Nieuws, Wereld, Economie, Milieu, Europese Commissie, Friends of the Earth, Uraniumwapens, Analyse, Experts, EC-Scientific Committee on Health and Environmental Risks, SCHER-rapport, Gezondheidsrisico's, Belgische Coalitie Stop Uraniumwapens (BCSUW), Hoorzittingen -

Experts vinden opinie Europese Commissie over uraniumwapens vooringenomen

Volgens onafhankelijke wetenschappers is de opinie van de Europese Commissie gebaseerd op gebrekkig, vooringenomen en selectief onderzoek. Het lijkt erop dat die opinie onder druk van de wapenindustrie tot stand kwam. Klaarblijkelijk werd de doelbewuste misleiding van het publiek beoogd over het potentieel langetermijngevaar dat uitgaat van de naoorlogse restanten van uraniumwapens.

vrijdag 3 februari 2012 12:25

De kritiek van onafhankelijke wetenschappers is niet mals. Een overzicht.

Op 18 januari 2011 antwoordde de Franse oud-minister van Defensie op een parlementaire vraag dat onderzoeken door onder meer de Europese Commissie “geen gevallen hadden opgeleverd van langetermijneffecten op de gezondheid of het milieu” ingevolge het gebruik van antitankwapens met verarmd uranium. (1)

Europees Parlement verzoekt Europese Commissie om risico-evaluatie van uraniumwapens

Het neologisme ‘uraniumwapens’ is de verzamelnaam voor conventionele antitankmunitie en bepantsering met verarmd uranium. Om vijandelijke pantservoertuigen sneller en efficiënter te vernietigen, kwamen in 1974 in de VS de eerste types antitankprojectielen die met verarmd uranium werden versterkt, in massaproductie. Deze projectielen bevatten een pijlvormige staaf die gemaakt is van een legering op basis van verarmd uranium (een zwaar metaal en afvalproduct uit de kernenergiesector).

De inslag van deze projectielen ontwikkelt een hitte van ongeveer 3.000 graden Celsius waardoor stofwolken ontstaan. Deze bevatten minuscule, voor het oog onzichtbare, uraniumoxidedeeltjes. Het gebruik van uraniumwapens in de Golfoorlog (1991), de Balkanoorlogen (jaren negentig) en de Irakoorlog (2003) veroorzaakte lokale hotspots (chemisch en radioactief vervuilde plaatsen). Verarmd uranium werd toen in verband gebracht met de ongewone toename van nieuwe kankers en aangeboren afwijkingen in de gebieden die met uraniumwapens werden bestookt.

Een resolutie van het Europees Parlement verzocht de Europese Commissie in mei 2008 om ‘wetenschappelijke studies te verrichten naar het gebruik van verarmd uranium in alle regio’s waar Europees en internationaal militair en burgerlijk personeel is ingezet.’ (2) De Europese Commissie moest de potentiële gevolgen voor de gezondheid van het gebruik van uraniumwapens  onderzoeken.

Ze mandateerde SCHER, het EC-Scientific Committee on Health and Environmental Risks, om over dit vraagstuk een opinie uit te werken. SCHER betrok drie externe experts bij het onderzoek, waaronder professor Victor Meineke van het Bundeswehr Institute of Radiobiology in Duitsland.

Nadat de voorlopige opinie van SCHER was gepubliceerd, merkten critici op dat dit ontwerp totaal geen melding maakte van een reeks van 25 publicaties in de peer-reviewed wetenschappelijke literatuur die sinds 2001-2002 aantoonden dat verarmd uranium een mutagene stof is.

Een mutagene stof kan het erfelijk materiaal in de celkern beschadigen en zo erfelijke veranderingen veroorzaken en kanker verwekken. Uitgebreid in ‘vitro en in vivo’ laboratoriumonderzoek toont aan dat verarmd uranium, zowel in oplosbare als in niet-oplosbare vorm, op verscheidene manieren het DNA in het genoom kan beschadigen en de eigenschappen (fenotypes) van aangetaste cellen kan veranderen.(3)

Europees Parlement organiseert hoorzitting over eindrapport Europese Commissie

Volgens SCHER levert blootstelling aan verarmd uranium weinig of geen risico’s op voor de menselijke gezondheid.
Op 6 oktober 2011 organiseerde het EP-Committee on Foreign Affairs – Subcommittee on Security and Defence (EP-SEDE) een hoorzitting in het Europees Parlement. Daar uitten onafhankelijke experts forse kritiek op het eindrapport van SCHER. (4)

1. Hoewel het eindrapport (5) uiteindelijk wel refereert naar studies over mutageniteit, streven de auteurs ernaar om de relevantie van deze studies te minimaliseren.

2. Terwijl critici erop hadden gewezen dat het ontwerprapport niet in detail inging op recente studies over de giftigheid van verarmd uranium, werd dit probleem nog steeds niet opgelost in het definitieve rapport.

Dr. Keith Baverstock, stralingsdeskundige en docent aan het departement milieuwetenschappen van de University of Eastern Finland, bekritiseerde de methodologie van de auteurs van het SCHER-rapport. Volgens hem is SCHER vertrokken van haar vooringenomen opinie dat in de praktijk het risico van blootstelling aan verarmd uranium beperkt zal zijn tot heel lage niveaus door de mate waarin blootstelling mogelijk is. (6)

Dr. Baverstock verklaarde: “Het SCHER-rapport is meer een benadering van risicomanagement  dan van risico-evaluatie. De opinie van SCHER zou juist kunnen zijn, maar ze is niet gebaseerd op degelijk wetenschappelijk onderzoek.” Dr. Baverstock vindt het hoogst misleidend wanneer in de laatste paragraaf van het SCHER-rapport een onderzoek van 80 VS-oorlogsveteranen (met scherven van verarmd uranium in hun lichamen) aangehaald wordt als bewijs voor het ‘ontbreken van effecten op de gezondheid’.

Dit onderzoek van een heel klein aantal personen kan onmogelijk beantwoorden aan de vereisten van een realistische epidemiologische studie. Bovendien werd in de publicaties die SCHER over dit veteranenonderzoek citeerde, geen melding gemaakt van twee veteranen die kanker hadden, omdat de onderzoekers (McDiarmid en a.) dienaangaande beweerden dat deze kankers ‘niet waren veroorzaakt door’ verarmd uranium. (7-8)

Dr. Baverstock eindigde zijn evaluatie als volgt: “Het falen van de auteurs van het SCHER-rapport om de kwestie van mutageniteit aan te pakken, die zij nochtans erkennen door te wijzen op diverse relevante documenten, en daarentegen te vertrouwen op andere rapporten waarvan zij weten dat die verouderd of onbelangrijk zijn, is een ernstige tekortkoming van wetenschappelijke professionaliteit.” (9)

In april 2010 had chemisch ingenieur Henk van der Keur reeds kritiek geuit op de selectieve benadering van de auteurs van het voorlopige ontwerprapport van SCHER. Van der Keur schreef: “Een hele reeks publicaties over de gezondheidseffecten van verarmd uranium, die onmogelijk kunnen worden genegeerd, staan niet in het rapport vermeld. [nvdr: in het voorlopige ontwerp van het SCHER-rapport – dat opengesteld werd voor publieke evaluatie en kritiek – stond geen enkele studie van dr. Alexandra C. Miller vermeld] 

Sinds midden jaren negentig heeft dr. Alexandra C. Miller en haar stralingsbiologisch onderzoeksteam, dat rechtstreeks valt onder het Pentagon [nvdr: Amerikaans ministerie van Defensie], meer dan tien wetenschappelijke artikelen gepubliceerd waarin onder meer wordt vastgesteld dat de stofdeeltjes verarmd-uraniumoxiden waaraan Amerikaanse veteranen zijn blootgesteld tumoren opwekken en bevorderen. Er is geen ander wetenschappelijk team dat zo uitvoerig heeft gepubliceerd over de effecten van verarmd uranium op celniveau. Het negeren van deze publicaties wijst op wetenschappelijke fraude.” (10)

Ook de International Coalition to Ban Uranium Weapons (ICBUW) – een wereldwijd samenwerkingsverband van actiegroepen en wetenschappers – gelooft niet dat het SCHER-rapport een gedegen basis geeft voor het Europese beleid aangaande wapens met verarmd uranium. Hieronder volgt een kort overzicht van het kritische commentaar van ICBUW. (11)

SCHER’s behandeling van voorgaande studies over verarmd uranium

SCHER’s behandeling van voorgaande studies over dit onderwerp is misleidend omdat het verband tussen deze studies en hun gedeelde methodologieën niet duidelijk wordt gemaakt. Er is geen discussie over eventuele beperkingen of onzekerheden in de benadering van deze studies.

De meeste van deze rapporten behandelen uitsluitend het risico van de radioactiviteit. De studies die toch de chemische toxiciteit behandelen, beperken zich tot slechts enkele gevolgen voor de gezondheid. Geen van deze studies probeert de risico’s vast te stellen van de giftige effecten van verarmd uranium op het erfelijk materiaal. SCHER lijst ook enkele studies op die enkel korte samenvattingen zijn of afgeleid zijn van andere studies in de lijst.

Risico-evaluaties die gebruik maken van modellen van de International Commission on Radiological Protection en stralingsbeschermingsstandaarden

Stralingsrisicovaststellingen, inclusief dezen die worden aangehaald door SCHER, maken gebruik van dosislimieten afkomstig van normen die werden bedacht voor civiele nucleaire programma’s. Deze normen zijn niet toepasbaar op het gebruik van verarmd uranium gedurende gewapende conflicten, want zij zijn afhankelijk van instellingen en beveiligingen die niet beschikbaar zijn in oorlogstijd.

Deze normen zijn ook afhankelijk van een samenleving die beslist heeft dat de risico’s van blootstelling aan een radioactieve bron worden gecompenseerd door de potentiële voordelen. Dit kan nooit het geval zijn met het militaire gebruik van verarmd uranium, waar de burgers, die het risico dragen en de militairen die het duidelijke voordeel krijgen, afzonderlijke en verschillende partijen zijn.

Hoewel het SCHER-rapport suggereert dat er enige twijfel is over het kankerrisico van blootstelling aan lage stralingsdoses, is zo een stellingname in strijd met de wetenschappelijke opinie, inclusief met deze van de ICRP. Het is in brede kringen aanvaard dat lage stralingsdoses kankerverwekkend zijn, en dat dit in de internationale en Europese stralingsbeschermingsnormen wordt weerspiegeld.

Er bestaat weinig twijfel over dat elke blootstelling aan verarmd uranium gepaard gaat met een risico op de ontwikkeling van kanker. De weloverwogen opinie van de meeste experts op dit terrein is dat radioactieve besmetting te veel risico op elk niveau met zich meebrengt.

Specialisten aanvaarden dat elke stralingsdosis, hoe klein ook, een verhoogd kankerrisico met zich meebrengt. Het risico om kanker op te lopen, verhoogt proportioneel met een verhoging van de dosis. Deze verhouding staat bekend als het Linear No Threshold (LNT) model, dat inhoudt dat de relatie tussen dosis en risico lineair is, en dat er geen drempelwaarde is waaronder deze relatie niet opgaat.

Over dit onderwerp lijkt SCHER niet in de pas te lopen met het gevestigde wetenschappelijke denken, aangezien SCHER probeert om het LNT-model in twijfel te trekken. Dit model is echter zo wijd en zijd aanvaard dat SCHER moet toegeven dat LNT de ‘aanvaarde norm’ is. (12)

De indruk die het SCHER-rapport geeft, dat het LNT-model recentelijk uit de gratie zou zijn gevallen, is onjuist. Terwijl de ICRP en anderen het LNT-model recentelijk opnieuw hebben onderzocht, was de conclusie dat “een lineaire verhouding in overeenstemming is met het overgrote deel van de beschikbare mechanistische en kwantitatieve gegevens”, en dat deze gegevens suggereren dat er geen drempelwaarde bestaat. (13) (14)

Bovendien heeft het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC) – onderdeel van de Wereldgezondheidsorganisatie, WHO – in 2009 alle radioactieve substanties die in het menselijk lichaam alfa-deeltjes uitzenden, geklasseerd als ‘kankerverwekkend voor mensen’. (15)

Het is duidelijk dat elke hoeveelheid verarmd uranium – een uitzender van alfa-deeltjes – in het menselijk lichaam een risico inhoudt op de ontwikkeling van kanker. Het LNT-model maakt integraal deel uit van de Basic Safety Standards (BSS) en wordt wereldwijd aanvaard door stralingsbeschermingsinstanties, inclusief alle agentschappen van de Verenigde Naties die de BSS opstellen, en stralingsbeschermingsinstanties op het niveau van de lidstaten (16) en de Europese landen. (17)

Er bestaan verscheidene van elkaar verschillende, maar onderling verbonden ICRP-modellen voor verschillende delen van het lichaam. Terwijl de modellen gebaseerd zijn op beschikbare wetenschappelijke gegevens, blijven er toch nog significante onzekerheden. De kenmerken van ingeademde radioactieve deeltjes – hun grootte, vorm, structuur, oplosbaarheid – kunnen allen op significante wijze de eventuele dosis beïnvloeden.

Terwijl sommige van deze onzekerheden erkend zijn door de ICRP, de Wereldgezondheidsorganisatie en andere, worden ze in het SCHER-rapport niet besproken. Nochtans zijn de meeste rapporten van deskundigen die door SCHER worden geciteerd, gebaseerd op de ICRP-modellen. De CERRIE-commissie van de Britse regering kwam tot de bevinding dat de onzekerheid bij de berekening van het stralingsrisico van interne stralende deeltjes kan oplopen tot twee ordes van grootte.

Besmettings- en blootstellingsgegevens

Kenmerkende gegevens van besmetting door verarmd uranium in het open veld is fragmentarisch en afgebogen naar bepaalde soorten wapens. Bovendien zijn de meeste veldgegevens gebaseerd op eenmalige bezoeken aan besmette locaties, dikwijls jaren na het gebruik van de wapens, en is er weinig bekend over de veranderingen in de verontreiniging gedurende het verloop van de tijd.

Hoewel sommige Amerikaanse testgegevens het mogelijk maken om verbeteringen aan te brengen aan de ICRP-risicomodellering, suggereert dit ook dat de kenmerken van besmetting aanzienlijk kunnen variëren van luchtaanval tot luchtaanval, wat de risico-evaluatie verder compliceert. De auteurs van het SCHER-rapport hebben belangrijke gegevens over de besmetting van water in Bosnië uit hun rapport weggelaten.

Studies over de blootstelling van soldaten en burgers

Terwijl weinig studies verhoogde uraniumniveaus hebben aangetoond in de urine van de bestudeerde mensen, zijn in de literatuur overwegend veteranen en bijna geen burgers onderzocht in de getroffen gebieden. Bovendien houden de meeste studies geen identificatie in van de personen die het meest risico lopen ingevolge blootstelling aan verarmd uranium. Zo blijven er vragen over de relevantie van deze studies. De voorstelling van dit materiaal door SCHER is eens te meer misleidend, in het bijzonder voor het aantal bestudeerde burgers.

Extrapolatie van gegevens uit laboratoriumonderzoek over de toxicologische effecten van verarmd uranium op dieren

Hoewel laboratoriumonderzoek met dieren suggereert dat er andere gezondheidseffecten zijn die in verband kunnen worden gebracht met de blootstelling aan verarmd uranium, probeert het SCHER-rapport enkel het toxicologische risico op nierschade vast te stellen.

Andere gezondheidseffecten kunnen zich voordoen bij een blootstelling onder het niveau dat nierschade kan veroorzaken. Het SCHER-rapport erkent deze onzekerheid niet en gaat ervan uit dat nierschade het enige belangrijke gezondheidseffect is. In plaats van een aantal recente wetenschappelijke publicaties over de verschillende toxicologische en mutagene effecten van verarmd uranium te behandelen, legt het SCHER-rapport deze als onbelangrijk naast zich neer.

Epidemiologie

Omdat epidemiologische gegevens over burgerbevolkingen die werden blootgesteld aan verarmd uranium in de wetenschappelijke literatuur ontbreken, probeert SCHER de resultaten van studies over uraniummijnwerkers en -molenaars toe te passen op de gezondheidsrisico’s van militaire blootstelling aan verarmd uranium.

In brede kringen worden de vastgestelde gezondheidseffecten bij uraniummijnwerkers in verband gebracht met de blootstelling aan radongas. Maar de sterke link met de blootstelling aan radongas sluit de potentiële schade ingevolge blootstelling aan uranium niet uit.

Studies over werknemers in uraniummolens waar blootstelling aan radon minder een probleem stelt, hebben geen statistisch significant verband geïdentificeerd tussen uraniumblootstelling en gezondheidsproblemen, hoewel sommige een verhoogd risico op een aantal problemen laten zien, onder het niveau van statistische belangrijkheid.

Spijtig genoeg ontbreekt het deze studies aan betekenisvolle blootstellingsgegevens, zodat we ze niet kunnen inroepen als informatie over de risico’s van verarmd uranium van militaire herkomst. Er is ook reden om aan te nemen dat de kenmerken van blootstelling aan deeltjes (waaronder grootte en oplosbaarheid) in uraniummolens mogelijk minder gevaarlijk is.

Medische studies over Amerikaanse veteranen die blootgesteld werden aan verarmd uranium tijdens oorlogsvoering

De medische studies die werden uitgevoerd onder toezicht van het US Department of Veterans Affairs zijn van beperkt nut om de potentiële gezondheidseffecten van blootstelling aan verarmd uranium vast te stellen. Het ontbreken van een enkele cohort, of van een controlegroep, evenals het beperkt aantal onderzochte individuen maken betekenisvolle interpretaties van de resultaten onmogelijk. Bovendien werden een aantal belangrijke zaken niet goed opgevolgd, of zelfs volledig weggelaten uit rapporten, inclusief de aanwezigheid van veteranen waarbij tumoren werden vastgesteld in een bestudeerde groep.

Aanbevolen risicobeperkende maatregelen werden niet en zullen niet worden ingevoerd

Terwijl er een aanzienlijke hoeveelheid literatuur bestaat over de potentiële gezondheidseffecten van blootstelling aan verarmd uranium, is het beeld dat het SCHER-rapport voorschotelt, misleidend. Terwijl het duidelijk is dat blootstelling gepaard gaat met enig risico, blijkt het moeilijk dit met enige mate van zekerheid te kwantificeren.

De tekortkomingen op verscheidene terreinen die in dit commentaar worden geïdentificeerd, zijn zodanig dat het bewijs niet op betrouwbare wijze kan worden gebruikt om de bewering te versterken dat het risico ingevolge blootstelling aan verarmd uranium verwaarloosbaar is, zoals het SCHER-rapport lijkt te suggereren. Een betere benadering bestaat erin de onzekerheden te erkennen en behoedzaam te werk te gaan, eerder dan te vooronderstellen dat schade onwaarschijnlijk is.

Alhoewel SCHER erkent dat er enig potentieel voor schade bestaat, werden de maatregelen om het risico te beperken – zoals gesuggereerd door internationale agentschappen zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Royal Society en het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) – in het algemeen niet opgevolgd door de staten waar uraniumwapens werden gebruikt.

Bovendien verzekert de aard van de post-conflictomstandigheden dat de maatregelen ook in de toekomst waarschijnlijk niet zullen worden ingevoerd. Een verstandige aanpak van dit probleem is deze die het Europees Parlement aanbeval: het gebruik van deze wapens moet het onderwerp zijn van een internationaal moratorium, en er moeten stappen worden gezet in de richting van een internationaal verdrag om wapens met verarmd uranium te verbieden.

Dit is de enige benadering die in lijn is met stralingsbeschermingsnormen en een gezonde benadering van milieuverontreiniging.

Naar aanleiding van de hoorzitting in het Europees Parlement was er een voorstel om een brief te schrijven naar Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Europese Commissie. Echter, drie leden van de EP-Commissie voor Veiligheid en Defensie, die bovendien niet op de hoorzitting aanwezig waren, blokten dit voorstel af.

Willem Van den Panhuysen

Willem Van den Panhuysen is medewerker van de Belgische Coalitie Stop Uraniumwapens (BCSUW) en actief bij Friends of the Earth. 

Noten en referenties:

(1) Assemblée Nationale, 13de legislatuur. Antwoord gepubliceerd d.d. 18 januari 2011 in Journal Officiel blz. 483, op vraag nr. 96313 van de heer Philippe Briand (UMP) naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 22 mei 2008 dat aan de Europese lidstaten vraagt om een moratorium op het gebruik van uraniumwapens in te stellen; http://questions.assemblee-nationale.fr/q13/13-96313QE.htm

(2) Europees Parlement, 2008 mei 22 Traité mondial visant à l’interdiction des armes à l’uranium, doc. P6_TA(2008)0233; http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2009:279:0084:01:FR:HTML

(3) Baverstock, Keith, dr. (PhD), 2010 Critical evaluation of SCHER 2010, blz. 9; http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201110/20111021ATT30060/20111021ATT30060EN.pdf

(4) International Coalition to Ban Uranium Weapons, 2011 oktober 6 MEP’s hear criticism of European Commission’s depleted uranium risk assessment; http://www.bandepleteduranium.org/en/a/415.html

(5) Europese Commissie SCHER, 2010 mei 18 Opinion on the Environmental and Health Risks Posed by Depleted Uranium, Scientific Committee on Health and Environmental Risks; http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/consultations/public_consultations/scher_cons_04_en.htm

(6) Baverstock, Keith, Dr. (PhD), 2010 Evaluation of the SCHER opinion on DU in 2010, blz. 6; http://www.bandepleteduranium.org/en/docs/168.pdf

(7) ibidem

(8) Fahey, Dan, 2008 april 2 False Negatives – Fact and Fiction about Depleted Uranium and US Veterans, blz. 14-23; http://www.bandepleteduranium.org/en/docs/42.pdf

(9) Baverstock, Keith, Dr. (PhD), 2010 Evaluation of the SCHER opinion on DU in 2010, blz. 7; http://www.bandepleteduranium.org/en/docs/168.pdf

(10) Van der Keur, Henk, ir., 2010 april, Adviseurs Europese Commissie verdoezelen doelbewust risico’s verarmd uranium, opiniestuk gepubliceerd op D4net; http://www.d4net.nl/node/644

(11) Cullen, Dave, 2011 oktober 6 ICBUW’s commentary on the Scientific Committee on Health and Environmental Risks (SCHER) Opinion on the environmental and health risks posed by depleted uranium (DU), blz. 1-26; http://www.bandepleteduranium.org/en/docs/169.pdf

(12) Europese Commissie SCHER, 2010 mei 18, op. cit. blz.8

(13) UNSCEAR, 2000a Sources and effects of ionizing radiation, vol. II Effects. UNSCEAR Report to the General Assembly, with Scientific Annexes, United Nations ScientificCommittee on the Effects of Atomic Radiation, blz. 10-11; http://www.unscear.org/unscear/publications/2000_2.html

(14) International Commission on Radiological Protection, 2007. The 2007 Recommendations of the International Commission on Radiological Protection. Annals of the ICRP, vol. 37, nrs. 2-4, blz. 1-332; http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18082557

(15) El Ghissassi, Fatiha., et al., 2009 A review of human carcinogens – part D : radiation, in naam van het World Health Organization International Agency for Research on Cancer Monograph Working Group, The Lancet Oncology., vol. 10, nr. 8, blz. 751-752 ; http://www.arpa.emr.it/cms3/documenti/uv/Lancet_Oncology.pdf

(16) CDS1 RPD, 2007 september 21 Simplification and review of Radiation Protection Directives including Basic Safety Standards (BSS) and Outside Workers directives, Directive; http://www.hse.gov.uk/aboutus/europe/euronews/dossiers/radiationprotect.htm

(17) Mundigl, S., 2010 Revision of the Euratom Basic Safety Standards Directive – current status. Radiation Protection Dosimetry, vol., 144, nrs. 1-4, blz. 12-16; http://rpd.oxfordjournals.org/content/early/2010/10/18/rpd.ncq294.abstract

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!