Interview, Nieuws, Cultuur, België, Cultuurbeleid -

“Onze instellingen lopen achter de feiten aan”

Sommigen zullen het nestbevuiling vinden. Anderen eindelijk een eerlijke zelfanalyse van het cultuurveld. Luc Delrue, intendant van museum M in Leuven, is niet weinig kritisch voor wat hij de reactionaire houding van veel culturele instellingen noemt. ‘Als we kunst terug in de maatschappij willen plaatsen, dan moeten de muren neer. Dan moeten we hele nieuwe dwarsverbanden bedenken. Hoe maken we onze instellingen weer relevant?’

donderdag 24 januari 2013 15:52
Spread the love

Het is uitzonderlijk dat de directeur van een groot instituut zulke fundamentele vragen stelt bij de interne huishouding van de kunstensector. Luc Delrue zit dan ook met het pertinente gevoel dat, als de culturele vloot binnenkort niet van koers verandert, er nogal wat scheepjes dreigen te stranden op het eigen gelijk en de vaste geplogenheden. ‘Of we het nu graag horen of niet, de culturele sector verkeert in een bepaalde legitimiteitscrisis’, zo stelde Delrue afgelopen zomer al op een meeting van het VOBK, belangenbehartiger van beeldkunstorganisaties. ‘De instellingen drijven weg van hun intuïtieve maatschappelijke noodzaak, en ons discours over het belang van kunst werkt niet meer. De tijd is rijp om nieuwe modellen te zoeken.’

Delrues wake-up call komt niet toevallig op een moment dat er achter de coulissen van het culturele bedrijf veel aan het bewegen is. Nu de subsidies veiliggesteld zijn tot 2016, zijn de sector en de minister volop in de weer om het Kunstendecreet te vernieuwen. Intussen treden op lokaal vlak nieuwe gemeentebesturen aan, en herbekijken de verschillende beleidsniveaus hun culturele bevoegdheden in het kader van de interne staatshervorming. Er ligt veel open. Er is dus ruimte voor debat. Maar laat ons dat debat niet enkel binnenskamers voeren, suggereert Delrue. En ook niet alleen over hoe onze subsidies beter verdeeld kunnen worden. Er zijn ook andere, misschien wel belangrijker kwesties. Wat met de groeiende negatieve stemming tegen de gesubsidieerde kunsten in heel Europa, bijvoorbeeld? Wat brengt de sector daartegen in?

Zo ergert Delrue zich aan de hautaine houding van nogal wat cultuurmensen tegenover N-VA, zoals die tot uiting kwam in meerdere opinies na de gemeenteraadsverkiezingen. ‘Ik vind het dom om te zeggen: “Ik spreek niet met N-VA.” Als 33% van de samenleving op die partij stemt, dan is dat een maatschappelijk gegeven waar je rekening mee moet houden. Erken die nieuwe bestuurders en luister naar wat ze te vertellen hebben, in plaats van de cultuurpaus uit te hangen en hun te verwijten dat ze niets relevants te zeggen hebben. Dienstbaar zijn aan de samenleving, begint bij deemoedigheid. Voor een cultuurinstelling zou dat een basishouding moeten zijn. Als N-VA voor een aardverschuiving zorgt in de harten van de kiezers, dan zitten wij daar als culturele sector misschien ook wel voor iets tussen.’

Heeft het veld het aan zichzelf te danken dat politici als Bart De Wever of Filip Dewinter zo van leer trekken tegen wat ze ‘reservaatkunst voor een clubje ingewijden’ noemen?

‘Ik geloof echt dat de fout meer bij onszelf ligt dan bij de buitenwereld, ja. Het is te makkelijk om te zeggen dat de samenleving verrechtst. Dat klopt gewoon niet. Kijk naar de politieke evenwichten door de tijd heen, kijk naar hoe Vlaanderen stemde aan het begin van de twintigste eeuw. Ik denk dat die verhoudingen niet zo wezenlijk veranderd zijn. Soms heb je gewoon wat meer links, dan weer wat meer rechts gedachtegoed. Maar in plaats van in politieke kleurtjes moeten we denken in emancipatiebewegingen. In de geschiedenis heb je emancipatorische momenten, dan periodes van consolidering en daarna weer angstmomenten. Door alle mondiale bewegingen, zoals de grote migratiegolf, is het logisch dat onze maatschappij momenteel terugplooit op zichzelf.

Dan moet je als kunstinstelling niet beginnen met anderen met de vinger te wijzen. Dan moet je je afvragen: wat is hier mijn opdracht? Mijn antwoord is: zorg dat die emancipatiebeweging in de samenleving zichtbaar blijft door wat je programmeert. Je kan met kunst een heel bijzondere rol spelen tegenover die spanning in de samenleving. Ga daarom met je collega’s praten: “Wat doen we daaraan?” Je legitimiteit moet je verdienen. Dat kan enkel door relevant te zijn, niet door te klagen. De samenleving erkent je pas als mensen voelen dat je met iets bezig bent.’

En nu zijn culturele instellingen te zeer met zichzelf bezig?

‘We blijven in de culturele sector te zeer focussen op een heel burgerlijke middenklasse, terwijl die maatschappelijk gezien steeds meer aan belang inboet. Denk aan het probleem van sommige centrumpartijen: in een samenleving die naar extremen trekt, gaan zij in het gat staan waar er eigenlijk niets te verdienen valt. Als culturele instellingen doen wij een beetje hetzelfde. Ik zeg niet dat we links of rechts moeten gaan staan. Maar zeker ook niet in de tocht! Je moet bedenken hoe je je verhaal kan verbreden. We zeggen wel dat we heel erg open zijn, maar echt vernieuwen doen we niet. Hoe langer ik in de sector zit, hoe meer ik vaststel dat we vaak heel reactionair zijn. We hebben wel fantastische ideeën over internationaliteit en zo, maar in de praktijk maken we die dikwijls niet waar. Aan een hele diverse groep in de samenleving hebben we heel weinig te vertellen.’

Je kan toch niet ontkennen dat een aantal huizen net hard inzetten op die verbreding?

‘Nee, maar het blijft toch zeer de vraag of dat wel kan, met de traditionele instellingen zoals ze nu gemodelleerd zijn. Sinds de jaren 1980 is ons hele systeem erg verticaal opgebouwd, vanuit aparte disciplines en werkvormen. Niet alleen instellingen, maar ook het kunstenbeleid is zich gaan professionaliseren rond de creatie van specifieke producten: tentoonstellingen, theaterstukken, concerten. Vandaag draait het allemaal om imago: je krijgt subsidies als je goed kan vertellen dat je een uniek profiel hebt. Je moet in zo’n dossier een heel eigen verhaal neerschrijven dat van alles losgekoppeld is, terwijl de maatschappij intussen compleet horizontaal is gaan functioneren. Het publiek denkt al lang niet meer in hokjes: mensen willen gewoon heel veel impulsen door elkaar zien. Ze komen af op het gevoel dat een bepaalde omgeving interessante dingen brengt, niet op gescheiden instellingen. Ook kunstenaars gaan nu veel transversaler werken. Ze denken meer subjectgericht, vanuit hun publiek: ze lezen wat er bij mensen leeft en grijpen dat aan. Instellingen daarentegen zeggen nog steeds: “Dat moet je niet doen, dat is niet interessant, we moeten vertrekken vanuit de eigenheid van de kunst.”

Maar die eigenheid, dat is een achterhaald instellingsdenken. Niet je unieke profiel is van tel, wel je positionering: hoe verhoud je je tot andere dynamieken? In de eerste plaats moet je je positioneren, en daaruit volgt dan vanzelf een soort eigenheid. Voor sommigen is dat een semantische discussie; voor mij niet. Daar moest maar eens een studiedag rond komen: wat is nog de zin van de eigenheid van een instelling? Zo kan je je afvragen of er in één stad een cultuurcentrum en een kunstencentrum naast elkaar moeten bestaan, en of een museum voor hedendaagse kunst zin heeft naast een kunsthistorisch museum. Oude kunst of hedendaagse kunst, wat is het verschil? Je moet vooral zorgen dat er goede kunst te zien is. In plaats van instellingsgericht, moeten we dus functie- en netwerkgericht gaan denken. Niet “wat willen we aanbieden?”, maar “welke functies willen we vervullen voor deze stad?” Mij gaat het fundamenteel om onze linken met de samenleving.’

Hoe lukt dat in je eigen instelling? Waar staat M, ruim drie jaar na de opening?

‘Weinigen zullen tegenspreken dat M een succes is. Maar waarom? Omdat we van bij aanvang ingezet hebben op een heel stevige verankering. Alles wat we doen, linken we meteen aan onze omgeving: in eerste lijn de regio, in tweede lijn ook het buitenland. Die verankering bepaalt je legitimering. Ik probeer dus met iedere relevante speler te bekijken wat er samen mogelijk is, zodat geen enkele burger in Leuven kan zeggen: “M, dat ken ik niet, wat doen die?” Zo hebben wij nu in Leuven niet minder dan zestig samenwerkingen: dat kunnen niet veel instellingen zeggen.

“Om te verbreden, hoef je helemaal geen inhoudelijke compromissen te sluiten.”

Niet dat we daar intern niet mee worstelen, hoor. Vooral binnen de inhoudelijke staf blijft het een moeilijke discussie: “al die samenwerkingen doen ons profiel vervagen”. Nee, zeg ik dan, daar wordt onze positie juist door versterkt! Als je wortels diep genoeg zitten, krijg je een kruin die heel veel kritiek kan opvangen, omdat je aan de basis genoeg weerstand opgebouwd hebt. Alleen zijn er de voorbije jaren maar weinig culturele instellingen bezig geweest met hun wortels diep te verankeren in de samenleving, of naar de politiek. De structuren laten dat ook niet altijd toe. Ook in M, op bestuursniveau, worden er soms heel veel vragen gesteld. Zetten we niet te hard in op publiekswerking en op flankerende activiteiten? Steken we niet te veel tijd in een subjectgerichte werking en een horizontale netwerking met andere partners? Uiteindelijk is het niet makkelijk om niet discipline- of werkvormgericht te denken. Ik kan dat hier nu wel allemaal mooi zitten uitleggen, maar ik loop daar nog elke dag tegenaan.’

Hoeveel geef je toe op je artistieke inhoud, om die wortels te verankeren?

‘Niets! Dat is het grote misverstand: om te verbreden, hoef je helemaal geen inhoudelijke compromissen te sluiten. In M staan ook exposities met een heel hoog complexiteitsniveau, die echt moeilijk te lezen zijn. Zo loopt nu Yael Davids: dat is absoluut geen evident werk. Ik zal tegen Eva Wittocx, onze curator hedendaagse kunst, ook nooit zeggen: “Let op wat je brengt, neem niet te veel risico’s.” Compromissen sluit je niet op je inhoud, enkel op je werking. Je moet balanceren. Dat is wat ik als intendant doe: het evenwicht bewaken, om ervoor te zorgen dat M acceptabel blijft en een grote groep van de samenleving achter zich heeft. Uiteindelijk droom ik van zo veel ambassadeurs als er abonnementen verkocht worden bij voetbalclub OHL. Dan zal niemand je nog ter discussie stellen. Dan weet ik zeker dat de politiek zal zeggen: “Jij bent goed bezig.” Dan bewijs je namelijk dat jouw drie miljoen subsidie een relevante positie in de samenleving oplevert. Dat de samenleving in je gelooft, door die achterban. Dat heeft niets met links of rechts te maken, noch met wat je brengt. Je kan perfect inhoudelijk sterke dingen blijven programmeren.’

Daarnet zei je wel dat traditionele instellingen niet flexibel genoeg meer functioneren om nieuwe tendensen bij kunstenaars een plek te geven.

‘Als instelling ervaar je inderdaad dat je binnen je domein niet altijd meer kunt voldoen aan wat je wilt zeggen. Als we een hedendaagse tentoonstelling maken, voel je continu dat kunstenaars door alle uitdrukkingsvormen heen functioneren. Zo zag ik onlangs een voorstelling van Wim Vandekeybus, die als kunstenaar expliciet zegt: er zijn geen lijnen meer. Film, dans, muziek, theater: hij doet alles tegelijk. Die horizontalisering komt door een totaal nieuwe definiëring van het kunstenaarschap. Dat verschuift van “kunstenaars” naar “mensen die creatief bezig zijn”. Kunsthistorisch kan je dat ruwweg als volgt zien: we komen van een concrete en kunstzinnige ambachtelijkheid, kregen daarna het conceptuele denken en evolueren nu naar een brede creativiteitsbenadering. Dat is een logische stap, want we hadden al eerder bepaald dat iedereen die het goed bedacht heeft, een kunstenaar is. Nu zou ik zeggen dat iedereen die op een creatieve manier een verschil maakt in de samenleving, een kunstenaar is.

Ook wetenschappers, wat mij betreft. Want ook dat is een dualiteit die nog sterk leeft: men is wetenschapper of kunstenaar. Waarop slaat dat nu? Het idee van de kunstenaar-wetenschapper, eigenlijk een renaissancebegrip, past niet meer in de hokjes waar we alles ingeduwd hebben. Maar kijk hoeveel maatschappelijk en wetenschappelijk onderzoek kunstenaars tegenwoordig doen. De hokjes functioneren niet meer. De kunstenaar wil anders werken, maar de instellingen volgen niet altijd. En de decreten in de brede socioculturele wetgeving zijn zeker niet gevolgd. Alles staat haaks op elkaar. Misschien gaan instellingen ook gewoon niet mee met hun tijd, omdat de politiek niet mee is.’

Hoe los je die verstarring op? Waar droom je van?

‘Als ik mooie voorbeelden zoek, kom ik uit bij de Vooruit ten tijde van de ontvoogdingsstrijd in het begin van de twintigste eeuw. Hoe de kunst zich toen verhield tot wat er maatschappelijk veranderde! In de Vooruit kon toen alles, van muziek tot tentoonstellingen. In die jaren na de Russische Revolutie, tot 1930, werden alle deuren opengezet. Alleen is dat nu misschien niet de oplossing, want we gaan net weg van een objectomgeving. Op elk vlak evolueren we vandaag naar het subject: in creatie, in presentatie. Je moet als instelling steeds meer uitgaan van voor wie je werkt.

“Misschien gaan instellingen ook gewoon niet mee met hun tijd, omdat de politiek niet mee is.”

Een deel van het probleem is ook dat organisaties hun team niet altijd snel genoeg verjongen. Veel programmatoren zitten in een bepaalde kring van kunstenaars van dezelfde generatie, die elkaar in stand houden. Ik probeer zelf heel flexibel te denken, en ik plaats bewust veel jonge mensen in onze ploeg. Maar zelfs als je voor alles openstaat, sluit je dan ook echt aan bij kunstenaars van twintig jaar, die nu totaal anders denken? Eigenlijk vind ik dat een van mijn eerste taken: zorgen dat je organisatie flexibel blijft in je omgeving.’

Wat is je concrete voorstel om culturele instellingen weer relevant te maken?

‘Ik zou zeggen: handhaaf op Vlaams niveau pakweg veertig instellingen in een A- en een B-liga, waarin ze elke zoveel jaar kunnen stijgen en dalen. Van het gros van de organisaties zie ik de toekomst echter op lokaal vlak liggen, in de steden. Daar moeten we gaan werken aan een “culturele ruimte”: een net van werkingen, clusters, bewegingen en continue vernieuwing door inflow. Instellingen laten geen inflow toe. Begin dus met de muren tussen die instellingen af te breken. Zo zou ik het fenomenaal vinden, mocht je met alle inhoudelijke programmatoren van één stad maandelijks gaan samenzitten: “Wat gaan we hier in deze stad neerzetten?” Stel je voor wat een dynamiek zo’n platform zou geven!’

Je programmeert dan niet meer M of STUK, maar Leuven als geheel?

‘Ja, de corporate identity van elke instelling vervaagt, en wisselt voor één kernactiviteit, terwijl alle ballast overboord gaat: je houdt alleen nog mensen in dienst die voor die kernwerking een meerwaarde betekenen. Intussen werk je voor de hele culturele ruimte van je stad samen een functiegerichte aanpak uit. Organiseer die aanpak over de instellingen heen, rond een paar aaneensluitende werkingen. Zo zou M kunnen inzetten op de internationale functie in Leuven, waarbij wij ervoor zorgen dat die ook vertaald wordt naar andere instellingen zoals het STUK: je denkt daar samen over na, neemt hen daarin mee, ondersteunt hen daarin. Zo werken we nu al samen rond het interdisciplinaire festival Playground.

En dan gaat de bib, de meest cultuurdemocratische plek in een stad, intussen helemaal voor de publieksfunctie. Eigenlijk zou de bibliotheek de publieksdienst van heel Leuven moeten zijn, zodat die druk wordt weggenomen van de andere organisaties. Interculturaliteit bijvoorbeeld: ik krijg dat gewoon niet georganiseerd. Misschien heb ik niet de juiste methodiek? Daarin zou de ploeg van de bibliotheek ons kunnen helpen. Daar moeten boeken staan, daar moeten evenementen plaatsvinden, dat moet de meest laagdrempelige plek zijn. En het is die publiekswerking die ons dan komt zeggen: wij verwachten dat jullie dit en dat doen.

“Alleen door goede werkingen, en niet door een instelling te zijn, geloof ik dat je weer maatschappelijk relevant kan zijn.”

Alleen door zulke goede werkingen, en niet door een instelling te zijn, geloof ik dat je weer maatschappelijk relevant kan zijn. Ik besef wel dat je die instituten natuurlijk nooit helemaal kan afbreken. Maar je kan wel naar amorfere werkingen gaan, die meer leven van overleg en netwerking. Dat merken we bijvoorbeeld met het M-idzomerfestival, dat we samen organiseren met 30CC en Het Depot. Dat geeft heel veel energie, en een enorme boost aan de stad. Het doet zowel emancipatorische als eerder conservatief ingestelde mensen beseffen dat kunst eigenlijk iets heel aantrekkelijks kan zijn.’

Eén probleem: wie moet zo’n geïntegreerde functiewerking coördineren? De stad zelf? Velen vinden stedelijke overheden lang niet de beste managers voor cultuur.

‘In eerste instantie zal het niet anders kunnen dan dat de stad de regie op zich neemt. Daar zitten inderdaad een paar gevaren aan vast, maar laten we denken vanuit de praktijk. Zo vind ik dat Gent redelijk goed functioneert: met een levendig debat tussen de instellingen en de politiek, en een paar stevige cultuurfunctionarissen op het kabinet en de administratie. Alleen zie je buiten Gent en Antwerpen veel minder soortelijk gewicht op de cultuurdiensten. Dat is het probleem. Die mensen moeten hun instellingen uitdagen in een bepaalde richting, maar nu is dat debat redelijk mager. Hetzelfde geldt voor cultuurschepenen: velen vinden te weinig tijd om buiten de eigen stad naar cultuur te gaan kijken. Zo weten ze niet echt wat er gaande is, en dat is jammer. Want de situatie is nu zo dat de beschikbare Vlaamse middelen voor cultuur en erfgoed on the long run altijd groter en groter worden, maar ook steeds meer naar de steden doorschuiven. Op zich is dat goed, maar wat zal er daar mee gebeuren? Kan de lokale politiek leven met cultuurwerkers die boven het maaiveld uitkomen? Wie zijn kop uitsteekt, maakt zich niet altijd geliefd. Daarom moet Vlaanderen er heel goed op toezien dat er voor kunst en cultuur meer intellectueel kapitaal in de steden terechtkomt. Op termijn geloof ik dan in een gecombineerde aanpak van onderaf én van bovenaf, vanuit die moeilijke tweedeling tussen politieke regie en culturele autonomie. We zullen daar nieuwe vormen voor moeten uitvinden.’

Hoe zou je jouw collega’s finaal van je gelijk overtuigen?

‘Laten we de waarheid onder ogen zien: we lopen de hele tijd achter de feiten aan. Zo mag je er zeker van zijn dat als de economie niet wezenlijk aantrekt, we de komende jaren opnieuw een kaasschaaf over ons heen krijgen. Iedereen weet dat, maar we sluiten allemaal de ogen. Zorg dan dat het niet gebeurt, doe er iets aan! Als we een aantal dingen niet fundamenteel anders gaan doen, moeten we over twee jaar niet komen zeuren. We kunnen wel geloven dat de samenleving ethisch genoeg is om te zeggen dat ze in cultuur móét investeren – dat cliché hoor je continu – maar we gaan er op dit moment wel op achteruit.

Dat ligt niet aan minister Schauvliege, hé. Zij vangt veel kritiek, die ik deels ook begrijp, maar eigenlijk zegt ze heel juiste dingen: samenwerking en diversiteit zijn erg belangrijk. Het is net goed dat we gedwongen worden om samen te werken, en te zoeken naar artistieke en maatschappelijke relevantie. We moeten onze legitimiteit als culturele sector voor 100% gaan bewijzen, in en met de samenleving. Dat wil niet zeggen dat je als instelling moet stoppen met experimenteren, of dat je je kunstenaars geen kansen meer moet geven. Integendeel, zo kunnen we juist veel meer inzetten op vernieuwing en onderzoek. Als we erin slagen om de middelen in de kunsten- en de erfgoedsector veel efficiënter af te stemmen, moet er niemand inleveren.’

Wouter Hillaert is podiumredacteur en coördinator van rekto:verso.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!