Enkele vuistregels voor een efficiënte omgang met Franstalige beleidsvoerders

Enkele vuistregels voor een efficiënte omgang met Franstalige beleidsvoerders

vrijdag 23 november 2012 10:44

Ik heb me de laatste tijd meermaals de vraag gesteld waarom ik eertijds (en ook nu nog waar het nodig is) goed overweg kon/kan met Franstaligen uit beleidskringen. De berichten in de media geven de indruk dat veel Vlamingen het vandaag moeilijk hebben daarmee.

Even situeren wat ik bedoel. Tussen 1989 en 1993 was ik kabinetschef van koninklijk commissaris Paula D’hondt. Haar adjunct was Bruno Vinikas, een Franstalige socialist, Brusselaar. Ik schoot bijzonder goed op met hem. Als we mekaar vandaag nog ontmoeten, is dit telkens zeer hartelijk. Mijn adjunct was toen Michel Villan, een Franstalige socialist uit Namen. Ook die werkverhouding liep heel goed en we houden goede herinneringen over aan mekaar. Later heb ik op het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding een Franstalige adjunct gehad, Jean Cornil. Weerom hartelijk. En in Sint-Jans Molenbeek heb ik jarenlang Philippe Moureaux als burgemeester gehad, een Franstalige socialist. Weerom een zeer correcte verhouding.

Was de verhouding goed omdat ik altijd de concessies deed? Absoluut niet. Ik wil enkele ervaringen vermelden die met het belang van de Nederlandstaligheid (enfin, het belang van de Vlamingen, als je dit liever hoort) te maken hebben. Eerst iets uit mijn periode op het Koninklijk Commissariaat, begin jaren 90, toen het Impulsfonds voor het migrantenbeleid ingevoerd werd. Dat was een federaal fonds, dat verdeeld moest worden over federale, gewestelijke en gemeenschapsprojecten. En er lag geen sleutel vast in het Koninklijk besluit om te bepalen hoe de verdeling moest gebeuren. Alles lag dus open voor een langdurige discussie met niets dan malcontenten aan het eind. Welnu, dit werd toen in enkele weken tijd geregeld. Was het resultaat nadelig voor de Vlamingen? Absoluut niet.

Een voorbeeld: in Brussel kregen de Vlaamse projecten (gemeentelijke projecten niet inbegrepen) 28% van het bedrag toegewezen. Vlaamse projecten kregen ingeveer 35% van de middelen als we de Nederlandstalige gemeentelijke projecten meerekenen. Nota bene: na onderhandelingen met Franstalige PS-ers en toenmalige PSC-ers. Een ander voorbeeld: de opstart van de inburgeringscursussen voor nieuwkomers in Brussel. Er is in de 19 Brusselse gemeenten welgeteld één burgemeester die ooit actief meegewerkt heeft (en is blijven meewerken tot op het einde van zijn termijn) aan de organisatie van inburgeringscursussen in het Nederlands. Hij deed dit door alle nieuwkomers jaarlijks in een brief te wijzen op het belang van die cursussen. Die burgemeester was Philippe Moureaux. Dit was zijn antwoord op een beleefde vraag van de directie van Foyer. De Franstalige PS-burgemeester heeft daar even beleefd en positief op gereageerd, “avec des actes”, zoals premier Di Rupo nu zou zeggen.

Waar wil ik toe komen? Soms heb ik de indruk, als ik sommige Vlaamse politici bezig zie en hoor, dat ze er alles aan doen om niet te slagen bij hun voorstellen op nationaal vlak. Zij gaan voorbij aan enkele elementaire spelregels die je misschien mag betreuren of niet terzake vinden, maar die nu eenmaal “prealabelen” zijn in het contact met Franstalige politici. Mag ik kort enkele van die spelregels opnoemen die ik altijd als fundamenteel ervaren heb bij een gesprek met Franstalige beleidsmakers?

Regel 1: wees zeer hoffelijk en beledig hen nooit. Hun eergevoel reikt op dit vlak veel verder dan bij Vlamingen het geval is. Dat geldt voor uw contacten onder vier ogen met hen, maar dit geldt wellicht nog méér voor wat u over hen zegt in het publiek. Het laatste wat je doet, is een Franstalige beleidsvoerder publiek vernederen, ook al zou je gelijk hebben. Regel 2: tracht hun bezorgdheid en achtergrond goed te begrijpen en maak hen onder vier ogen duidelijk dat je die kent. Het is juist dat je niet altijd eenzelfde empathie van hun kant zal ondervinden, maar je moet weten wat je wil: resultaat of niet. Regel 3: onderhandel zakelijk, respectvol, waarbij je dan op jouw beurt onder vier ogen begrip tracht te wekken voor je eigen bezorgdheid en achtergrond. Je tracht bij hen eenzelfde empathie voor jouw standpunt te wekken. Regel 4: spreek met hen zowel in het Nederlands als in het Frans. Resultaat? Je zal merken dat dit, in de meeste gevallen, vrij goed afloopt.

Als ik het zakelijk analyseer, merk ik dat ik veel meer zorg besteedde aan het onderhandelen met Franstaligen dan met Nederlandstaligen. Ik besef dat ik bij Nederlandstaligen soms zeer agressief uit de hoek kon komen, maar dat nadien de plooien glad konden gestreken worden. Bij de FRanstaligen lag dit veel moeilijker. Eens een pot daar gebroken was, was het moeilijk de scherven nadien te lijmen.

Waarschijnlijk zal wat ik hier schrijf nogal onnozel overkomen in de ogen van sommigen. Maar, eerlijk, wanneer ik Vlaamse politici vandaag soms bezig hoor, kan ik niet anders dan vaststellen dat sommigen onder hen toch best eens zouden uitmaken wat ze nu eigenlijk willen: resultaten of niet. Of nog: enkel maar scoren voor eigen publiek, dan wel iets reëels op lange termijn realiseren op het terrein.

Ondertussen moeten we er ook niet van verschieten dat men in het buitenland meer en meer het excessief Belgisch gekrakeel aangrijpt om onze economische positie te verzwakken in eigen voordeel, zoals uit Zwitserland recent gebleken is. Wie gaat graag op bezoek in een restaurant waar hij voortdurend intern gekrakeel ziet over wat dan ook, zonder pogingen van aanzet tot wederzijds begrip? Belgen misschien wel, omdat ze dit de laatste jaren gewoon zijn gemaakt… maar veel anderen in het buitenland vinden zulk beeld echt maar zielig.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!