ‘Daar zijn ook middelen voor voorzien’, zegt Jan Holderbeke van Panorama, waar het aantal reportages van eigen makelij zal toenemen. ‘Dit jaar al gaan we van tien naar dertien eigen reportages voor Panorama. In 2013 moeten dat er zestien worden, en twintig in 2014-2015.’

Een voorzichtige, maar gunstige evolutie. Degelijke journalistiek, bij uitbreiding onderzoeksjournalistiek, blijft immers absoluut noodzakelijk, niet alleen bij de openbare omroep. Journalistiek informeert de burger, maar bevraagt ook degenen die macht en invloed uitoefenen en hoort daar kritisch over te verslaan. ‘Als je weet dat voor iedere journalist in Amerika vier pr-lui klaar staan, moeten we ons wel hoeden’, waarschuwt mediaprofessor McChesney. Bij de Europese instellingen zouden er dat nog veel meer zijn. ‘Een Amerikaanse studie geeft aan, dat de journalist voor slechts veertien procent van alle artikelen die verschijnen, zelf het initiatief neemt. De overige artikelen komen tot stand op aansturen van de overheid of van belangengroepen. Als we daar niet tegen in gaan’, besluit hij, ‘breekt de post-journalistieke toekomst aan: de gouden eeuw van de propaganda.’ Dan zijn we ver verwijderd van Watergate.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!