De Vlaamse kust
Opinie, Nieuws, België, Bart de wever, N-VA, Kunstenbeleid, Verkiezingen 2014 -

Waar hoort kunst in het Vlaanderen van morgen?

Als je de gesprekken in de cultuursector een beetje volgt, lijkt iedereen al te weten wat er zal gebeuren als de grootste partij van Vlaanderen de komende verkiezingen zijn overwicht weet te verzilveren.

dinsdag 4 februari 2014 14:20

Het leverde tussen N-VA en stemmen uit de cultuursector al de nodige mediagenieke botsingen op. Maar is het cultuurbeleid van N-VA echt zo helder? Met welk soort kunstenbeleid wil N-VA zijn sociaal-economische en Vlaams-nationalistische visies eigenlijk gestalte geven? Moeten die congresteksten nog komen? 

(Voer voor het tweede debat in de reeks ‘4×4 – kiezen is een kunst’ van CAMPO en rekto:verso)

In de kunstensector heerst gemakshalve vooral het Grote Schrikbeeld: ‘N-VA’. De Vlaams-nationale favoriet van de verkiezingen ging immers al meermaals op ramkoers met prominente kunstenaars zoals Luc Tuymans en Tom Lanoye. In november 2012 was er de stekelige reactie van Bart De Wever op het voorstel van Behoud De Begeerte om het (Pieter) de Coninckplein te herdopen in (Herman) De Coninckplein. Een maand later volgde een demonstratieve column (dS, 12 dec 2012) die heel wat stof deed opwaaien. Samengevat stelde die column: kunst zou niet autonoom zijn want iemand moet er voor betalen. Daarom moet kunst de gemeenschap dienen. Maar hedendaagse kunst is vooral postmodern nihilisme en dus een probleem.

Zo had De Wever ook het jaar voordien ‘de hedendaagse kunsten’ al eens op de korrel genomen: “Vandaag kan kunst nog amper de gemeenschap beroeren, hoe krampachtig sommige kunstenaars dat ook via het schokeffect proberen. Veel actuele kunst heeft zich teruggetrokken in een besloten reservaat, waarbij kunst een beperkte kring samenbindt, maar hen ook af- en onderscheidt van de samenleving.” (dS, 8 nov 2011). Nog een paar weken later werden hiphop en rap geviseerd en ook in latere interviews kreeg ‘de kunstenaar’ nog maar eens lik op stuk. Het zijn geen onschuldige uitspraken. De Wevers partij is geliefd bij een publiek dat doorgaans minder hoog oploopt met onze kunstensector en dikwijls meteen de hele cultuurwinkel Belgicisme en spilzieke overbodigheid verwijt.

Een spijtig neveneffect van deze polarisatie is dat het marktgerichte cultuurbeleid van de ‘traditionele partijen’ buiten beeld dreigt te verdwijnen. Ze doet de cultuursector ook comfortabel wegzakken in een simplistische binaire opvatting over macht en politiek: ‘wij’ tegen ‘zij’, de machthebbers tegen de machtelozen, slachtoffer en dader, goed versus kwaad. Is het niet hoog tijd dat we voorbij deze simpele contramine geraken? Al te vlot kan de sector wat vermarkting en verrechtsing betreft nu de handen in onschuld wassen.

Al te makkelijk wordt er ook voorbijgegaan aan het feit dat N-VA vandaag deel uitmaakt van de Vlaamse Regering, die in 2012 samen 4 miljoen extra heeft gevonden voor de kunsten. Of dat ook de N-VA-fractie zich deze zomer zonder veel poeha heeft geëngageerd voor de vernieuwing van het Kunstendecreet. Tegelijk is dat decreet wel zo breed opgevat dat een volgende regering er in principe nog alle kanten mee uitkan. De sector kan zich dus nog aan heel wat ‘creatieve vernieuwingen’ verwachten. De centrale vraag voor het tweede debat in de reeks 4×4 Kiezen is een kunst, op 11 februari, is daarom: hoe zit het nu met dat cultuurbeleid van N-VA?

Big in Flanders: Vlaams+ versus flamingant

N-VA bedwelmt de geesten. Reeds in het eerste debat, op 14 januari, had moderator Koen Brams de handen vol om het gesprek voorbij het thema ‘N-VA’ te krijgen. Drie van de vier sprekers maakten zich sterk dat er na de verkiezingen niets zou veranderen: de echte kunstenaar zal altijd wel overleven. Maar ondanks deze even romantische als gratuite en uiterst gevaarlijke dooddoener, waren ze het er wel over eens dat het uitkijken geblazen was met N-VA.

Filosoof en activist Lieven De Cauter wees erop dat we toch niet kunnen ontkennen dat N-VA een uitgesproken neoliberale koers vaart. Ook los van donkerblauwe nieuwkomers Johan Van Overtveldt (Trends), CEO Grete Remen of Annick De Ridder en Lorin Parys (ex-Open VLD), was het al overduidelijk dat deze partij in koor met VOKA de bedrijfsbelangen bezingt en er een erezaak van maakt de macht van de vakbonden te ondergraven.

Daarnaast maakt N-VA er ook geen geheim van voorstander te zijn van kunst die de Vlaamse identiteit en het prestige van Vlaanderen ten goede komt. Dixit haar Antwerpse verkiezingsprogramma 2012, getiteld ‘Cultuur als bouwsteen voor de gemeenschap’: “Cultuur mag geen excuus zijn om niet te integreren”. Cultuur zou zorgen voor een aantrekkelijk ‘vestigingsklimaat’ voor bedrijven, kunst heette een Vlaams ‘visitekaartje’.

Sindsdien volgde onder meer de opmerkelijke stelling van Antwerps fractieleider André Gantman dat de stadsdichter ingezet moet worden voor vernederlandsing en culturele integratie van nieuwkomers (dS, 31 jan 2013), terwijl Gents fractieleider Siegfried Bracke kort daarna een lans brak voor subsidies voor The Voice van Vlaanderen op de commerciële zender VTM (dS, 1 feb 2013).

Volgens De Cauter gaat die instrumentalisering van de kunst ook gepaard met een neutralisering van kritiek. Als voorbeeld verwees hij naar hoe minister Geert Bourgeois (dS, 13 jan 2014) de kritiek lamlegde van zijn eigen Vlaamse Bouwmeester op de problematische afbouw en omslag van het Antwerpse stadsontwikkelingsbeleid richting autoverkeer in het centrum en veiligheid via repressie.

Hopelijk biedt het komende debat de mogelijkheid om, voorbij alle commotie, punt per punt rustig en grondig de discussie aan te gaan over de vermeende en effectieve standpunten van N-VA. Hoe zien zij het toekomstig Vlaamse cultuurbeleid? Hoe denkt de sector er zelf over? Wat verdient meer of net minder aandacht? Als richtsnoer zijn daarbij drie zaken van belang.

Vaderlandsliefde

Ten eerste, het is onzin te denken dat De Wever de kunstensector weg wil. Vergeet bijvoorbeeld niet dat in Frankrijk net Le Pen, weliswaar uit chauvinistische opgewondenheid, op de barricade springt voor het nationale cultuurpatrimonium, tégen het beleid van de socialistische president Hollande in. Vlaams-nationalisten willen natuurlijk wél cultuur, in het belang van het Nederlands en de constitutie van de Vlaamse lotsgemeenschap. Het moet dan wel hun cultuur zijn.

Kunstenaars die zich publiek voor deze flamingante partij uitspreken, zoals regisseur Jan Verheyen, komiek Urbanus of acteurs als Guy Van Sande of Sven De Ridder, worden met egards ontvangen. De Wever nam de kunstensector weliswaar op de korrel, maar dat lijkt toch ook vooral een proactief manoeuvre, een strategische provocatie eigenlijk, vanuit een defensieve situatie die hij liever anders zou zien.

Dat brengt ons bij het trauma van de Vlaamse Beweging: door de collaboratie hebben de Vlaamse cultuurdragers het flamingantisme de rug toegekeerd. De tijd dat gezaghebbende kunstenaars als Paul Van Ostaijen (1896-1928), Oscar Jespers (1887-1970) of Victor Servranckx (1897-1965) de Vlaamse zaak verdedigde, is al even voorbij. Dat de Vlaamse Beweging sinds de Tweede Wereldoorlog ook een uitgesproken voorkeur blijft koesteren voor traditionalistische, vaak antimoderne kunstopvattingen, versterkt die verwijdering natuurlijk alleen maar.

Flamingantisme toen en vandaag is ook iets anders, want de wereld en onze staatshervormingen hebben niet stil gestaan. De meeste kunstenaars in Vlaanderen zijn gewoon ‘Vlaams’ zoals wij Vlaamse Belgen dat doorgaans allemaal zijn: een Antwerpenaar die in Gent woont en zich zowel van de eigenheid als het verschil van deze regio’s bewust is, een West-Vlaming die de wijde wereld verkent in Brussel, een Limburger die evengoed naar Maastricht of Luik trekt en dat als een verrijking ervaart. Jongeren die het, in tegenstelling tot hun ouders soms, normaal vinden dat hun leeftijdsgenoten thuis ook andere talen spreken en andere culturen rijk zijn, enzovoorts. We hebben het dan nog niet gehad over de ‘nieuwe Vlamingen’, best niet te verwarren met de leden van de Nieuw-Vlaamse Alliantie.

Net die open Vlaamse ingesteldheid, ‘Vlaams+’ zeg maar, wordt vandaag geproblematiseerd, zelfs gemonopoliseerd door de politisering van wat de ‘Vlaamse identiteit’ heet, in functie van een ‘flamingant’ machtsstreven via separatisme. ‘Vlaams zijn’ wordt, kortom, ingezet in een ideologische cultuurstrijd met het oog op het sluiten van de rangen, die vreemd genoeg door een ‘flamingante’ denktank als de Gravensteengroep in omfloerste termen van ‘ontgrendeling’ wordt gevoerd.

Wie in Vlaanderen woont, de lokale culturele identiteit in veel van zijn facetten naar waarde weet te schatten, maar bedankt voor een reductie van politiek tot een communautair steekspel, zou weigeren voor ‘de Vlaamse identiteit’ te strijden en zich dus aan zelfverloochening schuldig maken. Veel kunstenaars voelen zich daar niet toe aangesproken. Integendeel zelfs, ze contesteren die Vlaamse identiteitspolitiek publiekelijk.

Denk aan het muziekfestival ‘0110’ tegen onverdraagzaamheid, op initiatief van onder meer Tom Barman, dat zich in verschillende steden en met steun van de VRT, Studio Brussel en De Morgen afzette tegen het Vlaams Belang, vlak voor de lokale verkiezingen van 1 oktober 2006.

Wellicht koos De Wever met zijn uitgesproken stellingnames inzake kunst en cultuur ruim op voorhand voor een politisering van de Vlaamse cultuursector, om in verkiezingstijd andermaal een ‘progressief front’ te vermijden: onze kunstenaars zouden ‘onthecht’ zijn van hun gemeenschap, stelt hij, en tegelijk ‘lakeien van de gevestigde orde’ (dS, 2 feb 2013).

Ook al wordt in dit steekspel de hele cultuursector over één kam geschoren  – het etiket ‘de culturo’s’ helpt daarbij om breed en polemisch te kunnen uithalen, zoals naar ‘de walen’ of ‘de moslims’ – toch moeten we er ook niet onnozel over doen: het is op zich een goede zaak dat De Wever als politicus de rol van kunst en cultuur ter discussie stelt. Het dwingt de sector zich over haar positie te bezinnen en die vervolgens te verdedigen. Dat is voor deze sector essentieel, omdat cultuur toch dé ruimte zou moeten zijn waarbinnen meningsverschillen en dus democratie een probleem mogen zijn.

Neutraliteit

De vraag is echter of Bart De Wever dat ook zo ziet. Kunstenaars heb je van alle slag, steeds met andere streken. De kunstensector heet dan ook een vrijplaats te zijn, waar Grote Kunst en kitsch, geëngageerd of systeembevestigend, vrolijk door elkaar fietst. Er zijn zelfs beeldende kunstenaars die graag staatsieportretten schilderen – of hoe kunst en koningshuis zichzelf trachten te legitimeren door bekendheid en prestige uit te wisselen. Voor De Wever is dat natuurlijk een open doel om de ‘kosmopolitische’ kunstenaars aan de haak te hangen. Nochtans hoef je als republikein helemaal geen Vlaams-nationalist te zijn om dat reactionair te vinden.

Ook het uitgangspunt dat de sector sowieso kosmopolitisch zou zijn, is natuurlijk fictie. Zo groot het artistieke pluralisme, zo breed ook de ideologische diversiteit, gaande van conservatief, kleinburgerlijk tot progressief. Die diversiteit heeft zeker zijn waarde, hoe (on)problematisch je ze ook vindt. Ze dwingt ons na te denken, bijvoorbeeld over het cliché dat hedendaagse kunst vandaag nog altijd avant-garde zou zijn. Of de schrikwekkende evidentie waarmee de kunstensector daar soms vanuit durft te gaan. Dergelijke vragen zijn essentieel, omdat kunst als spiegel van onze samenleving nu eenmaal een therapeutische arena van vrijspraak is, van confrontatie en conflict, macht en machteloosheid, van zingevende en noodzakelijke overtolligheid ook, maar evengoed van consensus en conformisme.

Dat brengt ons bij het tweede punt. N-VA wil best wel wat meer dan enige sympathie vanuit de kunstensector. De inzet is veel hoger: zoals de negentiende-eeuwse Duitse Kulturkampf tussen kerk en staat over de controle op het onderwijs, strijdt ook De Wever voor zijn cultuurvisie. Hij verwijst hiervoor zelf voortdurend naar de achttiende-eeuwse ideoloog Edmund Burke die cultuur opvat als datgene wat een samenhorigheidsgevoel binnen een morele gemeenschap hoort te creëren: de maïzena van een natie zeg maar. Of het ‘kostbare weefsel’, zoals De Wever het zelf noemt. Dat staat dus wel haaks op een vrijplaats voor tegenspraak of een wonderkamer van hoogst individuele expressie en het expliciteren van superdiversiteit, het verbeelden van de ‘ander’, van dat wat niet is maar zou kunnen zijn, enzovoorts.

In zijn doctoraat N-VA, analyse van een politieke ideologie (EPO, 2012), brengt Ico Maly een uitvoerige studie van hoe deze partij theoretisch vanuit een antiverlichtingsperspectief denkt, waarin niet de rechten van het individu, maar die van lotsgemeenschap centraal staan. Dat impliceert een conservatief wereldbeeld waarbij taal en cultuur in functie staan van sociale controle en inclusieve natievorming: de nieuwkomer is welkom voor zover hij of zij zich aanpast aan de traditie, en dus assimileert.

Dat ook wij ons wat zouden kunnen openstellen voor de leefwereld van de nieuwkomer, is daarbij onbespreekbaar. Dat wordt dus moeilijk, wanneer uit recent onderzoek blijkt dat één miljoen Vlamingen een vreemde afkomst heeft. Denk terloops ook aan mediarel rond de ‘neutraliteit’ van het Antwerpse loketpersoneel: het verwijderen van culturele diversiteit is geen neutraal, maar een uitgesproken ideologisch manoeuvre.

Hoewel Maly’s boek door De Wever en wat later door Bracke werd weggezet als respectievelijk ‘geleuter’ en ‘onnozel’, evenwel zonder inhoudelijke tegenargumenten, kunnen we er moeilijk omheen dat voor N-VA de zogenaamde kloof tussen de kunst en de burger in de eerste plaats bestaat uit de kloof tussen de hedendaagse kunst en de Vlaamse ‘onderstroom’, wat dat ook mag zijn. 

Laten we naar de feiten kijken: N-VA reikte haar cultuurprijs ‘Ebbenhouten Spoor 2013’ uit aan de Zwitser Aviel Cahn, tevens directeur van de Vlaamse Opera. Nog veelzeggender dan de keuze voor dit traditioneel instituut was de publieke motivatie:

De N-VA reikt deze onderscheiding uit aan een verdienstelijke nieuwe Vlaming die een bijdrage heeft geleverd aan Vlaanderen, het heeft verrijkt en een voorbeeld is voor alle Vlamingen. “Aviel Cahn bewijst dat integratie geen fabeltje is”, prees N-VA-voorzitter Bart De Wever de 38-jarige Zwitser. “Hij is een ambassadeur van het feit dat inburgering een positief verhaal kan en moet zijn.” Cahn wordt niet alleen gehuldigd om zijn snelle integratie, maar ook voor de nieuwe wind die hij door de opera laat waaien. Senator Louis Ide: “Aviel slaagt erin oude instrumenten binnen te sluizen in een opera en tegelijkertijd diezelfde opera op Facebook te zetten. Hij vernieuwt zonder te choqueren, met respect voor waarden.

De trefwoorden van deze motivatie spreken voor zich: een ode aan de voorbeeldige nieuwe Vlaming, omdat integratie een positief verhaal moet zijn, met respect voor waarden, etc. We kunnen ons natuurlijk afvragen hoe moeilijk inburgering voor een Zwitser kan zijn, vanuit zijn positie als directeur binnen een burgerlijk milieu. Dit is alleszins geen ‘Vlaams+’-prijs, zoals bijvoorbeeld aan een van de meest originele en hedendaagse choreografen, Sidi Larbi Cherkaoui, Antwerpenaar en wereldburger, kind van Belgische moeder en Marokkaanse vader.

Anderzijds maakt de prijs wel duidelijk dat N-VA kunst wil eren, en daarbij voor opera kiest. Wellicht om het imago van de Nieuw-Vlaamse voorliefde voor Tijlstoeten, schuttersgilden, fanfares en ambachten wat bij te sturen? Willy Van Geirt, de controversiële Turnhoutse cultuurschepen die in een interview in rekto:verso stelde dat cultuur dringend volkser moet worden aangepakt, is intussen ook uit het afdelingsbestuur gezet.

De N-VA-delegees van de Provincie Antwerpen hadden er onlangs dan weer heel wat beleidsmatige acrobatie voor over om, onder meer in ruil voor heel wat vrijkaartjes, twee miljoen euro vrij te maken voor een hip kunstproject van de kunstenaar-marketeer Arne Quinze in het vermarkte hippiefeest Tomorrowland. NICC, de belangenbehartiger van de kunstenaars, onderzoekt intussen hoe zij inzake dit dossier protest kunnen aantekenen, omdat deze willekeurige en intransparante beleidspolitiek een aanfluiting is van wat een democratisch cultuurbeleid hoort te zijn.

Een ander land

Een derde punt: de komende verkiezingen zijn niet alleen nationaal, maar ook Europees. Dat is cruciaal, aangezien de absolute macht al een tijdje op Europees niveau ligt. Het is daar dat de sociaal-economische agenda wordt bepaald. Dat heeft een fundamentele impact op de bandbreedte van de nationale partijen die regeringsdeelname beogen, omdat zij zich in hun programma alleen nog kunnen profileren op maatschappelijke thema’s, en bovendien alleen waarachtige beloftes kunnen maken voor zover die compatibel zijn met de vastgelegde sociaal-economische horizon.

Anders gezegd: de ‘harde’ economische koers ligt vast, lokale mandatarissen hebben slechts binnen bepaalde grenzen nog iets te vertellen over ‘softe’ maatschappelijke onderwerpen, hoe belangrijk die op zich ook zijn: holebirechten, vrouwenrechten, secularisme, individualisme, milieu, abortus en euthanasie, enzovoorts. Inzake cultuurbeleid is het daarom opmerkelijk dat de traditionele partijen zo dicht tegen elkaar blijven aankleven, om dan vanuit die gedeelde middenpositie nog alle kanten op te kunnen.

In politieke termen heet dat ‘clinching’: de tegenstander omarmen zodat die zeker geen handen vrij heeft om een eventuele electorale mep uit te delen. Kortom, cultuurbeleid wordt als politieke arena vermeden, wat het meteen ook ondergeschikt maakt aan de prioriteiten in andere beleidsdomeinen. Of om het met de woorden van cultuurminister Joke Schauvliege te zeggen: er is geen draagvlak voor cultuur in het parlement. Wie springt er dan in de bres in tijden van crisis?

Dat biedt N-VA vandaag een dubbel voordeel. Omdat zij sociaal-economisch op dezelfde koers zitten als de EU, hoeft deze partij daar alvast niet mee te botsen. Integendeel: zij kunnen voluit aansturen op het uitrollen van het EU-programma, inclusief het cultuurprogramma Creative Europe, en terloops hun accenten benadrukken. Vervolgens profileert N-VA zich – in tegenstelling tot de traditionele partijen – net wel met een cultuurstrijd, onder het motto: ‘wij durven dat zeggen’. Los van het feit dat een bepaald publiek daar best gevoelig voor is, biedt dit N-VA een hefboom om hun profiel en partijprogramma in de media te krijgen, als een ideologische partij die nog echt ergens voor staat. Dat maakt hen tot een sterke speler op het veld van de cultuurpolitiek.

De sector daarentegen kampt net met een tekort aan politieke ondersteuning. De weinige politici die zich op cultuur willen profileren, lopen al te dikwijls applaudisserend achter de initiatieven van de sector aan. Als ze al zelf beloftevolle initiatieven naar voren schuiven, dienen die vooral een persoonlijke promotiecampagne: ze profileren zich met sympathieke ideeën, maar lopen ondertussen wel nauwlettend rond die hete hangijzers die de agenda van de volgende legislatuur zullen bepalen. Daarnaast moet de sector ook tegen de sterke neoliberale stroom invaren, wat uiteraard bijzonder zwaar is en extra wordt bemoeilijkt door het soort onderlinge verdeeldheid die elke competitie om de middelen met zich mee brengt.

Wat zal er dan veranderen na de verkiezingen op 25 mei? Terugkomend op deze vraag, die wellicht de hele debatreeks in Campo zal beheersen, moeten we absoluut voor ogen houden dat het (nieuwe) Vlaams-nationalisme de eigenlijke inzet van de mediagenieke ‘culture wars’ is en blijft. Dat bleek onlangs nog maar eens uit de opinie The Broken Circle van Peter De Roover (N-VA) op het Vlaamsgezinde internettijdschrift Doorbraak.be, over de Oscarnominatie van de film The Broken Circle Breakdown. De filmtitel wordt hier al meteen politiek hertaald naar een separatistisch strijdpunt: zonder het opbreken van het Belgische cultuurbeleid, jaren geleden, was dit Vlaamse succes niet mogelijk geweest, aldus De Roover.

Ondanks de oproep van actrice Veerle Baetens tegen de splitsing op de uitreiking van de European Film Awards“omdat Vlaanderen en Wallonië iets moois samen hebben” – zou haar succes dus te danken zijn aan een gesplitst cultuurbeleid. Hoezo? Moest de Vlaamse film zich dan ‘bevrijden’ van het ‘juk’ van superieure Waalse films zoals La promesse, Farinelli, Toto le Héro, Le Huitième Jour, C’est arrivé prés de chez vous, om slechts enkele toppers te noemen? En is dat nu gelukt?

Beleven we vandaag dan de hoogdagen van een ‘Vlaamse’ filmcultuur, bijvoorbeeld omdat Michaël Pas dankzij de vele miljoenen subsidies via het decadente tax-shelter-beleid een bijrolletje mag spelen in de nieuwste film van Lars von Trier? Met dank aan de prestaties van Jan Decleir kon Vlaanderen sinds 1998 inderdaad ook een beetje trots zijn op de Oscar die de Nederlandse film Karakter kreeg voor beste buitenlandse film. Decleir weigerde in 2011 wel een Gouden Erepenning van het Vlaamse Parlement uit handen van parlementsvoorzitter Jan Peumans (N-VA).

Als we de Vlaamse focus van Peter De Roover bekijken vanuit de optiek van de Europese filmwereld, dan lijkt die misschien wereldvreemd in artistiek en cultureel opzicht, maar alvast niet in politiek opzicht. Zoals ‘Holland’ is ook ‘Flanders’ immers een handelsmerk geworden, met de zelfgekozen baseline ‘State of the art’ bovendien. Alle lidstaten dingen vandaag mee in de sociaal-economische EU-cup: “We moeten onze concurrentiepositie herstellen en de top van het Europese peloton trekken”, zo vatte Siegfried Bracke de eigenlijke inzet van de Nieuw-Vlaamse politiek onlangs samen (dS, 18 jan).

Big Flanders moet daartoe als een mini-Duitsland een marktleider worden, via een open exporteconomie eerder dan een open culturele samenleving. Spanje, Italië en Griekenland zijn in de EU-league intussen diep naar tweede en derde klasse gedonderd.

Dat brengt ons opnieuw bij de spanning tussen Vlaams+ van de Vlaamse Belg en het hedendaagse flamingantisme. In de schaduw van de communautaire splitsing die N-VA beoogt, groeit in sneltempo een culturele tweesprong binnen Vlaanderen die weliswaar mooi tot uiting komt in een gedeelde toekomstdroom, woordelijk althans, maar met een compleet verschillende invulling. Bart De Wever stelde in zijn speech op de nieuwjaarsreceptie 2014 van de N-VA in de Flanders Expo in Gent “dat het tijd is voor een ander land”.

Eveneens in Gent verenigden het middenveld en enkele culturele partners zich vorig jaar in De Toekomstfabriek, en startten het project Een ander land, met de ontwikkeling van toekomstgerichte initiatieven voor maatschappelijke verandering tot doel. De flamingant wijst de Vlaamse Belg erop dat die, door het collectieve streven naar een eigen Nieuw-Vlaamse nationaliteit te miskennen, getekend zou zijn door een tekort. Dat blokkeert de verandering die zij beogen. De Vlaamse Belg ontzegt zich daardoor een authentieke groepsbeleving, zoals de supporters van een voetbalploeg zich verenigd kunnen voelen, over de onderlinge verschillen heen. Samen in competitie om samen te winnen. Met een win-win: de supporters krijgen de emoties, de managers de winst.

Dat andere ‘andere land’ van het middenveld bekijkt het samenleven daarentegen vanuit intermenselijke verbondenheid: met solidariteit als motor om een leefbare gemeenschap op te bouwen in de eenentwintigste eeuw. Maar dan eerder vanuit sociale en culturele impulsen, ongeacht afkomst, dan vanuit een gedeeld concept van de toekomstige natiestaat. Dat zijn duidelijk twee verschillende ‘landen’, andere werelden eigenlijk, die een heel andere en zelfs tegengestelde verandering voorstaan.

Ontvoogdingsstrijd van de kunsten?

Wat zal de plaats en de rol van de kunst daarin zijn? Is er misschien een Nieuwe Verzuiling in de maak? Het is een illusie te denken dat de kunst aan deze culturele tweesprong binnen Vlaanderen kan ontsnappen. Want hoe graag het kunstenveld zichzelf ook autonoom verklaart –  om maatschappelijke dilemma’s te kunnen vermijden? –, het kan onmogelijk los staan van het sociaal-culturele leven. Zelfs als het ervoor koos zich terug te trekken in de burchten van het artistieke formalisme, zou dat vandaag een uitgesproken ideologische keuze zijn, omdat het dan gebeurt als reactie op een gevoerde cultuurpolitiek. Wat betekent die culturele tweesprong dan in het Vlaamse cultuurbeleid van morgen? En hoe intensief zal N-VA hier een voortrekkersrol in (willen) spelen? Kortom, wat staat er op het spel? En kan de sector daarop anticiperen?

Na de kaalslag in Nederland, waar recent bleek dat na de nationale cultuurbesparing van 26% ook op stedelijk niveau nog eens 250 miljoen aan cultuursubsidies werd geschrapt, merken we bij sommige kunstenaars een radicale politisering. Zo is er kunstenaar Jonas Staal. In zijn essay ‘Wees vrij! Of anders…’ in de reader Vrijheid. Maar voor wie? (2012, Uitgeverij IJzer) wees hij erop dat een kunstenaar die actief is in de publieke ruimte, sowieso de rol van een volksvertegenwoordiger opneemt. Dat geldt immers ook voor de meest ludieke nar die gaat voor vermaak, net vanwege de keuze om het vooral niet over maatschappelijke thema’s te hebben.

Dat ontkennen noemt Staal zelfs een antipolitieke daad: “Als volksvertegenwoordigers in de meest primaire zin van het woord zijn kunstenaars altijd als eerste aan zet. De oorlogen van onze westerse wereld zijn onze oorlogen. Het beleid van dit land is ons beleid. Wij legitimeren haar, wij bewijzen haar succes en bedienen haar van redenen om haar expansie voort te zetten. Het is tijd om ons af te vragen wie wij van dienst zijn geweest. Wie wij een gezicht hebben gegeven.’ (p.176). Die vraag wordt alvast onvermijdelijk voor de toekomst van kunst, ook in Vlaanderen: wie of wat geeft zij een gezicht?

Dit betekent uiteraard niet dat de kunstenaar vanaf nu dan maar onvermijdelijk onvrij is: een dienstmaagd van de creatieve economie, een nationalistische vaandeldrager oftewel een partizaan van de sociaal-culturele transitie. We leren hier eerder uit dat de kunstenaar nooit absoluut vrij is geweest. Artistieke vrijheid is dus geen evidentie, een gegeven waar de kunstenaar vanuit kan gaan, maar vraagt om een dialectiek, om niet te zeggen een voortdurend gevecht, met wat er leeft in een maatschappij.

Daarmee dienen er zich vandaag voor de kunstenaar interessante tijden aan. Een meervoudige ‘ontvoogdingstrijd’, zeg maar. Worstelen met de vermarkting. Catch met nationalistische cultuurpolitiek, zowel op Belgisch, Vlaams, Europees en zelfs op stedelijk niveau. Boksen met de soms dwingende, zelfs overtrokken verwachting om geëngageerd en zo toch maar ‘relevant’ te zijn. Maar even goed een guerrilla tegen de outputgerichte agenda’s van het kunsteninstituut in, waardoor de verbeelding voortdurend gedisciplineerd en dus ook gecensureerd wordt, herleid tot koopwaar en consumptie. Om het met een oneliner van Rudi Laermans uit het eerste debat te zeggen: Fuck format!

Dinsdag 11 februari 2014, om 20u30 in CAMPO_nieuwpoort, debatteren Siegfried Bracke, Johan Swinnen, Joost Vandecasteele en Klaas Tindemans over de cultuurpolitiek van N-VA, op de tweede avond van ‘4×4 – Kiezen is een kunst’, een maandelijkse debatreeks van CAMPO en rekto:verso in aanloop naar de stiefmoeder aller verkiezingen. Gratis mits reserveren, dat kan hier.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!