Gent wil zich ook als 'vredesstad' profileren
Nieuws, Wereld, Europa, Politiek, België, NAVO, Neokoloniale belangen, Defensie, EU, Defensie-industrie, Tmd, Militarisering, EU-defensietop, Militair-industrieel complex, Verdrag van Lissabon, Conflictpreventie, Vredeshandhaving, Economische belangen, Interventiedenken, Interventielegers, Militair budget, Grondstoffenaanvoer, Militaire logica, Europees Defensie Agentschap, ESRAB, ESRIF, Security Research -

De EU is nu ook een militaire macht: Europese Defensietop in Gent

Lange tijd werd de Europese Unie (EU) voorgesteld als een civiele macht, maar dit is ondertussen voltooid verleden tijd. De EU is de voorbije 15 jaar steeds sterker gemilitariseerd en met het verdrag van Lissabon heeft de EU dezelfde militaire bevoegdheden gekregen als de NAVO. Hans Lammerant van Vredesactie analiseert naar aanleiding van de Europese Defensietop van 23 en 24 september in Gent.

dinsdag 21 september 2010 19:30

De militaire capaciteiten van de EU zijn uiteraard nog niet zo sterk uitgebouwd als die van de NAVO, maar er wordt duchtig aan de weg getimmerd.

De nieuwe Europese verdragen geven de EU de bevoegdheid voor de ‘geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid’, dat mits een beslissing van de Europese Raad ook kan leiden tot een gemeenschappelijke EU-defensie.

Het verdrag van Lissabon voorziet ook dat wanneer een lidstaat gewapenderhand wordt aangevallen, de andere lidstaten met alle middelen (dus ook militaire) hulp en bijstand verlenen. De bevoegdheid van de EU om militaire operaties op te zetten buiten haar grondgebied is uitgebreid tot vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid.

De uitbouw van de structuren van een militair Europa

De beslissing om de EU een militaire poot te geven, werd genomen met het verdrag van Amsterdam in 1997. De EU kreeg de bevoegdheid om militaire te interveniëren om humanitaire redenen (de zogenaamde Petersberg-taken). Sinds de inwerkingtreding van dit verdrag in 1999 werd de Europese veiligheids- en defensiepolitiek (EVDB) concreet uitgebouwd. Hierbij dient de NAVO als model.

De NAVO bestaat uit een reeks institutionele structuren voor politieke besluitvorming (de Noord-Atlantische Raad), het concreet uitwerken van een gemeenschappelijke defensiepolitiek- en planning (de secretaris-generaal en zijn staf, met daarnaast een hele structuur van comités en overlegstructuren op het NAVO-hoofdkwartier in Evere, en de militaire planningsstructuren van de SHAPE in de buurt van Mons).

Daarnaast zijn er de militaire commandostructuren voor het leiden van de militaire operaties (zo leidt het operationele hoofdkwartier in het Nederlandse Brunssum de oorlog in Afghanistan en het hoofdkwartier in Napels staat in voor de NAVO-interventie in de Balkan).

Eigen gevechtstroepen heeft de NAVO niet, deze blijven onder de controle van de nationale staten. De lidstaten wijzen onderdelen van hun legers toe aan de NAVO voor operaties of voor de gemeenschappelijke verdediging. Daarnaast zijn enkele specifieke militaire capaciteiten uitgebouwd of geïntegreerd die wel onderdeel zijn van de NAVO-structuur zelf, zoals de controlestructuren voor de luchtverdedigiging, de AWACS-vliegtuigen en binnenkort ook de commandostructuren voor de missile defense.

Snelle interventiemacht

Vanaf 1999 werd de aanzet gegeven om onder EU-vlag een gelijkaardige structuur, parallel aan de NAVO, uit te bouwen. Een eerste stap daartoe werd gezet toen nationale troepen een EU-rol kregen toebedeeld met de eerste Headline Goal 2003.

De doelstelling was tegen 2003 een snelle interventiemacht van 60.000 soldaten met lucht- en maritieme capaciteiten mobiliseerbaar te hebben. Die zouden binnen de 60 dagen beschikbaar moeten zijn en gedurende een jaar in staat moeten zijn om een operatie uit te voeren tot 4.000 km buiten Europa. Met de noodzakelijke rotaties van troepen komt dit neer op ongeveer 180.000 soldaten.

Dat klinkt spectaculair, maar in de praktijk kwam dit vooral neer op het maken van een catalogus van de troepen die de EU-lidstaten ter beschikking wilden stellen en die catalogus voldoende gevuld te krijgen om tot de gevraagde omvang te komen. Aangezien de Europese lidstaten toen gezamenlijk bijna twee miljoen soldaten hadden, was het maken van deze catalogus vooral een inventaris van de politieke wil om deze troepen voor EU-operaties ter beschikking te stellen.

Meer problemen waren er met de inzetbaarheid van deze troepen door het ontbreken van bepaalde capaciteiten zoals maritiem- en luchttransport, spionagefaciliteiten, … In de tweede Headline Goal 2010 werden een aantal doelstellingen vooropgesteld om hieraan te verhelpen tegen 2010.

Het Politiek- en Veiligheidscomité (COPS)

Ondertussen was via het verdrag van Nice een kopie gemaakt van de institutionele structuur van de NAVO binnen de EU. De politieke besluitvorming gebeurt via het Politiek- en Veiligheidscomité, vooral gekend onder de Franse afkorting COPS. Dit wordt geadviseerd door het EU-militair comité (EUMC) en de EU-militaire staf (EUMS) zorgt voor ondersteuning.

De toenmalige NAVO-secretaris-generaal, Javier Solana, kwam een gelijkaardige rol vervullen binnen de EU-structuren als hoge vertegenwoordiger voor de gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek.

Binnen de EU was hij voor een breder pakket verantwoordelijk. Zo heeft de EU ook civiele structuren voor crisisinterventie opgezet. Maar in de praktijk blijken die vooral te dienen om na de militaire inzet de boel weer proberen recht te zetten en aan heropbouw te doen. Van echt civiele interventiestructuren is bijgevolg geen sprake meer, het geheel is doordrongen van de militaire visie op heropbouw na een militaire interventie.

Een Europees Defensie Agentschap en Battle Groups

Naast een aantal concrete maatregelen werd in de Headline Goal 2010 de oprichting voorzien van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Het EDA heeft als taak om investeringen in nieuwe defensiecapaciteiten en de ontwikkeling daarvan te coördineren.

Enerzijds heeft het de rol om de militaire noden te identificeren en onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s op te zetten om hieraan te voldoen.

Anderzijds is het EDA ook een belangrijke speler voor de Europese defensieindustrie. Het EDA heeft expliciet de taak om de technologische en industriële basis voor een competitieve defensieindustrie te onderhouden en samen met de Europese Commissie de industriële politiek uit te werken.

Een tweede belangrijke maatregel was het oprichten van de Battle Groups. Dit zijn eenheden van ongeveer 1.500 soldaten die binnen de vijf dagen inzetbaar moeten zijn voor een periode van 30 tot 120 dagen. Het grote verschil met de eerdere catalogus is dat deze eenheden effectief standby moeten zijn voor een eventuele inzet. Steeds staan twee battle groups standby, die elke zes maanden roteren.

De lidstaten wijzen dus troepen toe voor zes maanden, zonder al te weten voor welke operatie deze eventueel worden ingezet. De werkwijze is vergelijkbaar met de NATO Response Force (NRF), al heeft die een veel grotere omvang.

De deelname aan de Battle Groups houdt dus, net als aan de NATO Responce Force (NRF), een grotere politieke verbintenis in. Al blijkt het effect veeleer omgekeerd, het resultaat is dat in beide gevallen noch de EU haar Battle Groups noch de NAVO haar NRF effectief inzet.

De lidstaten geven er de voorkeur aan om ad hoc per operatie te beslissen welke en hoeveel van hun troepen ze laten deelnemen. De deelname aan deze theoretisch snel inzetbare structuren zijn daarmee vooral een trainingsperiode voor operationele samenwerking tussen de troepen uit de verschillende lidstaten geworden.

Operationeel hoofdkwartier

Ten slotte werd ook voorzien in een aanzet tot operationele plannings- en commandostructuur via een nieuw onderdeel binnen de EUMS. Dit werd in 2007 het EU Operations Centre, dat in staat is om de inzet van een Battle Group te leiden. De andere opties om een EU-operatie te leiden, is door gebruik te maken van NAVO-capaciteiten in SHAPE of via een hoofdkwartier dat door een lidstaat ter beschikking is gesteld.

In de praktijk werd vooral die laatste optie gevolgd. Zo werd het Franse hoofdkwartier in Mont Valerièn tijdens de EU-operatie in Tsjaad gebruikt, en leidde het Duitse hoofdkwartier in Potsdam de EU-operatie in Congo tijdens en na de parlements- en presidentsverkiezingen van 2006.

De verdere uitbouw van een operationeel hoofdkwartier blijft een politiek gevoelige kwestie, onderhevig aan de rivaliteit tussen de landen die een Amerikaans-georiënteerde politiek via de NAVO willen volgen en de landen die Europese grootmachtambities hebben zoals Frankrijk en Duitsland.

Politieke strijd

De politieke strijd rond de (ondertussen begraven) Europese grondwet en het ter vervanging dienende verdrag van Lissabon heeft de institutionele ontwikkeling een tijdje in de schaduw gezet. Maar het verdrag van Lissabon geeft nu de ruimte om de EU verder uit te bouwen tot een internationale institutie met dezelfde militaire capaciteiten als de NAVO.

Tijdens het huidige Belgische EU-voorzitterschap en vermoedelijk ook nog tijdens het Hongaarse, zal de aandacht vooral uitgaan naar het uitbouwen van de nieuwe structuren voor buitenlands beleid, met een eigen Europese diplomatie onder leiding van de nieuwe hoge vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid, Catherine Ashton.

Een Europees eengemaakt leger staat nog niet meteen in de steigers. En het is onzeker of dit er ooit komt, ook al zijn landen als België en Duitsland daar grote voorstanders van. Maar ook zonder zo’n leger is de EU nu in staat tot eigen militaire operaties, net zoals de NAVO. De EU is wel degelijk een militaire macht geworden.

EU: alternatief voor de NAVO of meer van hetzelfde?

In de Belgische politiek wordt de uitbouw van een militaire EU vaak voorgesteld als een alternatief voor de door de VS gedomineerde NAVO.

Vraag is wat alternatief hier wil zeggen. Bij dit soort pleidooien wordt vaak gesteld dat de Europese aanpak ‘minder militair’ en ‘meer civiel’ zou zijn. In de praktijk is daar niet veel van te merken. Zowel de NAVO als de EU hanteren dezelfde strategie van militaire interventie en heropbouw onder militaire bezetting. En beide instituties kampen met dezelfde problemen.

Het hele idee van militaire interventie en nation building houdt een aantal vooronderstellingen in:

Ten eerste dat er een proces voorhanden is om te komen tot een politieke oplossing en een duurzame vrede, nadat met een militaire interventie het geweld is beëindigd.

Ten tweede dat de militaire interventie ook de condities schept voor zo’n vredesproces en niet precies meer obstakels opwerpt.

Wordt aan deze vooronderstellingen bij de meeste militaire interventies wel voldaan? Als de mogelijkheid tot een daadwerkelijk vredesproces niet voorhanden is, worden we geconfronteerd met de keuze tussen een militaire aanwezigheid voor jaren – tot zelfs tientallen jaren – of een hervatting van het conflict na de terugtrekking van de troepen.

In de praktijk wordt de vraag hoe de vrede op te bouwen meestal pas na de militaire interventie gesteld. Dit kan worden verantwoord door te stellen dat zware mensenrechtenschendingen een snelle interventie noodzakelijk maken. Anderzijds zijn die noodsituaties vaak het resultaat van een veel langzamere escalatie van een conflict, dat daarvoor genegeerd werd.

Een militaire interventie kan ook juist voor meer obstakels zorgen. Het is belangrijk goed voor ogen te houden wat het effect van een militaire interventie is. Dergelijke interventie polariseert meestal het conflict nog meer en verkleint aldus de ruimte voor een politieke uitweg. Tegelijk neemt het belang van gewapende groepen in het conflict toe.

Politieke ruimte voor oplossing vergroten?

Dit terwijl een interventie en elke vorm van inmenging in een conflict erop gericht moet zijn om de politieke ruimte te vergroten en het belang van de civiele krachten te versterken. Met militaire peacemaking wordt de interventiemacht een partij in het conflict en belandt aldus bij een open oorlog of guerrillabestrijding. Dit conflict kan misschien wel worden gewonnen, maar met een voortschrijdende, geëscaleerde en gepolariseerde politieke situatie tot gevolg.

Het woordje ‘humanitair’ klinkt wel goed, maar in de praktijk is het recept een herwerking van de koloniale militaire doctrine. Los van doelstellingen en resultaten, werden in de jaren vijftig en zestig de kosten verbonden aan deze militaire inzet te hoog.

De dekolonisatiegolf kwam er nu eenmaal niet omdat de koloniale machten hun groot hart toonden, maar omdat de druk van de lokale bevolkingen te hoog werd. Het militair bezetten en controleren van een land vraagt een grote inzet van soldaten en die zijn tegenwoordig duur en niet voldoende in voorraad.

Na de Golfoorlog van begin de jaren negentig leken deze problemen opgelost te kunnen worden via het grote technologische overwicht, maar de VS met in hun zog Europa, is de les uit de Vietnam-oorlog en de dekolonisatiegolf aan het herleren in Irak en Afghanistan.

Teruggrijpen naar koloniaal recept

Om deze kost te verlagen, grijpen de interveniërende landen nu vaak terug naar een ander oud-koloniaal recept, de uitbouw van lokale legers. In de koloniale tijd kwam het voetvolk ook uit de kolonies zelf en waren vaak enkel de officieren afkomstig van de koloniserende mogendheid.

Deze methode wordt nu gehanteerd in Afghansitan, Congo en Somalië. In al deze gevallen blijkt dit weinig resultaat op te leveren en wel omdat dit geen oplossing biedt voor de onderliggende politieke conflicten. Deze conflicten worden gewoon in en met deze legers verder uitgevochten.

Voorlopig heerst over de gehanteerde strategie in haar fundamenten nog een grote pensée unique. Wel hebben zowel de NAVO als de EU een probleem met het laag of wisselvallige politiek engagement bij de gevoerde strategie. Een gebrek aan consensus over het buitenlands beleid is merkbaar zowel binnen EU als NAVO.

De EU-interventiepolitiek wordt gedomineerd door oude koloniale belangen en een politiek gericht op economische belangen. Zo gebruikt Frankrijk de EU om haar neokoloniale belangen te verdedigen in Afrika, bijvoorbeeld met de EU-interventie in Tsjaad ten gunste van president Idriss Déby en de Franse economische belangen in de regio. De maritieme interventie voor de kust van Somalië is vooral een invloedstrijd over de strategische economische toevoerwegen tussen Azië en Europa.

Pleidooi voor autonome EU-defensiepolitiek

Daarmee verschilt de Europese politiek weinig van de Amerikaanse. Behalve dat de belangen niet altijd gelijk lopen. Het pleidooi voor een autonome Europese militaire politiek is dan ook gericht om Europese grootmachtambities vorm te geven en het verdedigen van de eigen economische belangen.

Het humanitaire uithangbord is in Europa evenveel window-dressing als in de Amerikaanse politiek. Die belangen lopen ook binnen Europa niet gelijk, wat het voornaamste struikelblok is voor het vinden van een consensus zowel binnen de NAVO als de EU.

Dit gebrek aan consensus door uiteenlopende belangen is ook wat de verdere integratie van de nationale legers tot een Europees leger onwaarschijnlijk maakt. Want taakspecialisatie per land betekent dat landen hun autonome beslissingsbevoegdheid over militair ingrijpen moeten opgeven.

Wie zich de illusie maakt dat Europa een meer humanitaire en civiele traditie van interveniëren heeft, moet maar eens meer in detail naar de Franse neokoloniale politiek kijken.

In de meeste voormalige Franse kolonies in Afrika zijn militaire dictators aan de macht die een deel van hun opleiding in Frankrijk genoten hebben. Frankrijk heeft militaire akkoorden ter ondersteuning van haar cliënt-regimes en grijpt actief in als zijn ‘mannetjes’ in de problemen komen. En als die dictator uit de pas loopt, dan steunt Frankrijk wel een vervanger met hetzelfde profiel.

De noodzaak?

Wie agnost wil blijven wat pacifisme betreft, kan pleiten voor een Europese militaire verdediging. Een Europees leger kan inderdaad schaalvoordelen bieden. Maar ook met de huidige structuren is er veel ruimte voor een verkleining van de legers. De huidige legers staan niet in verhouding met de weinig waarschijnlijke bedreiging van het Europese grondgebied.

Kortom, ook wie gelooft in de noodzaak van een leger voor de verdediging van het eigen grondgebied kan veilig pleiten voor sterke reducties in het militaire budget. De huidige investeringspolitiek is gericht op het ombouwen van onze legers in interventietroepen. Die investeringen zijn van weinig nut voor een verdedigingspolitiek. De huidige interventielegers zijn niet eens meer uitgerust voor territoriale verdediging tegen een grootschalige invasie.

Dit toont dat ook de huidige beleidsmakers ervan uitgaan dat de EU veilig kan desinvesteren wat verdediging betreft en het scenario van een invasie op Europees grondgebied weinig waarschijnlijk vinden.

Dit wordt ook duidelijk als je de defensie-uitgaven globaal bekijkt. De VS en Europa besteden samen 65 procent van de globale militaire uitgaven (ongeveer 1 biljoen – 1.000.000.000.000 – van 1,5 biljoen dollar).

De grootste potentiële tegenstanders zijn China (99 miljard dollar of 6,3 procent van de globale militaire uitgaven) en Rusland (61 miljard dollar of 3,9 procent, wat minder is dan Frankrijk of Groot-Brittannië).

De andere demon van de militaire onheilsprofeten, Iran, besteed net iets minder aan defensie dan Polen of ongeveer 1,5 keer het Belgische defensiebudget. Wie wil besparen, kan dit dus beter op defensie doen dan door zwaar te snoeien in de sociale zekerheid.

Aanvoer van grondstoffen verzekeren

Een andere stelling is dat Europa interventiestructuren nodig heeft om zijn aanvoer van grondstoffen te garanderen. Er kan veilig gesteld worden dat dit feitelijk de belangrijkste doelstelling is in de huidige politiek. Vraag is of we gebaat zijn met zware investeringen in het militaire apparaat om globaal te kunnen ingrijpen.

Volgens ons zijn de baten hoger met investeringen die de EU zelfbedruipender maken inzake olie en grondstoffen. Met andere woorden meer investeringen in herbruikbare energie van eigen bodem is ook een veiligheidskwestie. Dit zal meer opbrengen dan het subsidiëren van een geld- en grondstoffenverspillende defensie-industrie.

Ook is dit opnieuw de vraag of zo’n interventiestrategie wel kan werken. De interventie in Somalië heeft het aantal kapingen van schepen niet fundamenteel doen dalen. En willen we echt opnieuw klaar staan voor een koloniale politiek, waarbij we met China gaan vechten voor grondstoffen in Afrika of met Rusland over de aanvoer van gas en olie?

In onze visie is een militaire verdedigingspolitiek onnodig en zijn daar alternatieven voor, terwijl een neokoloniale interventiepolitiek een weinig aantrekkelijk en onwerkbaar perspectief is.

Momenteel is het grote verschil tussen Europa en de VS dat de VS grotere militaire capaciteit ter beschikking heeft voor wereldwijde interventies. Een autonome Europese interventiecapaciteit uitbouwen, betekent een zware investering hierin. In wiens belang is dit? Duidelijk in dat van het Europese militair-industriële complex, maar is dit ook zo voor de doorsnee Europese burger?

De uitbouw van het Europese militair-industriële complex

Samenvallend met de uitbouw van een militair Europa zien we ook de uitbouw van een militair-industrieel complex op Europese schaal. De term ‘militair-industrieel complex’ wijst op een verwevenheid van de defensie-industrie en de politieke besluitvorming over defensie en een verwevenheid van de belangen tussen industriëlen en politici. Dit fenomeen is vooral heel zichtbaar in de VS.

President Eisenhower waarschuwde reeds voor de impact van de defensie-industrie op het Amerikaanse beleid. Leden van het Amerikaanse Congress stemmen vaak overbodige defensie-uitgaven weer in de begroting omdat de economie van hun staat daarvan afhankelijk is en omdat ze voor hun verkiezingscampagne afhankelijk zijn van giften van de militaire industrie. Het resultaat is dat het zo goed als onmogelijk blijkt te zijn om in de VS te besparen op het defensiebudget. Ook niet onder president Obama.

Ook beleidsbeslissingen die schijnbaar gemotiveerd worden door een militaire logica blijken bij nader inzien gemotiveerd door economische redenen. Een voorbeeld uit de NAVO-praktijk is de aankoop van C-17-vliegtuigen door een consortium van NAVO-lidstaten in november 2006.

Deze beslissing wordt verdedigd door een reeds langer gesignaleerd tekort aan langeafstandsluchttransport. Maar het voorstel van de Amerikaanse NAVO-opperbevelhebber Jones in augustus 2006 werd voorafgegaan door een persbericht in juli van Boeing, waarin het bedrijf aankondigde dat het de productielijn van deze vliegtuigen ging sluiten bij gebrek aan nieuwe bestellingen. Amerikaanse bewindslui allerhande gingen vervolgens handelsvertegenwoordiger spelen in het buitenland. Resultaat was dat Canada, Groot-Brittannië, Australië, … en ook de NAVO dergelijke vliegtuigen bestelden in die periode.

Fusies om concurrentie aan te gaan

Dergelijke fenomenen zien we in Europa ook op nationaal vlak, maar de laatste decennia is er duidelijk sprake van een Europees militair-industrieel complex. In de jaren negentig vonden grote fusie-operaties plaats in de Amerikaanse defensie-industrie.

Om te voorkomen dat de Europese defensiebedrijven helemaal tot onderaannemers van deze Amerikaanse bedrijven zouden worden gereduceerd, stimuleerden de Europese Commissie en de landen met een grote defensie-industrie het ontstaan van grote Europese defensiegroepen zoals EADS. De ontwikkeling van grote militaire systemen vergt enorme investeringen en enkel deze grote industriële groepen beschikken over de nodige capaciteit om deze ontwikkeling te kunnen volgen.

Het Europese project van de interne markt was niet gericht op het tot stand brengen van meer concurrentie op de Europese markt, maar net op het creëren van een grootschaligheid die het ontstaan van grote industriële groepen in allerlei sectoren toeliet.

Resultaat was minder concurrentie, maar ook industriële groepen die de concurrentie met Amerikaanse giganten konden aangaan. De privatisering van allerlei overheidsbedrijven om te komen tot Europese privébedrijven op het vlak van telecommunicatie, transport, financiën zijn een onderdeel van deze politiek. De defensie-industrie, die vaak in overheidshanden was, was voorwerp van eenzelfde Europese industriële politiek.

Gezien de defensie-industrie afhankelijk is van overheidsbestellingen betekent dit ook dat een Europese markt gecreëerd moest worden. De uitbouw van een Europese defensiepolitiek is dus even goed het resultaat van een industriële politiek, met het Europees Defensie Agentschap als meest zichtbare vormgeving daarvan.

Prioriteit voor economische belangen

We zien dus een omkering van de beleidsprioriteiten. Waar officieel de militaire politiek vanuit een analyse van de veiligheidsproblemen komt en een economische politiek daarop afgestemd wordt, zien we het omgekeerde.

Deze omkering weerklonk duidelijk in de speech van Javier Solana op de EDA-conference over de Europese technologische en industriële basis voor de defensie-industrie in 2007. Daar stelde hij: “Well, what is to be done? At the strategic level, there is no mystery. … We have to spend more.” “No-one should remain under the illusion that a healthy and comprehensive DTIB can be sustained on a national basis. We are, you might say, condemned to cooperate – to pool our efforts and resources. On the government side, we must combine our requirements so as to offer industry projects with a worthwhile economy of scale. And we must encourage the restructuring and consolidation of the supply side as well.”

De industriële belangen bepalen mee de analyse van de veiligheidsproblemen. De EU nodigt veelvuldig industriëlen uit in adviesgroepen op allerlei beleidsterreinen en betrekt hun in de werking van het EDA. Resultaat is dat allerlei terreinen van het EU-beleid gemilitariseerd worden door de impact van de defensie-groepen en dat de budgetten van andere beleidsterreinen voor militaire projecten geïnstrumentaliseerd worden.

Geldverspilling: Galileo tegen GPS

Een voorbeeld hiervan is het Galileo-project waarmee de EU een eigen GPS-systeem wil uitbouwen. Officieel is dit een ‘civiel’ project, maar de motivatie is om de Europese legers onafhankelijk te maken van het Amerikaanse GPS-systeem. Voor deze gigantische geldverspilling worden middelen overgeheveld uit het Europese landbouwbudget. Deze evolutie zien we ook op het Europese budget voor onderzoek, en dan vooral op het terrein van de binnenlandse veiligheid.

De EU besteed de formulering van haar beleid terzake uit aan adviesgroepen die vooral bestaan uit afgevaardigden van de defensie-bedrijven, zoals ESRAB (European Security Research Advisory Board) en ESRIF (European Security Research and Innovation Forum) en neemt vervolgens klakkeloos hun aanbevelingen over. De defensie-industrie ziet voor zichzelf natuurlijk een uitgebreide rol weggelegd in het oplossen van veiligheidsproblemen. Resultaat is dat de defensie-industrie een stevig graantje meepikt uit het Europese researchbudget.

Security Research in Oostende

Toeval of niet, tegelijk met de Europese Defensietop in Gent vindt van 22 tot 24 september in Oostende SRC’10 plaats. Dit is een Europese conferentie over security research. Deze conferentie is bedoeld als netwerkmoment tussen beleidsmakers en industriëlen om nieuwe projecten te formuleren. Wie 225 euro neertelt voor een toegangskaartje, een echt koopje in deze wereld, kan het dagelijkse functioneren van het Europese militair-industrieel complex van nabij gaan observeren.

Hans Lammerant

Hans Lammerant is medewerker bij de pacifistische vredesorganisatie Vredesactie vzw en schreef deze analyse naar aanleiding van de Europese Defensietop in Gent.

Dit artikel verscheen eerder al op de website van Vredesactie:
http://www.vredesactie.be/article.php?id=669

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!