Nieuws, Europa, Cultuur, Recensie, Boekrecensie, Vader, Liefde, Karl Ove Knausgård, Fictie, Mijn strijd - D. Favarque

Ambitieuze literatuur: ‘Vader’ en ‘Liefde’ van Karl Ove Knausgård

De autobiografische romans van de Noorse auteur Karl Ove Knausgård gaan vlot over de toonbank. De eerste twee delen van zijn ambitieuze serie 'Mijn strijd' verschenen bij uitgeverij De Geus in het Nederlands: 'Vader' en 'Liefde'.

zondag 25 november 2012 20:00

Na twee succesvolle romans en enkele jaren vol relationele strubbelingen, baby’s en writer’s block, begon de Noorse auteur Karl Ove Knausgård zijn leven neer te schrijven in het zesdelige werk Mijn strijd (Min kamp in het Noors). Twee jaar en 3.400 bladzijden later was hij klaar.

In Noorwegen, een land met vier en een half miljoen inwoners, gingen een half miljoen van zijn boeken over de toonbank, en ook in het buitenland zorgen de al verschenen vertalingen voor een massale belangstelling. De theaterzaal van de Gentse Vooruit was tot de nok gevuld toen de auteur daar te gast was, en ook elders wilden vele lezers hem aan het woord horen.

Dat een literair werk voor dergelijk enthousiasme kan zorgen, is hoe dan ook iets om vrolijk van te worden. Wat niet betekent dat er niets af te dingen valt op de veronderstelde kwaliteit ervan. Tot dusver verschenen bij uitgeverij De Geus de eerste twee delen in het Nederlands: Vader en Liefde.

Vooral het eerste deel is geslaagd. Daarin staat Knausgårds problematische verhouding tot zijn vader centraal, een relatie die naar eigen zeggen als geen andere bepalend is geweest voor zijn verdere leven. De voelbare drang waarmee dit boek is geschreven, heeft veel weg van exorcisme. Of misschien is ‘reiniging’ een beter woord.

In het beste, grootste, deel van Vader zijn Karl Ove en zijn broer het huis van hun dementerende grootmoeder aan het schoonmaken, waar zijn vader zich zopas heeft doodgedronken. Vanuit die situatie – het schoonmaken, onderbroken door een bezoek aan de opgebaarde vader, de noodzakelijke boodschappen en wat regelwerk – blikt hij terug naar het verleden, zowel dat met zijn vader als een deel van zijn jeugd dat daar losser van lijkt te staan.

Geregeld stuit je op een saai, lang uitgesponnen stuk, maar het boek laat zich niet gemakkelijk dichtslaan en de roetsjbaan van emoties die het overlijden met zich meebrengt, raakt je.

Ook ga je inzien dat Karl Ove Knausgård nu en dan een essay tussen zijn relaas smokkelt. Ergens schrijft hij dat het dat is wat hij eigenlijk wil doen, essays schrijven. Zijn inzichten over zeventiende-eeuwse schilderkunst in Vader, zijn een bijzonder geslaagd voorbeeld van dat aspect van zijn schrijverschap.

Herkenbaarheid

Ik begon dus met goede moed aan het zeshonderd bladzijden dikke vervolg, Liefde, en stelde al gauw vast dat de uitweidingen vol dagdagelijkse beslommeringen er niet minder op waren geworden. Jazeker, daar doelt het boek ook op; de auteur wil een taal vinden voor die dagdagelijkse banaliteit.

Ook is het misschien nodig mezelf als lezer te kaderen wanneer ik dit soort beweringen doe: Prousts À la recherche du temps perdu is niet mijn favoriete klassieker.

Toch vermoed ik dat ik niet de enige ben die een passage als de volgende onverdraaglijk vindt: “Ik bracht het halfgerolde sjekkie naar mijn lippen en likte aan de lijmrand, drukte die met mijn duimen vast zodat hij aan het papier bleef kleven, kneep de losse draadjes er aan beide kanten af en liet ze in de glanzend witte binnenkant van het pakje vallen, trok het pakje wat verder open zodat ze naar de lichtbruine, dicht ineengevlochten shag op de bodem gleden, deed het pakje dicht, stopte het in de zak van mijn jas, die over de stoel hing, stopte het sjekkie in mijn mond en stak het aan met de vlam die geelflakkerend uit de aansteker oplaaide.”

Misschien bestaan er lezers die hiervan houden. Ik ben geen van hen.

Vooral omdat deze onbeduidende beschrijving op dat moment niet als een afleidingsmanoeuvre voor een omliggende crisis dient. Er zijn heel wat van dit soort beschrijvingen zonder welke Liefde een beter boek was geworden.

Hier en daar weet de roman inhoudelijk en stilistisch te prikkelen. Enkele verwerkte essays over individualiteit en conformisme, doen je uitkijken naar de komende delen van Min kamp. Tijdens het interview in Vooruit sprak Knausgård een beetje verward over de toon van Hitlers gelijknamige boek, waarin het ik enkel ik is, en niet door verwachtingen van de buitenwereld wordt gestuurd.

In het voorlaatste deel van zijn romancyclus, dat de moorden van Anders Breivik als uitgangspunt heeft, zou hij dieper op die gedachte ingaan. Vaak beschrijft Knausgård zichzelf als iemand die zijn ware persoonlijkheid ontkent om in de gratie te komen van zoveel mogelijk mensen. Individualiteit en conformisme zijn bij hem voortdurend in tweestrijd.

Ook bij zijn vader, op wie hij vreest steeds meer te lijken, was er een grote discrepantie tussen beide. Mijn strijd is dan ook ontstaan uit de noodzaak om zijn ‘ware ik’ een stem te geven.

Daarom schrijft hij over de vlucht van zijn Noorse vrouw en de schokkende ontmoeting met de Zweedse Linda, op wie hij stapelverliefd wordt en die de moeder van zijn kinderen zal worden. Hij beschrijft het grote geluk dat hij ervaart bij het begin van deze liefde en bij het krijgen van zijn eerste kind, maar ook de lange periodes waarin dat geluk vervangen wordt door frustratie. De voornaamste reden waarom mensen Liefde prijzen, blijkt dan ook de herkenbaarheid van het beschrevene.

Dat is geen verkeerd criterium om een boek te beoordelen, maar belangrijker dan herkenbaarheid, vind ik de mate waarin literatuur je verrast, en dat deed Knausgårds werk, of toch zeker Liefde, wat mij betreft niet vaak genoeg. Zeker schrijft hij met nuance over het hebben van kinderen, maar de oeverloze passages over hoe lastig die kinderen het hem maken om zich in zijn werk te ontplooien, gaan snel vervelen. En eens die verveling is toegeslagen, neig je over hem te oordelen om jezelf bezig te houden, iets wat niet de bedoeling kan zijn van literatuur.

Na honderd bladzijden denk je al: “Waarom wil je er dan per se drie?” En terwijl de vele opgesomde ergernissen over de Zweedse mentaliteit en de verschillen met de Noorse omgangsvormen, aanvankelijk amusant zijn, ga je je halverwege het boek toch afvragen waarom hij dan niet verhuist als het daar zo vreselijk is.

‘Ware ik’

In Vooruit vertelde de auteur over de gevolgen van de romancyclus, die hij in het zesde deel heeft verwerkt. Zijn manisch depressieve vrouw moest voor het eerst sinds hun samenzijn weer worden opgenomen, haar moeder is kapot door de passages over de ontdekking van haar alcoholisme en de familie van zijn vader heeft alle contact met hem verbroken.

In interviews verschuilt de auteur zich ter verdediging keer op keer achter de woorden van de Ierse auteur Colm Tóibín, die tegen studenten zou hebben gezegd dat je niet moet schrijven als je geen ruzie wil met je vrienden, maar wiens werk volgens mij volstrekt niet op dat van Knausgård lijkt.

Naar eigen zeggen gaan mensen Knausgård na het lezen van zijn werk als een vriend beschouwen. Dat klopt voor mij alleen als daarmee het soort vriend wordt bedoeld dat je soms wat ontloopt, omdat hij naast al zijn kwaliteiten ook een vreselijke zeur kan zijn.

Je kunt je overigens voorstellen dat de auteur het zelf niet als een onverdeeld succes beschouwt dat het werk dat uiting moest geven aan zijn puurste, minst door de buitenwereld aangetaste ‘ik’, net de meeste aansluiting vindt bij de grootste schare lezers.

Al is ook dat onaangetaste ik natuurlijk een constructie. In recensies van Knausgårds werk word je met de woorden ‘eerlijkheid’ en ‘oprechtheid’ om de oren geslagen. Toch ben ik van mening dat we een auteur beter leren kennen door zijn fictie dan door autobiografische geschriften. Bij die eerste ontdek je immers wat belangrijk is voor die auteur, terwijl het bij egodocumenten toch ook altijd gaat over een beeld dat hij van zichzelf wil ophangen.

Dat beeld is volgens mij altijd eenduidiger, beperkter dan in de werkelijkheid, waarin mensen doorgaans uit meerdere mensen bestaan.

In Vader exploreert de auteur de (on)betrouwbaarheid en selectiviteit van herinneringen en geeft hij toe dat literatuur altijd iets met de werkelijkheid doet, dat dat ook moet. In een poging zijn missie onder woorden te brengen, komt hij terloops tot een schitterende definitie van literatuur: “Schrijven houdt in wat bestaat uit de schaduw te halen van wat we weten.”

Dat is veelbelovend, en bijgevolg stelt het teleur dat hij deze zoektocht in Liefde verplaatst naar een eenzijdiger zoeken naar zichzelf. Dat wordt soms behoorlijk gênant. Niet wanneer hij het eigen falen beschrijft – de zelfmutilatie na de afwijzing is bijvoorbeeld sterk in zijn afstandelijke beschrijving – maar wanneer hij zijn beste vriend laat opdraven om hem – en de lezer – te vertellen wat voor iemand hij is. Die vriend zegt er dan soms wel bij dat hij het niet als een compliment bedoelt, maar intussen heb je de vele kwaliteiten van Karl Ove Knausgård toch mooi meegekregen.

Zo verzucht die vriend, Geir genaamd: “Jij kunt mensen zover krijgen dat ze met tranen in de ogen twintig pagina’s over een bezoek aan de wc lezen. Hoeveel mensen kunnen dat, denk je? Hoeveel schrijvers hadden dat niet gedaan als ze hadden gekund? Waarom denk je dat mensen aan hun modernistische gedichten met drie woorden per pagina zitten te klooien? Dat is omdat ze niet anders kunnen. Dat moet je na al die jaren toch begrijpen. Als ze hadden gekund, hadden ze het gedaan. Jij kunt het en je stelt er geen prijs op. Je kijkt erop neer en zou liever goede essays kunnen schrijven. Maar iedereen kan essays schrijven! Dat is het gemakkelijkste ter wereld.”

Je hoopt maar dat het massale succes van Mijn strijd niet door Geirs soort gedachtegang moet worden verklaard. En dat er genoeg auteurs overblijven die de literatuur in andere richtingen blijven exploreren dan Karl Ove Knausgård.

Vond je deze bespreking interessant? Je steunt DeWereldMorgen.be door ‘Vader’ en ‘Liefde’ bij ons te bestellen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!