Door en door verwend. Kritiek op de sentimentele samenleving
Nieuws, Samenleving, België -

Door en door verwend. Kritiek op de sentimentele samenleving

Antwerpen gaat 7 miljoen euro besparen op zijn sociaal beleid. Vooral organisaties die rond kansarmoede en diversiteit werken zien hun middelen aanzienlijk slinken. Ze voerden actie op woensdag 19 juni en vragen zich af welke visie achter zulke besparingen zit (DWM). Zou het iets te maken kunnen hebben met de 'visies' van ene Dalrymple waarmee de Antwerpse burgemeester zo hoog oploopt? Katrien Rombouts, werkzaam in de psychiatrie, geeft tekst en uitleg.

donderdag 20 juni 2013 20:42

Theodore Dalrymple is in Vlaanderen vooral bekend als inspirator en geestelijke raadsman van Bart De Wever. Maar ook in Nederland zou hij een groot aantal fans hebben.
Het was dan ook met veel enthousiasme dat ik zijn boek ‘Door en door verwend’ begon te lezen. Ik hoopte zo ook wat meer zicht te krijgen op de voor mij moeilijk te achterhalen ideologie van Bart De Wever.
Daarnaast vind ik het belangrijk dat hulpverleners verder kijken dan wat er zich binnen de muren van de spreekkamer afspeelt. Om cliënten effectief te kunnen helpen, moet je ook de maatschappelijke tendensen en normen beseffen en deze in vraag durven stellen.
Het Family Centre in Nieuw Zeeland heeft hiervoor zelfs een heel eigen therapievorm ontwikkeld, die ze ‘Just-therapy’ noemen. Charles Waldegrave, anglicaans priester, psycholoog en hoofd van de onderzoeksunit van het centrum stelt dat hulpverleners vaak opgesloten zitten in stereotype denkkaders, die weinig helpend en zelfs discriminerend zijn voor achtergestelde groepen. Door een grondige analyse van de sociale situatie van de cliënten vindt de ‘Just therapy’ nieuwe wegen om met specifieke problemen om te gaan.
Ik vroeg me af of Dalrymple mij, door zijn maatschappelijke analyse, eveneens nieuwe inspiratie zou bieden in mijn hulpverleningsrelatie.Tegen de verwachting in, lukte ik er maar moeizaam in het boek helemaal uit te lezen. Gaandeweg voelde ik steeds meer ergernissen opkomen zowel ten aanzien van de stijl als tegenover de inhoud van het boek.

Dalrymple is een psychiater die een groot deel van zijn leven gewerkt heeft met mensen uit de onderkant van de samenleving. Hij heeft dan ook heel wat ‘sterke verhalen’ te vertellen. Maar in plaats van ze in hun context te situeren, veralgemeent hij naar de hele Britse bevolking. Als we Dalrymple moeten geloven is er in heel Engeland bijna geen mens die nog fatsoenlijk kan lezen of schrijven, omzeggens iedereen zit in een echtscheiding of is aan de drank…
Op het eind van het boek staat een citaat van Blaise Pascal: “Travaillons donc a bien penser. Voila le principe de la morale”. Echt degelijk nadenken vooraleer je sterke stellingen poneert. Had Dalrymple dat zelf ook maar gedaan toen hij aan het boek begon. Simplificatie, een tekort aan historisch inzicht en het ontbreken van een degelijke sociale analyse is trouwens ook wat voormalig onderwijsminister en thans hoogleraar Frank Vandenbroucke, Dalrymple verweet tijdens een debat op de boekenbeurs in Antwerpen (november 2011). Vandenbroucke stelde zelfs dat, als hij uitgever was geweest, hij het boek gewoon zou hebben teruggestuurd.

Maar hoe komt het dat zo veel mensen een slordig geschreven boek, vol met verkeerde conclusies en generalisaties, appreciëren en herkennen in hun eigen leefwereld? Het antwoord is eenvoudig. Dalrymple legt de vinger op de wonde van veel reëel bestaande schrijnende sociale situaties. De problemen die hij aankaart zijn terecht. Maar de oplossingen die hij voorstelt raken kant noch wal. Laat ons ze even van naderbij bekijken.

In zijn boek verdedigt Dalrymple één centrale stelling: In het midden van de 18de eeuw ontstond er een soort sentimenteel denkkader waarbij men ervan uitging dat de mens van nature goed was (o.a door J. J Rousseau). Hieruit volgde dat het bestraffen of het dwingen van kinderen uit den boze werd. Ook het vrijelijk kunnen uiten van emoties werd als waardevol gezien. Dit alles heeft geleid tot een samenleving, gedreven door sentiment waar kinderen geen fatsoenlijk onderwijs meer krijgen, criminelen vrij loslopen, echtscheidingen de norm worden en mensen slachtofferschap verkiezen boven verantwoordelijkheid. Sentimentaliteit (je laten leiden door je gevoel) heeft er ook voor gezorgd dat er onnodige en verkeerde hulp aan Afrika wordt gegeven.
De oplossing die Dalrymple voorstelt is eenvoudig; roep mensen opnieuw op tot verantwoordelijkheid. Dat kan door bepaalde stelsels van sociale zekerheid af te schaffen en door hulpverlening selectiever en flexibeler te maken. Zo zorg je voor minder gelijke, maar wel rechtvaardiger behandeling. Voer strengere straffen in voor criminelen en behandel ze opnieuw als daders in plaats van als slachtoffers. Tenslotte wordt de armoede in Afrika beter aangepakt door de markten open te stellen dan door mensen afhankelijk te maken van buitenlandse hulp (die trouwens toch meestal in verkeerde handen terechtkomt).

Duidelijke stellingen, duidelijke oplossingen wat is daar mis mee?
Laten we beginnen bij het begin; de oorzaak van de problemen. Het lijkt toch een beetje vergezocht dat een bepaald denkkader uit de 18[de] eeuw (de romantiek) heeft geleid tot de publieke preoccupatie van sentimentaliteit vandaag. Waarom juist nu en niet 100 jaar geleden? Ook valt te betwijfelen of het nu echt sentimentaliteit is die als oorzaak kan gezien worden voor maatschappelijke problemen zoals werkloosheid, verslaving, echtscheiding, armoede… Moet hier niet, zoals Frank Vandenbroucke terecht aanhaalt, een meer diepgaande sociale analyse gemaakt worden?
Ook de door Dalrymple voorgestelde oplossingen lijken niet per definitie te werken. Vandenbroucke stelt dat precies onder het weinig ‘sentimentele’ bestuur van Margareth Thatcher de werkloosheids- en criminaliteitscijfers piekten. Nooit deden zo veel mensen beroep op het stelsel van sociale zekerheid als toen. Nochtans deed Thatcher haar best om staatssubsidies te beperken en privé-initiatief te bevorderen, een idee dat Dalrymple zeker ook genegen is.
Omgekeerd blijkt dat in landen met een grote vorm van staatstussenkomst in opvoeding en onderwijs, zoals in Zweden of Denemarken, de armoede en criminaliteit beperkt blijven. Vandenbroucke stelt dan ook dat het niet nodig is en zelfs gevaarlijk om stelsels van sociale zekerheid af te schaffen om mensen tot meer verantwoordelijkheid op te roepen. Nee, precies door bepaalde zaken in overheidshanden te leggen (kinderopvang, onderwijs, gezondheidszorg…), geef je mensen een stabiel kader waardoor ze kunnen komen tot grotere verantwoordelijkheid.
Hetzelfde lezen we bij Waldegrave (2009), die armoede en maatschappelijke achterstelling eerder als oorzaak dan als gevolg van de problemen ziet.
Dat meer gelijkheid zorgt voor meer welvaart voor allen, is eveneens de centrale stelling in het ophefmakend boek van Wilkinson en Pickett (2010). Via wetenschappelijke analyse komen ze tot het besluit dat een hoge mate van ongelijkheid een samenleving verziekt en juist leidt tot meer sociale en psychologische problemen. En zelfs een rasechte liberaal als professor Paul De Grauwe raakt er meer en meer van overtuigd dat een goed uitgebouwd sociale zekerheidsstelsel onze economische situatie verbetert.

Na al deze negatieve bedenkingen ook wat positieve kritiek op het boek van Dalrymple. De publieke exploitatie van de sentimentaliteit is, zoals hij terecht stelt, niet enkel dom maar ook gevaarlijk. Dat geldt ook voor het veralgemeend slachtofferschap. Tenslotte zijn er inderdaad ernstige bedenkingen te maken bij de manier waarop ontwikkelingshulp vandaag verloopt.
Laat ons beginnen met de sentimentaliteit. Dalrymple citeert Oscar Wilde die stelt dat “een sentimentalist simpelweg iemand is die over de luxe van de emotie wil beschikken zonder daarvoor de prijs te betalen”. Opnieuw vertoeft de auteur in de 19[de] eeuw om hedendaagse toestanden aan te klagen. Maar misschien zegt het ons iets over het fenomeen. Ik denk dat sentimentaliteit van alle tijden is en dat het ontstaat wanneer iemand zich laat meeslepen door zijn emotie en vergeet helder te denken. Hoe komen mensen er anders toe op kruistocht te gaan, heksen publiekelijk te verbranden of in zwijm te vallen bij het zien van een (geestelijke) leider.
Gelukkig gaan wij in onze contreien alsmaar langer naar school en krijgen we de kans om genuanceerder te leren denken. Maar anderzijds is er de laatste jaren, vooral in de media, een tendens naar simplificatie en commercialiseren van sentimentaliteit. En velen van ons lopen daar hersenloos in mee. Dalrymple staat uitgebreid stil bij twee gebeurtenissen van de laatste 10 jaar: de dood van prinses Diana en de verdwijning van Maddie Mc.Cain. De gebeurtenissen beroerden de hele wereld. De Mc.Cains werden zelfs door de paus ontvangen. En vooral de publieke uiting van emoties was aanleiding tot een openbaar debat. Zo zou de Britse koningin te weinig emotie hebben getoond en ook de Mc.Cains waren niet altijd emotioneel genoeg naar de zin van het volk. Dalrymple vindt dit een gevaarlijke evolutie. Immers, op die manier regeert de emotie de wereld. De Britse koningin is inderdaad overstag gegaan en heeft publiekelijk haar droefenis uitgesproken. Hoewel Dalrymple hier een concreet maatschappelijk probleem aanhaalt, plaatst hij het mijns inziens in een verkeerd kader. Het is niet per definitie de romantische (of linkse) idee over de goedheid van de mens en de nadruk op de vrije beleving van emoties die tot zulke excessen leidt. Het is omdat sentimentaliteit verkoopt en kranten of televisiestations onder druk van de concurrentie alsmaar minder scrupules hebben om hun nieuwsberichten in die vorm te verpakken. De kans bestaat dat wij hierdoor verzuimen na te denken en ons oordeel steeds vaker laten afhangen van ‘ons gevoel’. In het televisieprogramma Basta op TV 1 werden de kijkers op een ludieke wijze met hun eigen sentimentele houding geconfronteerd. In een eerste uitzending werd hen gevraagd een lief klein kalfje van de verschrikkelijke slachting te redden. Het publiek reageerde massaal. Tijdens de volgende aflevering werd datzelfde publiek uitgenodigd voor een grote barbecue met… inderdaad kalfsworstjes. Zonder enige schroom zat iedereen te genieten van de lekkere worstjes. Net zoals Oscar Wilde terecht stelde, koesterden de deelnemers zich in hun emotie, maar waren ze niet bereid om de prijs (het schrappen van kalfsvlees) te betalen.

Wanneer mensen niet meer nadenken, kunnen ze veel gemakkelijker gemanipuleerd worden. De kans op publieke ontsporingen wordt groter. Dalrymple stelt terecht dat de heksenjacht die nu op pedofielen gebeurt meer te maken heeft met sentimentaliteit dan met rechtvaardigheid.
Jammer genoeg vervalt Dalrymple zelf in het euvel dat hij wil bestrijden. In zijn boek wordt de realiteit vaak eenvoudiger voorgesteld dan ze is en vooral extreme situaties worden beschreven. De verdwijning van Maddie Mc.Cain en de dood van Diana worden over meer dan 25 bladzijden uitgesmeerd. Veel sentimentaliteit om te beweren dat je je best bij de feiten houdt. Of zou onze auteur ook beseffen dat gemakkelijke emotionele verhalen betere verkoopcijfers opleveren?

Een ander probleem waar Dalrymple ons op wijst is het veralgemeend slachtofferschap. Hij vertelt enkele verhalen van mensen die hun eigen geschiedenis herschrijven waarbij ze zich de rol van (Holocaust)slachtoffer aanmeten. De positie van publiek slachtoffer is zo aantrekkelijk dat mensen bereid zijn om hun leven ernaar in te richten. Dalrymple maakt de overstap naar criminelen die beweren ‘slachtoffer te zijn van hun eigen gedrag’. Of onhandelbare kinderen die het slachtoffer zijn van de ziekte ADHD. Slachtofferschap rendeert. Kijk maar naar alle aandacht die mensen krijgen wanneer ze naar de ombudsdienst stappen. Vaak krijgen patiënten gelijk van de rechter wanneer ze zich onheus behandeld voelen door hun arts. Kortom, iedereen probeert zijn verantwoordelijkheid te ontlopen en zij die een maatschappelijke taak opnemen worden op het matje geroepen. Ik denk dat Dalrymple hier inderdaad een punt heeft. Ook Paul Verhaeghe spreekt erover in zijn boek ‘Het einde van de psychotherapie’. Volgens Verhaeghe is ‘de positie van de vader’ al vele jaren vacant. Maar terwijl Dalrymple beweert dat ook dit fenomeen het gevolg is van een doorgeschoten sentimentaliteit die te veel nadruk legt op de goedheid van de mens en te weinig aanspoort tot verantwoordelijkheid, denkt Verhaeghe eerder aan maatschappelijke en economische oorzaken. Hij wijst op de invloed van een neoliberaal economisch systeem waarbij het individu er alleen voorstaat in concurrentie met zijn medemens. De vlucht in het slachtofferschap is een manier om maatschappelijk mee te tellen, wanneer je prestaties niet meer voldoen.

Verhaeghe en Dalrymple komen overeen in de stelling dat grote levensbeschouwelijke verhalen, die mensen opriepen tot verantwoordelijkheid, verdwenen zijn. Maar Verhaeghe gaat verder. Hij stelt dat er een nieuw verhaal domineert: de markt en het geld zijn de ultieme toetssteen geworden. Een mooi voorbeeld hiervan is de vraag tot schadevergoeding door een aantal bezoekers van het afgelaste muziekfestival Pukkelpop. Zij beweren immers dat er onvoldoende redenen waren om het festival na de storm stil te leggen. De morele eis dat je op de plek waar net doden vielen beter niet staat te dansen, telt blijkbaar onvoldoende mee.

De verregaande sentimentaliteit heeft volgens Dalrymple ook het onderwijs en de gezondheidszorg in haar greep. Kinderen worden onvoldoende aangespoord om hun best te doen en in de gezondheidszorg zijn het vooral diegenen die het hardst roepen die geholpen worden en niet diegenen die de hulp het meest nodig hebben.

Dat er iets fout is met de publieke dienstverlening vandaag, wordt ook onderschreven door de Nederlandse psycholoog en voormalig lid van de Eerste Kamer voor Groenlinks, Jos van der Lans. Hij ziet vier grote tendensen in de publieke dienstverlening gedurende de laatste 50 jaar. Na de tweede wereldoorlog waren onderwijs en hulpverlening vooral bevoogdend. Door de emancipatiebeweging op het eind van de jaren ’60 van de vorige eeuw, werd de verhouding tussen hulpverlener en hulpvrager veel gelijkwaardiger. Een combinatie van kritiek vanuit de sector zelf (vb. De markt van welzijn en geluk van Hans Achterhuis) en de roep om meer efficiency en een grotere productiviteit, hebben de beleidsmakers aangezet om de sector intenser te gaan controleren. Dit heeft geleid tot schaalvergrotingen en een enorme bureaucratie. Gevolg: de verhouding tussen dienstverlener en hulpvrager is anoniemer en afstandelijker geworden. Van ‘erboven’, naar ‘ernaast’ is men geëvolueerd naar ‘er van weg’. Van der lans pleit voor een nieuwe aanpak die hij ‘eropaf ‘ noemt. De huidige situatie demotiveert hulpverleners en laat hulpvragenden in de kou. Net als Dalrymple pleit hij ervoor om basiswerkers opnieuw meer vertrouwen te geven en regels en protocollen soepeler te maken. Maar de oorzaak van het probleem ligt volgens Van der Lans niet in een overdreven bemoeizuchtige en sentimentele overheid. Nee, het is juist door de principes van de vrije markt ook toe te passen op de publieke sector dat de dienstverlening sputtert. Immers door een hulpverleningsrelatie te beschouwen als een product dat voortdurend op efficiency moet gecontroleerd worden, raken de hulpverleners onzeker en bedolven onder een papierberg. Als reactie hierop zullen ze veel voorzichtiger te werk gaan. Ze kunnen immers voortdurend op het matje geroepen worden. Het gevolg is: minder contact met de patiënt, je strikt aan de regels houden en vooral geen uitzonderingen maken. Deze situatie geldt niet enkel in de gezondheidszorg of het onderwijs, ook ouders raken onzeker over de opvoeding van hun kroost. Als iedereen voortdurend kan beoordeeld en veroordeeld worden, dan doe je maar beter niets. En laten begaan is veiliger dan je nek uitsteken en (hard) optreden. Verwennerij is dan niet meer veraf.

En het is niet de overheid, maar de markt die beoordeelt. Wie is succesvol? Wie kan er mee? Welke landen mogen in de Eurozone blijven…. Wie wordt er publiekelijk uitgejouwd in de zoveelste realityreeks op televisie? In een concurrentiële wereld heb je overal winaars en verliezers. Wie durft er in zo’n wereld nog te vertrouwen op het eigen gezond verstand? Liever klampen mensen zich vast aan protocollen of doen ze beroep op ‘deskundigen’ om simpele problemen op te lossen. De reclamewereld en de (farmaceutische) industrie bieden tal van producten aan om aan deze noden tegemoet te komen.

Tenslotte maakt Dalrymple nog een uitstapje naar Afrika. Hij heeft zelf in Tanzania gewoond en gewerkt en spreekt dus uit ervaring. Eén van de redenen waarom het socialistische regime van Nyerere niet gewerkt heeft, is volgens hem dat hij veel te veel geïnvesteerd heeft in onderwijs. Waarom kinderen massaal naar school sturen, als er achteraf voor hen toch geen werk is? Dalrymple maakt zich dan ook erg boos op de vorige eerste minister van Groot-Brittannië, Brown, die vanuit een misplaatste sentimentaliteit Brits overheidsgeld investeert in scholen voor Afrika. Het opengooien van de markten zou een veel betere oplossing zijn voor het continent dan deze zinloze steun, volgens de auteur. In haar laatste boek maakt Francine Mestrum (2010) een zeer omvattende en wetenschappelijk onderbouwde analyse van de ontwikkelingshulp gedurende de laatste 50 jaar. Volgens haar heeft het opengooien van de markten in veel arme landen geleid tot grotere armoede, een stelling die trouwens bijgetreden wordt door nobelprijswinnaar Jozef Stiglitz. Als je derdewereldlanden wil laten ontwikkelen, zul je moeten toestaan dat ze emanciperen, dat de huidige machtsverhoudingen veranderen en dat de handelsrelaties eerlijker verlopen. Kortom, er moet een heel ander macro-economisch beleid gevoerd worden waarbij niet alleen gedacht wordt aan armoedebestrijding maar ook aan rijkdombestrijding. En als derdewereldlanden internationaal echt willen meepraten, dan moeten de inwoners natuurlijk voldoende geschoold zijn.

Net als Geert Wilders in Nederland of Bart De Wever bij ons, grijpt Dalrymple hedendaagse problemen aan om een rechts discours te introduceren. Het aantrekkelijke hiervan is dat zowel de oorzaak als de oplossing voor het probleem gevonden worden bij ‘de anderen’. Een hardere aanpak van ‘luiaards en criminelen’ gecombineerd met een uitbreiding van de vrije markt zorgt voor een betere wereld. Nochtans wijzen verschillende auteurs en hedendaagse denkers die wél een analyse maken, eerder op de excessen van de vrije markt als mogelijke oorzaak van vele problemen. Hoewel Dalrymple beweert misplaatste sentimentaliteit te willen bestrijden, krijg ik de indruk dat hij er zelf een producent van is. Zijn boek staat bol van spectaculaire verhalen en simplistische oplossingen. Voor de argeloze lezer loert dan ook de stelling van Oscar Wilde om de hoek: we vergapen ons aan zijn emotionele betoog over maatschappelijke wantoestanden, maar weigeren de prijs (een grondig herbekijken van ons huidig economisch systeem) te betalen.

Katrien Rombouts

Geciteerde werken

Mestrum, F (2010). Ontwikkeling en solidariteit. Berchem: EPO

Stiglitz, J (2002). Perverse globalisering. Utrecht: Het Spectrum

Van Der Lans, J (2008) Ontregelen, de herovering van de werkvloer. Amsterdam: Augustus

Verhaeghe, P. (2009) Het einde van de psychotherapie. Amsterdam: De bezige Bij

Waldegrave, C (2009) Cultural, gender and socio-economic context in therapeutic and social policy work. Family process, Vol. 48 (1), p. 85-101.

Wilkinson, R. and Pickett, K (2010) The spirit level. Why equality is better for everyone. London: Penguin books

Dit artikel verscheen eerder in het “Systeemtheoretisch Bulletin” van de Interactie-academie in Antwerpen

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!