Vrouw met baby in Burundi (Isale) (foto: Tomas Dossche)
Nieuws, Wereld, Economie, Politiek, België, Ontwikkelingssamenwerking, Klimaatverandering, Grondstoffen, 11.11.11, Hongersnood, China, Millenniumdoelstellingen, Ondervoeding, Schuldenlast, Speculatie, Biodiversiteit, Biobrandstoffen, WTO, MDG, EU-landbouwbeleid, Moedersterfte, Voedselsoevereiniteit, Minst Ontwikkelde Landen, BRIC-landen, Familiale landbouw, MOL, Eerlijke handel, Kindersterfte, Analyse, Officiële ontwikkelingshulp, VN-vooruitgangsrapport, MDG8, Landbouwsubsidies, Nieuwe technologie, Mobiele telefoons, Toegang tot internet, Medicijnen, ODA, Verklaring van Parijs, Doha-ronde, Zuid-Zuidsamenwerking, Alternatieve vormen van financiering, Eigenaarschap, NAMA (Non Agricultural Market Access) -

Millenniumdoelstellingen anno 2011. De klok blijft staan op 5 voor 12

Het meest recente voortgangsrapport door de Verenigde Naties over de Millenniumdoelstellingen (MDG's in het jargon) zoemt in op de achtste en laatste doelstelling. Die kan worden samengevat als: “Werken aan een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling”. De klok tikt, de tijd loopt, maar hoop op vooruitgang in de minst ontwikkelde landen is er nauwelijks. Tomas Dossche analyseerde het VN-rapport.

dinsdag 27 september 2011 11:00

Voor de Belgische NGO’s en de koepelorganisatie van de Noord-Zuidbeweging, 11.11.11, is deze achtste doelstelling héél belangrijk. Ze wordt ook beschouwd als dé doelstelling waar de organisaties die streven naar duurzame ontwikkeling in het Noorden iets aan kunnen doen. Hier en nu …

Het Noorden moet zijn beste beentje voor zetten

Het doel moet immers zijn dat de rijke landen hun beste beentje voor zetten, niet alleen door geld te geven, maar ook door meer werk te maken van eerlijke handel, betaalbare medicijnen en schuldkwijtschelding.

Dit zijn domeinen en werkpunten waarvan het zwaartepunt vooral in het Noorden ligt, en die niet zelden raken aan internationale politiek en de invulling van economische globalisering.

Het achtste millenniumdoel (MDG8) gaat over de manier waarop de rijke landen de arme landen in het Zuiden kunnen helpen met het behalen van de andere millenniumdoelen. Bijvoorbeeld door meer ontwikkelingshulp te geven, schulden te verlichten en handelsbarrières weg te nemen.

Hierdoor krijgen de arme landen meer mogelijkheden om hun producten te exporteren naar de rijke landen. Dus sleutelbegrippen zijn handel, hulp, schulden, toegang tot geneesmiddelen en verspreiding van nieuwe technologie. Met  extra aandacht en steunmaatregelen voor de minst ontwikkelde landen, afgekort MOL.

“De score met betrekking tot de genoemde deelterreinen is grotendeels negatief”, aldus 11.11.11, koepelorganisatie van Nederlandstalige NGO’s in België. En dit is een cruciaal gegeven, omdat het behalen van de andere zeven doelstellingen – broodnodige verbeteringen op gebied van honger, onderwijs, gender, kindersterfte, moeilijke zwangerschappen, aids/malaria en milieu – hiervan sterk afhangt.

Het Zuiden als slachtoffer van crisis in het Noorden

Door de blijvende gevolgen van de financiële crisis, komt de solidariteit zwaar onder druk te staan. Het globale partnerschap tussen Noord en Zuid, tussen rijk en arm, tussen geïndustrialiseerde en op traditionele landbouw gebaseerde samenlevingen, evolueert niet in de ‘goede’ richting zoals vooropgesteld. En hiermee wordt bevestigd hoe complex verweven de geglobaliseerde samenleving in mekaar zit. De ondersteuning van ontwikkeling in het Zuiden kan immers niet gerealiseerd worden zonder:

  • de beloofde verhoging van de officiële ontwikkelingshulp (ODA);
  • meer rechtvaardige regels voor internationale handel (subsidiebeleid, toegang tot markten);
  • een duidelijke voortzetting van het kwijtschelden van de schuldenlast van landen die niet in staat zijn tot het terugbetalen ervan;
  • een veralgemeende toegang tot betaalbare geneesmiddelen, voor de meest voorkomende en vaak fatale ziektes (malaria, aids);
  • toegang tot nieuwe technologie, en niet in het minst een inhaalbeweging met betrekking tot ICT, om de kenniskloof te beperken. 

Vooral de financiering van ontwikkelingshulp en de internationale handelsrelaties zijn bepalend voor de algemene voortgang van de andere zeven milleniumdoelen. Tijd voor een analyse en enkele kanttekeningen die het pleidooi voor meer actie van het Noorden moeten aanwakkeren.

1. De officiële ontwikkelingshulp bereikt een recordhoogte maar …

Volgens het VN-rapport, bedroeg de officiële ontwikkelingshulp (ODA) in 2010 zo’n 129 miljard dollar, het hoogste peil ooit. Niettegenstaande dit ogenschijnlijk goede resultaat van internationale solidariteit, is het zinvol om een aantal deelaspecten toe te lichten. Beter is niet hetzelfde als ‘goed genoeg’.

De mythe van de beloofde 0,7 procent

Het totaal bedrag van 129 miljard dollar is ‘slechts’ 0,32 procent van het globale Bruto Nationaal Product (BNP) van de rijke landen, en dus beduidend lager dan de 0,7 procent die als doel gesteld werd.

Slechts vijf landen geven meer dan 0,7 procent van hun BNP, zijnde Noorwegen, Luxemburg, Zweden, Denemarken en Nederland. België behaalde een behoorlijke zesde plaats met een score van 0,6 procent, bijna een verdubbeling sinds het jaar 2000.

Verwacht wordt dat de stijging van de officiële hulp eerder zal stagneren: terwijl er voor de periode 2008-2010 nog een stijging was van 8 procent per jaar, wordt slechts een groei van 2 à 3 procent verwacht voor de periode 2011-2013. Deze cijfers moeten in het perspectief van de financiële en economische crisis geplaatst worden.

Aan dit tempo zullen de rijke landen tegen 2015 niet veel hoger uitkomen dan een schamele 0,35 à 0,40 procent en daarmee amper de helft bereiken van de millenniumdoelstelling. En zoals aangehaald, is het zonder bijkomende middelen moeilijk om de andere doelstellingen te halen.

De armste landen en de top 20 van de officiële hulp 

Hoewel de minst ontwikkelde landen in 2010 wel een verhoogde officiële ontwikkelingshulp gekregen hebben, blijft het nog steeds onder de vooropgestelde streefcijfer. Naar deze landen ging in 2009 ‘slechts’ 37 miljard dollar.

Dit is nog geen 0,10 procent van het totale Bruto Nationaal Product van deze rijke landen, dus zo’n opoffering voor de armsten der aarde is het niet. Het VN-rapport geeft ook de ‘top 20–lijst’ aan van de ontvangende landen: hier zijn slechts 9 landen die ook in de lijst van minst ontwikkelde landen voorkomen.

Het meeste geld gaat dus niet noodzakelijk naar de armste landen. Dit zou o.a. ook te maken kunnen hebben met het totaal aantal inwoners van een land: zo kreeg het ‘low-middle income’ China zelfs in 2009 nog meer hulp in absolute cijfers dan het arme Ethiopië.

Maar belangeloos is officiële hulp natuurlijk zelden. Zo gaat een groot deel van de hulp ook naar landen die zich in een (na)oorlogssituatie bevinden en, zoals we inmiddels weten, komt de hulp voor de wederopbouw vaak van dezelfde landen die de oorlog hebben veroorzaakt of aangewakkerd.

En het verband tussen oorlog en de (rijke) ondergrond of de strategische ligging van het oorlogsgebied zijn zeker aan te tonen. Zo staan de landen Irak, Afghanistan, Ivoorkust, Palestijnse gebieden en DR Congo vrij bovenaan in de lijst. Binnenkort de beurt aan Libië?

“Faites ce que je dis, mais ne faites pas ce que je fais”

Een kloof tussen de langetermijnbeloftes en de uiteindelijke resultaten komt vaak voor. Het valt echter te betreuren dat beloftes die amper in 2005 tijdens de G8-top in het Schotse Gleneagle gemaakt werden, onder auspiciën van de VN, niet worden nageleefd.

Nochtans was het net de bedoeling van die bijeenkomst de inhaalbeweging voor het behalen van de millenniumdoelen écht in te zetten, niet te hooggegrepen doelstellingen, maar realistische en haalbare doelen voor 2010.

Het voorbije jaar zou zeker 0,38 procent van het BNP worden besteed aan officiële hulp (het resultaat was 0,32 procent). Het noodlijdende Afrika zou in 2010 een totaal bedrag krijgen van 64 miljard dollar, maar het continent kreeg slechts 46 miljard dollar.

Moeten ontwikkelingslanden het ‘normaal’ vinden dat de rijke landen slechts 70 procent doen van wat ze beloven zéker te zullen doen? Hiermee geven de rijke landen opnieuw niet echt het goede voorbeeld voor een hernieuwde strijd om ook de andere millenniumdoelen (verbeteringen op gebied van honger, onderwijs, gender, kindersterfte, moeilijke zwangerschappen, aids/malaria en milieu) te halen.

De vorm van officiële ontwikkelingshulp

Het grootste deel van de officiële hulp bestaat tegenwoordig uit ‘grants’ (giften of schenkingen). In 2009 had nog slechts 11 procent van de officiële hulp de vorm van leningen, hoofdzakelijk afkomstig van Zuid-Korea en Japan. Dit is ooit anders geweest en het is dus goed nieuws, omdat anders het schuldenprobleem van de armste landen nog of opnieuw vergroot.

Ongeveer 84 procent van de hulpstroom zou in 2009 onder de term ‘ongebonden’ kunnen worden geclassificeerd. Hierbij bepaalt het donorland niet langer unilateraal waarin/waaraan het geld geïnvesteerd moet worden, maar is het veeleer aan de regering van het ontvangende land om het geld toe te wijzen aan de verschillende noodlijdende structuren of sectoren.

Er wordt vooral afgestapt van de klassieke projectmatige steun. Deze trends passen ook in de Verklaring van Parijs. Sectorale budgetondersteuning laat toe dat een bepaald donorland zijn budgettaire hulp in een beperkt aantal sectoren concentreert, in samenspraak met het ontvangende ontwikkelingsland en ook in coördinatie met de andere donorlanden. 

Deze budgetondersteuning zou volgens studies tot de beste resultaten kunnen leiden inzake relevantie, duurzaamheid, efficiëntie en effectiviteit van ontwikkelingshulp. Maar natuurlijk moeten hiervoor ook aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden.

Goed bestuur van de ontvangende regeringen en professionaliteit van de uitvoerende ministeries en departementen zijn noodzakelijk, maar komen niet zomaar vanzelf. 

Het cijfer van 84 procent is daarom wel gedeeltelijk omstreden. Een aantal ‘progressieve’ landen (waaronder Nederland, Denemarken, …) die vanaf 2005 reeds veel budgetondersteuning gaven, hebben de neiging om de budgettaire vrijheid van de ontvangende landen opnieuw in te perken.

Dit kan door de budgetondersteuning sectoraal te beperken, of opnieuw meer inspraak te eisen in de manier waarop het geld geïnvesteerd wordt. De financiële steun is vooral problematisch in landen waar corruptie diepgeworteld zit en onvoldoende competentie bestaat om beleid om te zetten in uitvoeringsstrategieën en operationale planning. Capaciteitsopbouw en uitwisseling van competentie, maar ook langdurige samenwerking zijn hiervoor nodig.  

Alternatieve vormen van hulp, hoop en vernieuwing 

Het VN-rapport vestigt (terecht) ook de aandacht op een aantal andere trends en realiteiten die helpen een volledig beeld te krijgen van de ‘hulp aan het Zuiden’. Sommige daarvan zijn zelfs hoopgevend.

De hulpstromen afkomstig van landen in het Zuiden naar andere, minder ontwikkelde landen van het Zuiden stijgen sterk en worden niet meegeteld in de officiële hulp uit het Noorden.

We spreken van ‘Zuid-Zuidsamenwerking’. Schattingen spreken van een bijkomend bedrag van 12 à 15 miljard dollar. Deze geldstromen zijn meestal afkomstig van opkomende landen (BRIC-groeilanden, Zuid-Afrika, oliestaten).

Deze hulp is beslist anders van aard, wordt ook anders (of nauwelijks) gecoördineerd, is niet altijd belangeloos, maar het staat vast dat de uitwisseling van ervaringen van het type Zuid-Zuid bepaalde voordelen kan hebben.

Er zijn de privé-initiatieven die uiteraard niet bij de ODA worden gerekend, maar dit bedrag zou oplopen tot 53 miljard dollar (2009). In absolute termen is het grootste deel afkomstig uit de VS (37 miljard dollar). Het gaat om bedrijven, stichtingen, religieuze instellingen, fondsen, universiteiten, vrijwilligersorganisaties (vb. Bill Gates Foundation).

Ook hier zijn de mogelijkheden tot coördinatie en objectieve meting van resultaten vrij beperkt, omdat deze donoren nog méér dan andere, zich het recht toe-eigenen hun fondsen op hun manier aan te wenden (wat niet uitsluit dat goede resultaten bereikt zouden kunnen worden, enkel is het niet gegarandeerd en niet controleerbaar).

Nog niet operationeel, maar wel veelbelovend en veelbesproken, zijn de innovatieve bronnen van financiering, zoals bijvoorbeeld de taks op financiële transacties die door heel wat regeringsleiders wordt voorgesteld. Het optimisme over unanimiteit en operationalisering hierover lijkt wel te verdwijnen als sneeuw voor de zon, eenmaal de beurswereld zichzelf uit de rode cijfers probeert te redden.

Versterken van effectiviteit, lokale capaciteiten en eigenaarschap

Naast deze cijferanalyses inzake de hulp– en geldstromen, is het VN-rapport ook vrij kritisch wat betreft de resultaten en hamert het op een hogere effectiviteit van de hulp zelf, door (i) meer nadruk op capaciteitsversterking van de lokale partners, (ii) de doelstellingen van de donoren beter te laten inpassen in de nationale ontwikkelingsplannen, (iii) een beter beheer van de fondsen te verkrijgen door het streven naar transparantie en beperken van bureaucratische inefficiëntie, (iv) een blijvend streven naar echte eigenaarschap (toe-eigeningsgraad) door de doelgroep (directe begunstigden) van de acties.

Opvolgingsbijeenkomsten worden voorzien om deze indicatoren op te volgen. Er zijn er gepland in Busan (Zuid-Korea) einde november 2011. In 2012 volgt dan het DCF (Development Cooperation Forum)

2. Minst ontwikkelde landen staan aan de zijlijn van de wereldhandel

Veel ontwikkelingslanden hebben vanaf midden jaren negentig een betere toegang tot de westerse markten gekregen. In 1996 kwam ongeveer de helft van hun export belastingvrij de ontwikkelde landen binnen. Inmiddels ligt dat percentage op bijna 80 procent. Dit ondanks de vrees voor hernieuwd protectionisme tijdens het begin van de wereldwijde crisis in 2008.??

Door het wegnemen van handelsbarrières zouden de arme landen meer mogelijkheden moeten krijgen om hun producten te exporteren naar de rijke landen. Uit het evaluatierapport van de VN blijkt dat er zowel goed als slecht nieuws is voor de ontwikkelingslanden. Wel blijkt uit het rapport dat het als MOL moeilijk is om een graantje mee te pikken als de internationale handel heropleeft. 

Enkele cijfers in verband met de internationale handel:

– Na een forse daling (min 9 procent) in 2009 van de export van Zuid naar Noord als gevolg van de financiële crisis, was er een sterk herstel van de handel en de export vanuit de ontwikkelingslanden nam in 2010 weer fors toe (plus 13 procent).

– Er wordt echter voor de komende jaren een maximale stijging van 8 procent verwacht voor de komende 2 jaar, beduidend minder dan de gemiddelde stijging van 11 procent in de jaren vóór de crisis (2006-2008).

– Deze export wordt vooral bepaald door de opkomende economieën (BRIC), met natuurlijk China als absolute koploper in de rij. Ter herinnering: de Chinese Volksrepubliek zal nog vóór 2015 Duitsland inhalen als grootste netto-exporteur ter wereld en tegen die tijd zal China ook over de Verenigde Staten springen, als grootste economie ter wereld. Merk op dat de totale export van alle minst ontwikkelde landen samen in 2009 nog steeds lager lag dan 1 procent.

– Ongeveer 78 procent van de import uit de MOL-landen is nu vrijgesteld van belastingen (‘duty-free‘). Hierin is blijkbaar enige verbetering merkbaar. Op kledij en textiel liggen de importtarieven evenwel nog dikwijls op zo’n 7 à 8 procent.

En ook op elektronische producten wordt nog 5 à 6 procent belasting geïnd bij export. Maar de handelsbarrières zijn voor de landbouwproducten grotendeels afgebouwd (maximum 2 procent). Dit geldt ook voor andere grondstoffen, de olie uit Afrika wordt bijvoorbeeld geïmporteerd met weinig of geen taks (olie is goed voor een kleine 10 procent van de totale waarde van de import uit MOL-landen).

Geen expert in export, wel slachtoffers van dumping en speculatie

Voor de minst ontwikkelde landenwordt stabiele economische groei nu extra bemoeilijkt doordat de prijzen voor basisproducten en grondstoffen heel volatiel geworden zijn. De armste ontwikkelingslanden zijn daar extra kwetsbaar voor omdat ze vaak afhangen van de export van een beperkt aantal producten.

Het VN-rapport waarschuwt dat de gemiddelde exportconcentratiefactor van de minst ontwikkelde landen zelfs voort gestegen is de laatste 15 jaar. Dit wil zeggen dat ze steeds een kleiner aantal verschillende producten uitvoeren. Of het nu ruwe olie, mijnbouwertsen, onverwerkte katoen, koffie, thee, cacao of palmolie is: een nationale economie die voor 20 à 50 procent afhangt van een paar exportproducten is een vogel voor de kat wanneer speculanten, die morgen de winst willen opstrijken van hun handel van gisteren, de prijs bepalen.

Diversificatie van de economie is voor deze landen noodzakelijk, maar vaak niet mogelijk gezien de negatieve spiraal waarin ze zitten. Deze landen worden inmiddels overspoeld door het slechtste van wat aan (half)afgewerkte producten ‘Made in China’ op de markt bestaat en ook door een aantal (voedsel)overschotten van de rijke landen.

Dit maakt het steeds moeilijker zelf productie op te zetten en maakt hen steeds afhankelijker van invoer. Voor dié landen, met reeds een negatieve handelsbalans, en afhankelijk geworden of gemaakt van import, kan een plotse prijsstijging van de basisproducten die ze zelf invoeren (rijst, tarwe, olie) snel leiden tot instabiliteit, onzekerheid en spanningen tussen bevolking en overheden.

Deze sterke prijsfluctuaties zijn veelal het gevolg én de oorzaak van beursspeculatie, waartegen blijkbaar nog geen bestrijdingsmiddelen bestaan. Als de meeste economen het er over eens zijn dat deze nieuwe speculanten in feite geen enkele toegevoegde waarde creëren voor de economie (zij het énkel voor zichzelf), dan vraag je je toch af waarom deze vorm van witteboordencriminaliteit op het hoogste niveau niet bestreden wordt.

Geld kan je niet eten. Maar één persoon met geldhonger kan er wel voor zorgen dat duizenden anderen een trage hongerdood sterven.

Hoewel er wel een aantal MOL-landen zijn die hun export hebben kunnen diversifiëren, blijft het grootste deel van de landen in Sub-Sahara Afrika verstoken van deze economische mogelijkheden. De stijgende export is dus grotendeels toe te wijzen aan de opkomende economieën, met de Aziatische tijgers op kop.

In een klimaat van heropleving van protectionistische maatregelen, lijkt dit niet het ideale moment om een productie op te starten in een arm land. De meeste landen met positieve groeicijfers in Afrika hebben belangrijke bronnen aan natuurlijke grondstoffen – maar zoals geweten vloeien de inkomsten hiervan zelden terug naar de bevolking of naar duurzame investeringen.

Gevolgen in het Zuiden van de landbouwsubsidies in het Noorden   

Een terugkomend heikel punt blijven de subsidies voor de landbouw van de Verenigde Staten en de Europese Unie. Die subsidies werken overproductie in de geïndustrialiseerde landen in de hand, waarvan de overschotten vaak gedumpt worden bij de MOL-landen.

Producten zoals tarwe, rijst, maïs en katoen zijn de belangrijkste, maar tegenwoordig wordt vanalles verhandeld wat de opkomende middenklassen in algemeen armere landen zou kunnen interesseren.

In mindere mate, maar toch in stijgende trend, zien we ook exportsubsidies opduiken in groeilanden van Azië en Zuid-Amerika. De voordelen voor deze landen: je houdt de productie op peil (van het strategische voedsel) en bouwt reserves op als bescherming tegen tekorten bij mislukking van de oogst.

En de overschotten worden verkocht op de wereldmarkt, evenwel onder de reële productiekost. Dit is echter oneerlijke concurrentie voor de armste landen. Dit verplicht veel boeren in het Zuiden om onder hun eigen kostprijs te verkopen waardoor ze niet kunnen sparen, investeren, diversifiëren, verwerken, commercialiseren…

Hoewel veel NGO’s pleiten voor hogere budgetten voor de ondersteuning van landbouw in deze landen en/of de bescherming van hun eigen interne markten (voedselsoevereiniteit), stellen we vast dat dit nauwelijks gebeurt.

Ontwikkelingslanden hebben zo’n krap overheidsbudget dat het landbouwbudget van 5 à 10 procent amper genoeg is om de lonen van de ambtenaren te betalen. Vergelijk dit met het Europese subsidiebeleid: studies bepalen dat 30 à 40 procent van het inkomen van een Europese landbouwer komt van deze subsidies. Daar kan een Congolese boer alleen maar van dromen.

Recente studies tonen evenwel aan dat de kleinschalige familiale landbouw (wereldwijd meer dan 2 miljard mensen), de duurzaamste vorm van landbouw is. Deze vorm en schaal van landbouw is dikwijls zo divers waardoor ze zich snel kan aanpassen en zelfs veerkrachtig te noemen is. Zeker op lange termijn bekeken en ook in het kader van klimaatverandering en behoud van biodiversiteit. Hier zou dus moeten worden geïnvesteerd. De groene revolutie brengen tot in Afrika.

Tegelijkertijd heeft de landbouw in Afrika nog het meeste potentieel tot productieverhoging (gemiddeld 1 ton per hectare terwijl 10 ton per hectare elders), op voorwaarde dat zij niet meer in de marge wordt geduwd door de oneerlijke concurrentie met de gesubsidieerde, industriële, vervuilende en energieverslindende landbouw in het Noorden.

Want het moet wel de moeite lonen op korte termijn voor een Afrikaanse boer om te investeren in verbetering. En die moeite moet dus beloond worden tijdens de volgende oogst.

Stilte voor de honger

Wereldwijd lijden 800 à 1.000 miljoen (!) mensen aan ondervoeding, waarvan bijna jaarlijks een variabel aantal (1 à 5 miljoen) met de dood wordt bedreigd, dit terwijl er globale voedseloverschotten zijn (zelfs soms op nationaal vlak): de hongerlijders zijn voor drie kwart zelf landbouwers – zij produceren, eten hun oogst, verkopen het overschot, maar kunnen geen reserves opbouwen binnen de regels van de markteconomie die zij moeten ondergaan.

Zodoende kan een mislukte oogst tot honger(dood) lijden voor een gezin, terwijl een ander gezin in de stad dat leeft van de tertiaire sector met enige geldreserves gewoon doorgaat met kopen. Ook op de markten in de Afrikaanse grootsteden zijn er voedseloverschotten, want de handelaars (groot of klein) verkopen ook met maximale winst. Dit begint met een zo goedkoop mogelijke aankoop bij de boer.

Recentelijk zijn investeerders wél geïnteresseerd in de nog onmetelijke landbouwgronden in Afrika, maar dan als vorm van speculatie met oog op het veilig stellen van voedselbevoorrading voor eigen gebruik (bijvoorbeeld oliestaten zonder landbouwgrond) of voor de productie van biobrandstoffen voor de westerse markt (energiemultinationals).

Afrika is en blijft een reservecontinent in de ogen van de financiële toplui. Er zitten veel natuurlijke rijkdommen, of het nu mensen zijn, de ondergrond, of wat er kan groeien. En als de wereldeconomie die grondstoffen nodig heeft, dan worden die op de markt gebracht.  

Handel op de arbeidsmarkt 

Tussen 2007 en 2010 verloren wereldwijd zo’n 28 miljoen mensen hun werk, waarvan een groot deel in de opkomende economiëen. Hoewel de werkgelegenheid in die opkomende industrielanden als China opnieuw de niveaus bereikt heeft van voor de crisis, is het uitkijken naar de impact van de volgende algemene beurscrash.

Als gevolg van de crisis hebben de rijke landen verstrengde controles en bijkomende beperkingen op arbeidsmigratie toegepast. Bescherming van de eigen arbeidsmarkt heet het ook wel. Anderzijds mag niet uit het oog verloren worden dat de totale bedragen van geldtransfers ten gevolge van arbeidsmigratie tot drie maal hoger zijn dan de officiële ontwikkelingshulp: naar schatting zo’n 326 miljard dollar in 2009.

Deze bedragen worden vooral geïnvesteerd in de verbetering van huisvesting en levensomstandigheden van de familie van de arbeidsmigrant. Een investering die zeker ten goede komt aan de volgende generatie.

BRIC komen voor zich op 

De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft effectief sterk gepleit voor bijkomende kredieten om de wereldhandel tijdens en na de crisis op peil te houden. Zo’n 250 miljard dollar werd hiervoor vrijgemaakt. Minder dan één derde van de 60 armste landen kan hiervan genieten. Dit bevestigt waarschijnlijk dat die landen zo goed als niets te verhandelen hebben op de wereldmarkt.

De BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) en Zuid-Afrika laten hun stem doorwegen op de onderhandelingen. Ze willen belastingsvrij (duty free) en ongelimiteerd (quota free) kunnen uitvoeren naar de rijke landen.

De opkomende economieën (BRIC) drukken steeds harder hun stempel op de agenda van bijeenkomsten over wereldhandel, zodat de rijke landen zich zelfs nu moeten verdedigen om bijvoorbeeld ook méér toegang te krijgen tot de Chinese markt. Tijdens de bijeenkomsten van de WTO wordt weinig gesproken over de MOL-landen.

De BRIC-naties verdedigen zeker de belangen van de sterk groeiende economieën, maar ze versterken ook het huidige systeem van vrije markt en de oorzaken van klimaatsopwarming, en het is niet duidelijk in hoeverre de armste landen hiervan beter zouden kunnen worden.

China hamert veel meer op NAMA (Non Agricultural Market Access), gebaseerd op de Verklaring van Doha uit 2001, die oproept voor reductie of eliminatie van tarieven op exportgoederen die van belang zijn voor ontwikkelingslanden. Deze groep maakt inderdaad al 90 procent van het volume van wereldhandel uit.

Een betere (her)verdeling van de groei naar de minst ontwikkelde landen zou prioritair moeten zijn. Zo heeft de DFQF voor alle MOL-landen eigenlijk zo goed als geen impact op de rijke landen. Het VN-rapport geeft aan dat voor deze landen een stijgende export van maximaal 10 miljard dollar per jaar zou kunnen worden gerealiseerd, nog niet eens 0,02 procent van de gezamenlijke import van de rijke landen.

Met het programma ‘Aid for Trade‘ wordt extra geld gegeven aan ontwikkelingslanden om hun exportcapaciteiten te verhogen. Zo’n 40 miljard dollar in 2009, waarvan het grootste deel naar Azië en Afrika ging. Economische infrastructuur, ondersteuning bij productiecapaciteiten,… Vietnam en India waren de grootste ontvangers van deze fondsen.

3. Verlichting van de schuldenlast 

Steeds minder ontwikkelingslanden zuchten nog onder hoge schuldenlasten. Dit komt door beter schuldmanagement, een toename van de handel en aanzienlijke schuldkwijtschelding voor vooral de armste landen.??

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ïdentificeerde in mei 2011 nog 19 landen die in schuldnood waren, waaronder 8 landen die als HIPC -land bestempeld worden (heel zware schuldenlast).

Sinds juni 2010, genieten de zware schuldenlanden DR Congo, Guinee-Bissau, Liberia en Togo van een speciaal programma, dat de schulden versneld moet verlichten, het zogenaamde MDRI (Multilateral Debt Relief Initiative).

4. Betaalbare medicijnen?

Veel medicijnen zijn in ontwikkelingslanden te duur of onvoldoende voorradig. Daarom is afgesproken dat er, in samenwerking met de farmaceutische industrie, meer betaalbare medicijnen beschikbaar moeten worden gesteld.

De toegang tot een aantal belangrijke medicijnen is de afgelopen jaren flink verbeterd. Steeds meer mensen ontvangen nu antiretrovirale therapie ter behandeling van HIV/aids of krijgen een ACT-behandeling tegen malaria (zie ook millenniumdoel 6).

Ook is de prijs van veel medicijnen gedaald. Toch zijn er wereldwijd nog steeds miljoenen mensen die het zonder deze medicatie moeten stellen.? Dit heeft dan ook weer te maken met de andere factoren van ontwikkeling.

5. Meer internetaansluitingen en mobiele telefoons?

Moderne communicatiemiddelen als mobiele telefonie en internet zijn van groot belang voor de ontwikkeling in arme landen. Hiermee kunnen mensen eenvoudiger aansluiting vinden op de wereldeconomie. In samenwerking met het bedrijfsleven moet dan ook worden gewerkt aan een betere beschikbaarheid van deze middelen.

Het aantal mobiele telefoons en internetaansluitingen is de laatste jaren ook in de ontwikkelingslanden flink gestegen. Desondanks is de kloof met de ontwikkelde landen ook op dit gebied nog groot.

In 2010 lag het aantal internetgebruikers in de ontwikkelingslanden op 21 per 100 inwoners (in de minst ontwikkelde landen slechts 3 per 100). In de rijke landen lag dit cijfer op 72 procent.

In een aantal landen worden de mobiele netwerken ook gebruikt om microkrediet te verstrekken. Of gewoon als middel om geld op te sturen (gebrekkige connectie tot het wereldwijde internet in de armste regio’s verhoogt aanzienlijk hun achterstand in deze snel veranderende wereld, waar toegang tot kennis en informatie steeds belangrijker wordt).

Besluit: aandacht voor Millenniumdoel 8 moet werken als catalysator

Uit het rapport komt duidelijk naar voren dat de twee eerste deelaspecten van millenniumdoel 8 zeer zwaar doorwegen op de hele problematiek van duurzame ontwikkeling.

Terwijl toch vrij goede deelresultaten bereikt werden rond schuldverlichting, toegang tot generische geneesmiddelen en toegang tot communicatie- en informatietechnologie, blijkt andermaal dat structurele veranderingen op zich laten wachten. Hierdoor kan vooruitgang van deze concrete doelen (alsook millenniumdoelen 1 tot en met 7) belemmerd worden.

De prognoses voor een stagnatie van de ontwikkelingshulp en de conservatieve houding van de rijke landen inzake internationale handel als gevolg van financieel-economische crisis tonen aan dat hulp niet of onvoldoende in een breder kader van opbouw van duurzame wereld wordt beschouwd.

Net zoals de aandacht voor problematiek van klimaatsverandering naar de achtergrond verdwijnt, terwijl juist de oververhitting van het financiële systeem de opwarming veroorzaakt en dus de oplossingen net hier zitten. 

Als de economische groei krimpt, moeten de armste landen hiervoor boeten, terwijl in Afrika bijvoorbeeld het meeste groeipotentieel zou kunnen zitten. Het grootste deel van de stijging van de wereldbevolking tegen 2050 zal in Afrika gebeuren (verdubbeling tot 2 miljard). 

Vertrekkend vanuit hun eigen ervaringen en zich baserend op dit voortgangsrapport, leggen de Belgische NGO’s volgende eisen voor aan de regering en aan het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking:

– dat België meer en betere middelen voorziet (met de 0,7% van het BNP voor ontwikkelingssamenwerking en een belasting op financiële transacties);

– dat België de strijd ondersteunt tegen de klimaatverandering (met adequate financiering, vermindering van de eigen CO2 en druk op de EU);

– dat België voorstellen steunt voor productie van en makkelijker toegang tot goede en betaalbare generische geneesmiddelen;

– dat België voorstellen ondersteunt met betrekking tot democratisering van de internationale besluitvorming (met een sterkere rol voor de VN), en verhoogde vertegenwoordiging voor de ontwikkelingslanden in gespecialiseerde instellingen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!