Opinie -

Het fabeltje van krapte op arbeidsmarkt doorprikt

Je hoort het dagelijks. Om de kosten van de sociale zekerheid en de vergrijzing te kunnen blijven financieren, zijn meer mensen aan de slag dé oplossing. Dat is waar als het over jobs zou gaan met een volwaardig loon waarop een volledige sociale bijdrage wordt betaald. Maar de realiteit ziet er anders uit. De partijen die méér werk beloven willen allemaal méér flexibiliteit, minder volwaardige jobs en lagere sociale bijdragen.

donderdag 6 februari 2020 13:13

Daarbij aanvaarden de meeste partijen de concurrentiële vrijemarkteconomie, waarin elke ondernemer productiviteitsgroei wil om zijn marktaandeel te vergroten ten koste van zijn concurrenten. En productiviteitsgroei staat nu eenmaal niet gelijk met meer tewerkstelling: eerder het omgekeerde.

In dit opiniestuk nemen we je mee in een verhaal over mechanismen die leiden tot weerkerende crises en werkloosheid. 

Productiviteitsgroei 

De enige manier om als ondernemer in een concurrentiële vrijemarkteconomie te kunnen overleven, is winst maken. Slaagt hij daar niet in, dan zullen andere ondernemers uit de sector zijn marktaandeel inpikken. Om de winst te maximaliseren zal elk bedrijf de efficiëntie en de productiviteit opdrijven, zodat ze tegen een lagere prijs kunnen verkopen en daarmee hun marktaandeel vergroten. 

Efficiënter gaan produceren en de productiviteit opdrijven kan alleen maar met de hulp van technologie. Maar wat is hiervan het gevolg? Een onderneming die productiever wordt, produceert meer met minder of evenveel personeel. Als met evenveel personeel meer kan geproduceerd worden, hoeft de ondernemer niet op zoek naar nieuwe mensen. In het andere geval, met minder personeel meer produceren, zal de ondernemer een deel van zijn werknemers kunnen ontslaan. Om in de concurrentiestrijd de productiekost nog meer te verlagen, zal hij ook proberen de arbeidsduur te verlengen en te flexibiliseren, het werkritme opdrijven en de lonen stabiel houden of indien mogelijk zelfs verlagen. 

In de strijd om het marktaandeel te vergroten, klinkt dit voor elke ondernemer logisch, maar onzinnig als je het wat breder gaat bekijken. Aangezien er in de vrije markeconomie geen planning bestaat over de hoeveelheid goederen, zal elke ondernemer zo veel mogelijk willen produceren om het marktaandeel van zijn concurrenten af te snoepen. Het gevolg is dat de productiecapaciteit veel vlugger groeit dan de consumptiecapaciteit van de bevolking. Dit proces wordt nog versneld door een neerwaartse druk op de lonen. Om toch nog te kunnen verkopen aan een bevolking die zijn inkomen ziet slinken, en om geen markaandeel te verliezen aan de concurrenten, zal de ondernemer de prijzen van zijn producten verlagen. Maar daardoor zal zijn winst dalen, waardoor hij opnieuw moet besparen en misschien daardoor ook nog een deel van zijn werknemers moet ontslaan.

Het eindresultaat van dit mechanisme is overproductie omdat men de producten niet meer kan verkopen, en ook de technologie waarin ze geïnvesteerd hebben kunnen ze niet meer ten volle benutten. En dus is er overcapaciteit. Mede daardoor zullen veel bedrijven opgescheept zitten met schulden die ze niet meer kunnen afbetalen. Ze hebben immers geïnvesteerd in nieuwe, dure technologie waarvoor bedrijven in de meeste gevallen een lening hebben aangegaan. Zo komen we terecht in zowel een economische crisis, alsook in een financiële crisis. Economisch omdat er overproductie is. Financieel omdat de banken leningen gegeven hebben die de ondernemers niet meer kunnen afbetalen. 

En dan ontploft de zeepbel! 

Hoe dit in zijn werk gaat? Ooit was het veel, maar vandaag veel minder, dat een bankier geld uitleent van het geld dat hij van de spaarders verzamelde. Hij geeft aan de spaarders een rente die lager is dan de rente die hij de leners oplegt. Het verschil daartussen is zijn winst. Maar sinds de ontwikkeling van de marktsamenlevingen is deze fundamentele rol van de bankier opgehouden te bestaan. Waarom? Omdat de bestaande hoeveelheid spaartegoeden niet meer voldoende zijn, en het risico niet kunnen dragen, om te kunnen uitlenen voor de steeds grotere investeringen in de nieuwe technologieën.  De bankier moet daarom op zoek naar meer financieel kapitaal. En waar kan hij dat gaan halen? Dat antwoord geven we met een voorbeeld.

Een ondernemer die een goed draaiende drukkerij heeft, wil zijn productiecapaciteit uitbreiden en vraagt aan zijn bankier één miljoen euro om een nieuwe 8-kleurige drukpers te kopen. Een deel van de kostprijs kan hij met eigen kapitaal betalen, voor het overige deel heeft hij een lening aangegaan die hij met rente moet terugbetalen. Op het moment dat de ondernemer naar de bank stapt om één miljoen euro te lenen, heeft de bankier dat ook niet. Wat hij kan doen, en ook mag doen, is geld creëren uit het niets. De bankier zal simpelweg een bedrag van één miljoen euro bijschrijven op de rekening van de ondernemer. 

Maar natuurlijk ontstaat niets uit het niets.  Het bedrag van één miljoen euro haalt de bankier uit de toekomst. Hij creëert dus geld dat hij nog niet heeft. En vervolgens hoopt hij dat de drukkerij van onze ondernemer voldoende kan produceren om zijn lening plus de rente terug te betalen. Vanaf dat moment kan onze bankier zijn schuld terugbetalen aan de toekomst. De bankier verdient uit deze maagdelijke geboorte een belangrijk rentepercentage: hoe meer geld hij uit de toekomst overbrengt, des te groter is zijn winst. Als de bankier geen enkele beperking wordt opgelegd zal hij steeds meer geldsommen onttrekken uit de toekomst. Die beperking bestaat eruit dat een bank tegenover elk bedrag aan uitgeleend geld een zeker bedrag aan garantievermogen moet aanhouden als buffer. Deze buffer dient voor het opvangen van eventuele verliezen zoals leningen die niet meer kunnen worden terugbetaald. Sinds de crisis van 2008 zijn deze regels verstrengd.

Maar aangezien alle bedrijven hetzelfde mechanisme toepassen om hun productiviteit te verhogen: met minder personeel meer produceren aan een laag loon, zullen ze hun producten niet meer kunnen verkopen en daardoor ook hun leningen niet meer kunnen aflossen. Hun bedrijf gaat failliet en de werknemers staan op straat. Aangezien ook zij leningen hebben afgesloten met rente voor de aankoop van hun huis, en terugvallen op een lage uitkering, zullen ze net als de ondernemers ook hun leningen niet meer kunnen aflossen. Gevolg: de bankier kan de toekomst niet meer aflossen en er volgt een crash, met een crisis op alle niveaus. Met andere woorden, werkloosheid en crises zijn ingebed in het vrije marktsysteem. Zeggen dat dit systeem kan zorgen voor voldoende en gewaarborgde tewerkstelling is dan ook geloven in de eigen leugen!

Productiviteitsgroei is dus geen waarborg voor de hoop op een hoog aantal jobs. Het is wel zo dat er steeds nieuwe werknemers worden aangeworven, omdat men nieuwe talenten nodig heeft, maar door de productiviteitsgroei worden steeds massa’s werknemers weer werkloos. Het proces dat groei genereert zorgt dus tegelijk voor werkloosheid. De werknemers die voortdurend in de werkloosheid vallen, noemde Karl Marx het ‘reserveleger van arbeidskrachten’

Tekort op de arbeidsmarkt?

Nu er veel mensen met pensioen gaan, spreken de werkgeversorganisaties van een dreigend tekort aan werknemers. Volgens hen is het krapte op de arbeidsmarkt alom! Tegelijk is het ook hun grootste angst. Want in een situatie van krapte staan de werknemers met hun vakbonden sterker om betere loon- en arbeidsvoorwaarden af te dwingen.

Het is daarom dat er vandaag maatregelen worden genomen om meer ouderen de arbeidsmarkt op te jagen, zodat het spel van vraag en aanbod in het nadeel van de werknemers blijft spelen. Het is ook daarom dat men de werkloosheidsuitkeringen wil beperken in de tijd. Mensen die enkel nog kunnen terugvallen op een leefloon, komen in een uitzichtloze situatie en zullen alle soorten werk aanvaarden. Hoe meer men op deze manier het ‘reserveleger’ verzwakt, hoe gemakkelijker het is voor de werkgevers om de vakbonden te verzwakken. 

Dat er krapte op de arbeidsmarkt zou zijn, is maar hoe je het bekijkt. Als we naar de cijfers gaan kijken, scheppen die eerder een ander beeld, dan dat er een tekort zou zijn. 

Het aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen bedroeg vorig jaar gemiddeld 330.744 per maand. Dat lijkt historisch laag, maar men vergeet dat de regering een groot deel werkzoekenden niet meer in de statistieken opneemt. Het volgende staat te lezen in de sociaal economische barometer van het ABVV: 

  • Jong afgestudeerden (eerste jaar, geen uitkering): midden 2019 waren dit 35.486 jongeren; 
  • Verplicht ingeschreven werklozen zonder recht op werkloosheidsuitkeringen (bijv. mensen met leefloon): 77.976 werkzoekenden (forse stijging met 17,5% tegenover 2018); 
  • Werklozen die zich vrijwillig inschreven als werkzoekende: 39.266 werkzoekenden.

Als je deze groepen wél opneemt in de statistieken, dan waren er in de eerste helft van vorig jaar 152.728 Belgen meer, die op zoek zijn naar een job.<

En dan zijn er nog de langdurige zieken; werknemers die ziek werden door het zware- en flexibele werk. Ons land telt er zo’n 400.000: meer dan het aantal werklozen die de RVA als aantal geeft. Ook op deze zieken werd door de regering Michel de druk verhoogd door een streng sanctionerend re-integratiebeleid om het reserveleger te vergroten. De ontwerper van dit plan was Maggie De Block (Open Vld). Maar re-integratie betekent ook dat de werkgevers verplichtingen hebben en dus moeten zorgen dat de langdurige zieken terug kunnen worden ingeschakeld. Maar deze verplichtingen kwamen ze niet na.

Dat toonde het ACV aan met een studie die op 16 november 2019 in de pers verscheen. Het ACV berekende dat twee op de drie werknemers die na een lange ziekte via een traject van re-integratie opnieuw aan het werk willen, toch worden ontslagen. Het ACV rekende uit dat in 2017, 2018 en de eerste helft van 2019, minstens 52.293 mensen in een re-integratietraject zijn gestapt. 67 procent van hen werd alsnog ontslagen. Een vijfde keert met succes terug op de werkvloer. Van ongeveer 11 procent kende men het resultaat niet. Daaruit besloot het ACV dat het re-integratietraject vooral een ontslagmachine is.

Er is genoeg voor iedereen

In 2017 waren gemiddeld  5,6 werkzoekenden per openstaande vacature geregistreerd bij de VDAB. En toch roepen de werkgevers in koor dat er knelpuntberoepen zijn, dat er een te lage uitstroom in het onderwijs voor bepaalde beroepen is en dat er krapte is op de arbeidsmarkt. Maar de werkelijkheid zit zo. Werkgevers zoeken mensen met een aangepaste kennis, dikwijls van een hoog niveau. Maar de profielen die ze zoeken, zijn niet altijd beschikbaar. Liever dan mensen de nodige opleiding te geven en ervaring te laten opdoen, blijft de vacature openstaan. Zo komt het dat heel wat beroepen vandaag de naam ‘knelpuntberoep’ krijgen. Knelpunten met een ‘kwalitatieve’ oorzaak noemt de VDAB deze beroepen. 

Wat de reden voor de lage uitstroom van bepaalde beroepen uit het onderwijs is, heeft dan weer te maken met de slechte faam wegens de werkvoorwaarden en de werkomstandigheden. Bij vele beroepen is de werkdruk ondraaglijk geworden, lonen te laag en schrijnende toestanden op de werkvloer.

In sommige sectoren zoals in de voeding, de horeca, de schoonmaak en de textiel is het probleem dan weer niet de werkzoekenden vinden, maar ze houden. Hier geraken vacatures snel ingevuld, maar stappen mensen even snel weer op, wegens de lage lonen gecombineerd met ploegendienst en ongezond werk. 

Het is waar dat meer tewerkstelling zorgt voor de betaalbaarheid van de sociale zekerheid en dus ook de pensioenen, maar dan moet wel de winst uit arbeid collectief worden verdeeld. Dat geldt ook voor de productiviteitsstijging waardoor met minder mensen meer welvaart wordt gecreëerd. De tijdswinst die daaruit voortvloeit moet gaan naar meer vrije tijd; zoals arbeidsduurvermindering en geen verhoging van de pensioenleeftijd.

Sinds de aanvang van het neoliberalisme maken we de omgekeerde beweging. In 1981 maakten de lonen en de sociale bijdragen die daarop werden betaald nog 66 procent van het bbp uit. In 2018 was het aandeel onder de 60 procent gedaald ten voordele van inkomsten uit kapitaal. Als we dat in euro’s en bbp van vandaag uitdrukken, gaat dat over een verschuiving van 27 miljard euro van lonen en sociale bijdragen naar kapitaal. Dat wil zeggen dat een steeds groter deel van de economische koek naar de aandeelhouders en de grootverdieners gaat. Het is dan ook niet te verwonderen dat door deze miljardentransfer de sociale zekerheid in ademnood komt. 

Wat staat ons te doen?

Maar dat hoeft natuurlijk allemaal niet zo te blijven. Een collectieve strijd kan het tij keren. Dat is in het verleden al genoeg bewezen. Wat ons dan te doen staat? In grote lijnen een strijd voor volgende eisen:

  • een 30-urenweek, gekoppeld aan betere loon- en arbeidsvoorwaarden;
  • rechtvaardige belastingen die de rijkdom verdelen; 
  • een economie die in functie staat van de behoeften en niet van de winst. Dat kan door de sleutelsectoren die de economie dragen, te vermaatschappelijken. De gemeenschap moet ze in handen nemen. Hun doel is dan niet meer winsten van de aandeelhouders te maximaliseren, maar de productie te organiseren in functie van de behoeften van de samenleving, gekaderd in een planmatige ontwikkeling en met respect voor sociale en ecologische normen. De opbrengst van de productie vloeit dan terug naar de gemeenschap; 
  • een democratische controle op degenen die namens de samenleving het geld beheren. Zolang we het geld niet collectief en politiek beheren, met het algemeen belang als criterium, zullen de machtigen het verkwisten en het zo gebruiken dat crises groter worden en de samenleving uitgehold wordt.

 

 

 

Bronnen:

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!