Karin Hanus (Oxfam-WW): “Onze werking is heel zichtbaar en lokaal stevig verankerd”
Interview, Nieuws, Samenleving, België, De Verenigde Verenigingen, Fairtrade, Oxfam Wereldwinkels, Karin Hanus - Verenigde Verenigingen

Karin Hanus (Oxfam-WW): “Onze werking is heel zichtbaar en lokaal stevig verankerd”

Sociale innovatie. Het begrip duikt recent veel op tijdens studiedagen en conferenties, in beleidsstukken en subsidieoproepen. Het begrip mag dan wel nieuw zijn, de gedachte erachter is dat veel minder. 'de Verenigde Verenigingen' interviewde betrokkenen van het eerste uur. Tien historische voorbeelden van sociale innovaties. Een interview met Karin Hanus, communicatiecoördinator bij Oxfam-Wereldwinkels.

maandag 28 oktober 2013 19:00

De Wereldwinkel was, is en blijft een uniek campagnemiddel voor ‘solidariteit met het Zuiden’. Want in tegenstelling tot andere solidariteitsacties is de Wereldwinkel het hele jaar door zichtbaar in het straatbeeld. En niet onbelangrijk: dit is een vrijwilligerswerking pur sang.

Oxfam staat voor eerlijke handel en verkoop van eerlijke producten in de Wereldwinkels.

Karin Hanus: “De naam Oxfam gaat terug tot het Oxford Committee for Famine Relief (Comité voor Hongerbestrijding van Oxford) dat tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtelingen opving in Engeland. Na de oorlog werd de focus op eerlijke handel gelegd: particulieren die rechtstreeks producten aankochten in het Zuiden.”

“Het Wereldwinkelidee ontstond in de slipstream van de tweede UNCTAD-conferentie in 1968. In 1971 startte een eerste winkel in Antwerpen. In Nederland bestond het model al iets langer. Koffie uit Tanzania was het eerste fairtrade-winkelproduct.”

“Onze boodschap was ‘trade, not aid’ waarbij we ons afzetten tegen de bestaande handelsverhoudingen. Het Zuiden had niet enkel voedselhulp nodig, maar ook financiële middelen en kennis om zelf te verbouwen en handel te voeren. Boeren krijgen een hogere prijs in vergelijking met de gangbare marktprijs en er is ook een fairtrade-premie, die dan weer extra geïnvesteerd kan worden. Die extra solidariteitsbijdrage maakt van ons aanbod méér dan alleen maar een fairtrade-product.”

De tijdsgeest was dus bepalend bij de oprichting van de Wereldwinkels?

“Grotendeels wel. Hier had je de gouden jaren, terwijl de massa in het Zuiden vergeten werd. Oxfam-Solidariteit was een fondsenwervingsorganisatie. De verkoop van tweedehandsproducten hoorde daarbij, net als eerlijke voeding. Die reactie op een maatschappelijk gegeven én een van onderuit groeiende beweging sprak mensen aan.”

“Aanvankelijk was de insteek nogal marxistisch, met erg links denkende medewerkers, maar het netwerk dijnde toch al snel uit tot enkele tientallen winkels.”

Waarin waren de Wereldwinkels vooral vernieuwend?

“Het samenbrengen van enkele elementen in één winkelconcept. De Wereldwinkel maakte solidariteit met het Zuiden tastbaar. Ook initiatieven van bijvoorbeeld 11.11.11 kwamen samen in de Wereldwinkel. Het was een ideale manier om de ambitie om de wereld te veranderen concreet te maken.”

“De Wereldwinkel maakte solidariteit met het Zuiden tastbaar”

“Het ‘winkeltje spelen’ is een leuke manier, maar ook een werkend model om de problematiek onder de aandacht te brengen. Het is erg zichtbaar en ook leuker dan van deur-tot-deur te gaan om zoals de 11.11.11-actie dat doet. Dat model motiveert onze vrijwilligers natuurlijk ook.”

Jullie wilden een echte sociale transformatie op gang brengen, namelijk de wereldhandel bijsturen. Welke weerstanden ondervonden jullie daarbij?

“Oxfam-Wereldwinkels werd in een bepaalde hoek geduwd, maar is toch groot geworden. We hebben nu 235 Wereldwinkels. Dat aantal is niet gestaag blijven groeien. In de jaren zeventig was het een nieuw model dat veel mensen aansprak. Toen zijn er op korte tijd heel wat winkels bij gekomen. In 1985 hadden we er een honderdtal.”

“Daarna kwam de crisis: we vreesden toen zelfs dat de Wereldwinkels niet zouden kunnen blijven bestaan. Toch zijn we in de jaren negentig weer sterk gegroeid en kwamen we uit bij 200 rond het jaar 2000.”

“Tegelijk was het sterk ideologische aspect en het belerende er al flink afgezwakt. In de jaren tachtig groeide het besef en de consensus dat we toegankelijker moesten worden en een commerciëlere aanpak moesten hanteren.”

“Het besef groeide dat we toegankelijker moesten worden”

Werd er in de loop der jaren bewust bijgestuurd? Hoe?

“Ja, net door die commerciële aanpak. Vanaf de jaren tachtig verbreedde de focus naar de klimaatproblematiek. Welke teelten moesten worden verbouwd? Welke beslissingen waren daarbij nodig? Later kwamen daar nog duurzaamheid en vrede bij. De Wereldwinkels werden toen heel actief de spil van die acties. Je kon er bijvoorbeeld je Greenpeace T-shirt kopen om mee te gaan betogen.”

Jullie werken met vrijwilligers. Vonden jullie altijd genoeg mensen?

“De Wereldwinkels werden opgericht door 18- tot 24-jarigen. Veel van hen zijn mee verouderd met de winkels. De gemiddelde leeftijd is nu 48 jaar. In de jaren tachtig stapten veel van de medewerkers van het eerste uur op, vaak wegens kinderen.”

“Zelfs toen al hoorde je dat er te weinig jongeren waren op vergaderingen: een ‘klacht’ die om de zoveel jaar terugkomt. We besloten toen, deels om subsidieredenen, om met een jongerenwerking voor 16-18-jarigen te beginnen, maar ook om ons imago te verjongen.”

“Nu richten we ons weer meer op de 30- tot 40-jarige vrijwilligers door het mogelijk te maken om van thuis uit bij te dragen. Een van onze constante sterktes is dat er voor elk wat wils is: een Wereldwinkel moet gecoördineerd worden, je kunt er vergaderen, een beurtrol in de winkel opnemen, schoonmaken, de etalage inrichten, de boekhouding verzorgen …  veel meer dan enkel verkoop.”

“We vinden moeilijker mensen voor de coördinatie dan voor kleinere klussen, maar dat was eigenlijk al altijd zo.”

Hoe staan jullie tegenover subsidiëring en welke inkomensbronnen hebben de Wereldwinkels?

“Via het Jeugdwerk kregen we lange tijd werkingsmiddelen, maar door de leeftijdsevolutie van de Wereldwinkels was dat niet houdbaar. Onze verkoop verdient zich nog wel terug, maar educatie, jongerenwerking, vrijwilligersondersteuning of politieke werking kunnen we niet zelf financieren.”

“Daarom hebben we in 1994 een cvba opgericht om de commerciële tak in onder te brengen. Dat was duidelijker en zuiverder om gerichte subsidieaanvragen te kunnen indienen voor de vzw, Oxfam-Wereldwinkels.”

“Oxfam-Fairtrade, de cvba, is ons merk waaruit we onze verkoopsinkomsten halen. Een alternatieve bron van inkomsten is de Respect Plus-rekening die sympathisanten kunnen openen en waarbij ze voor rente-afstand ten gunste van Oxfam kunnen kiezen. Er werd een partnerfonds opgericht met het oog op de voorfinancieringen in het Zuiden. En er zijn natuurlijk de giften van particulieren.”

Welke waren uitgesproken kantelmomenten in de ontwikkeling van Oxfam?

“In 2000 slaagden we er voor het eerst in om onze producten via de groothandel te verdelen. Dat was weliswaar een dubbeltje op zijn kant. Want GB, Delhaize en Colruyt hebben uiteindelijk zelf een ‘duurzaam’ label in de markt gezet waarvoor ze ons niet meer nodig hadden. Alleen beantwoorden die labels niet aan onze normen van eerlijke handel.”

“Wij vinden dat minstens 51 procent van een product fairtrade moet zijn, voor koffie is dat 100 procent. Zelfs Max Havelaar haalt dat niet. Uiteraard vinden we het knap dat die multinationals ook fairtrade gaan, maar hun visie erop zwakt het concept sterk af. Ze doen het ook maar met enkele producten.”

“Ze zijn lid van de Fair Trade Alliance, het is allemaal koosjer, maar that’s it. Wij stellen de héle wereldhandel in vraag. Fairtrade kwam op een bepaald moment in de mode – nog zo’n kantelmoment – en toen groeide de vraag vanuit de supermarkten echt sterk. Om dan, tijdens periodes van crisis, weer even hard af te nemen.”

Hoe groter de organisatie, hoe moeilijker ook om het evenwicht te behouden?

“Aanvankelijk hadden onze producten allemaal die duidelijke band met het Zuiden. Met de commercialisering werd het Zuiden eigenlijk een beetje uit het oog verloren, ook in de communicatie met de buitenwereld. Om dat weer op gang te brengen, bedachten we nieuwe partnerbanden waarbij een lokale Wereldwinkel zelf banden onderhoudt met een partner in het Zuiden.”

“Daardoor wordt de werking intensiever. De marketingafdeling is er dan weer niet voor te vinden om de partner op de productverpakkingen af te beelden: zij wil dat het product gewoon als lekker en goed wordt voorgesteld. Maar we zijn toch net iets méér dan koffieverkopers. Het is telkens wat balanceren, maar altijd vanuit eenzelfde, sterke visie.”

Maak eens de balans op: wat gaf de doorslag voor vijftig jaar succesvolle werking?

“De combinatie van ‘iets doen voor de mensen in het Zuiden’, iets ‘leuks’ te doen en ook het sociale aspect van mensen die elkaar ontmoeten. Horen mensen dat vrijwilligers de winkel openhouden, geeft dat meteen een golf van sympathie en belangstelling. We moeten daar nog meer op inspelen: het creëert echt goodwill.”

“Onze vrijwilligers creëren echt goodwill”

Wat zijn jullie uitdagingen voor de toekomst?

“De beste blijven in onze niche. We focussen heel erg hard op eerlijke handel: we plooien ons de laatste tijd bewust een beetje terug op onze core business omdat wij de standaard willen blijven bepalen. Sensibiliseren blijft belangrijk, net als het vrijwilligersaspect. Dat blijft heilig. Hoe verleidelijk het soms ook kan zijn om professionele verkopers in te schakelen.”

‘de Verenigde Verenigingen’ ging terug in de tijd en interviewde de betrokkenen van het eerste uur bij tien historische voorbeelden van sociale innovaties. Het resultaat werd het e-book ‘Innoveren rond sociale uitdagingen. Dat is van alle tijden.’

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!