(foto: Willy Dee) Stadsdebat op de Gentse Feesten
Opinie, Nieuws, Samenleving, België, Gent, Stad gent, Stedelijke visie - Stijn Oosterlynck

Gent: te weinig stad

Om meer stad te worden, heeft Gent nood aan een stadsdebat. Dat stadsdebat moet de komende zes jaar onder meer gaan over de verarming en verkleuring van de stad, over de groei van de stedelijke bevolking en over de noodzaak van een verkeersleefbare stad. Maar Gent kan pas meer stedelijk worden als ook Vlaanderen zich stedelijk gaat opstellen, schrijft stadssocioloog Stijn Oosterlynck.

donderdag 26 juli 2012 13:05

‘Zoveel stad’: met dit promotielogo verkopen Gent en haar organisaties zich sinds 2010 als merk aan de buitenwereld. ‘Zoveel stad’ moet de vele gezichten van Gent in de kijker zetten. De stelling die ik hier wil verdedigen is dat Gent vandaag niet genoeg stad is. Om meer stad te worden, heeft Gent nood aan een stadsdebat. Dat stadsdebat moet de komende zes jaar onder meer gaan over de verarming en verkleuring van de stad, over de groei van de stedelijke bevolking en over de noodzaak van een verkeersleefbare stad. Maar de uitdaging om Gent meer stad te maken kan niet enkel in Gent aangepakt worden. Gent kan pas meer stedelijk worden als ook Vlaanderen zich stedelijk gaat opstellen. Daar ligt een grote uitdaging voor Gentse en andere stedelijke politici en middenveldorganisaties.

Stelling 1: geen stad zonder stadsdebat

In Gent werd de voorbije jaren druk gediscuteerd en geparticipeerd in het stedelijk beleid. Het stadsbestuur ging de voorbije legislatuur tweemaal op bezoek in alle Gentse wijken. De stedelijke Dienst Gebiedsgerichte Werking voorziet burgers van informatie en organiseert inspraak in de 25 Gentse wijken. De stad organiseert de inspraak dus vooral op wijkniveau, het sterk van bovenuit geregisseerde en tot generieke conclusies komende Gent 2020/ Gent Over Morgen, niet te na gesproken. Gent heeft absoluut geen gebrek aan wijkcomités, actiegroepen en samenwerkingsverbanden tussen burgerorganisaties allerhande. Alleen situeert heel veel van die participatie zich op wijkniveau. Daar is op zich niets mis mee, maar om tot een stedelijke visie te komen, is wel een serieuze schaalsprong nodig die in Gent zelden gemaakt wordt. De organisaties die wel op stedelijk niveau actief zijn, zoals het Gentse Milieufront, Samenlevingsopbouw en het ACW, doen dit sterk vanuit hun doelgroep of beweging. Daar is opnieuw niets mis mee, maar een stedelijke visie is meer dan de optelsom van bezorgdheden van één bepaalde doelgroep, sector of beweging. In steden zoals Antwerpen en Brussel groeiden de voorbije jaren krachtige burgerorganisaties die het stadsdebat continu voeden. Denken we maar aan de Straten-Generaal en ‘Antwerpen aan ‘t woord in Antwerpen’ en de Staten-Generaal van het Brusselse middenveld in Brussel. In Gent blijft het vergeefs zoeken naar gelijkaardige stadsorganisaties.

De wijkgebondenheid van het stedelijk debat is niet enkel aan het Gentse middenveld of aan Gentse politici te wijten. Gent mankeert ook gewoon een publiek forum waar lokale politici of het lokale middenveld zich stedelijk kunnen profileren. Bij gebrek daaraan ontwikkelt het middenveld geen brede stedelijke visie, maar blijft het al te veel hangen in de eigen sectorale bezorgdheden (‘meer bedden voor daklozen en vluchtelingen’, ‘meer natuurgebied of fietspaden’, etc.) of in de eigen wijk (‘het stadsbestuur verwaarloost de fusiegemeenten’; ‘de stad moet blijven investeren in de Brugse Poort’, etc.). Ook Gentse politici blijven teveel hangen in de gemeentepolitiek en worden te weinig aangezet om een stedelijk project te ontwikkelen. De discussies met het middenveld vinden plaats in adviesraden en overlegstructuren allerhande, op een ruime afstand van het publiek forum. In Antwerpen opinieert de Gazet van Antwerpen dagelijks over wat er reilt en zeilt binnen de stad. De Antwerpse lokale televisiezender ATV zendt wekelijks een debat over de stedelijke actualiteit uit. De Nederlandstaligen in Brussel kunnen voor actualiteit en opiniëring terecht bij TV Brussel en Brussel Deze Week. Gent moet het met AVS stellen, die zich nauwelijks als stadszender profileert en al helemaal geen debatten uitzendt. In de Gentenaar vind je stedelijke actualiteit, maar plaatst men slechts wekelijks een kort opiniërend stukje. Gentenaars kunnen wel terecht bij niet-commerciële media zoals Gentblogt en TiensTiens, maar die zijn een paar maten te klein om het stadsdebat vorm te geven.

De gemeenteraadsverkiezingen zijn een goede aanleiding om deze leegte te beginnen opvullen. De drie stadsdebatten die Democratie 2000 en TiensTiens organiseren, willen daar een bijdrage toe leveren, maar commerciële media zoals AVS en De Gentenaar moeten hun verantwoordelijkheid nemen om dit stadsdebat een structurele plaats te geven in Gent. Het kartel SP.A en Groen belooft de kiezer deze verkiezingen niet enkel een verkiezingsprogramma, maar een visie voor de stad van de toekomst. Dit zou andere partijen er toe moeten aanzetten om een gelijkaardige ambitie aan de dag te leggen en het Gentse middenveld moeten aansporen om de eigen wijk, sector en doelgroep te overstijgen en volop in te zetten op dit stadsdebat. Ook de Gentse universiteit zou hierin een partner moeten zijn, maar is op dit moment inhoudelijk te weinig betrokken op de stad. De rol die de Brusselse universiteiten spelen in de Brusselse Staten-Generaal, kan hier als voorbeeld dienen. Vorige week zondag deed Dominique Willaert van Victoria Deluxe hier een voorstel dat ik graag herneem. Hij nodigde Gentse politici uit om af te stappen van projectwerking en naar een meer structurele aanpak te gaan, door samen met het lokale middenveld, prioritaire uitdagingen te bepalen, een masterplan te ontwikkelen en alle partners daarrond gedurende de beleidsperiode structureel te laten samenwerken; benieuwd wat de politici rond de tafel hiervan vinden.

Stelling 2: verkleuring en verarming, de bevolkingsaangroei en verkeersleefbaarheid zijn belangrijke toekomstige uitdagingen voor Gent

Maar waarover moet dit stadsdebat gaan? Ik doe een poging om een viertal prioritaire uitdagingen op te lijsten en stelling in te nemen over hoe die aangepakt zouden kunnen worden.

Gent verarmt en verkleurt. Verarming hoeft op zich geen probleem te zijn, zolang de stad erin slaagt om kansen op vooruitgang te bieden en als emancipatiemachine te fungeren voor wie er aanspoelt. De stad moet daarom een beleid van sociale opwaardering voeren, vooral in die 19de eeuwse gordelwijken die als aankomstwijken voor mensen in armoede, al dan niet gekleurd, fungeren. Dit vereist dat het stadsbestuur en het lokale middenveld de functie van dergelijke wijken in de stad erkennen in plaats van een beleid van sociale mix te voeren, waarbij aan de sociale problemen niet verholpen wordt, maar de bevolkingssamenstelling gewoon aangepast wordt.

De overheid moet nadrukkelijk aanwezig zijn in aankomstwijken, onder meer met publieke dienstverlening, gericht op leren, wonen, werken en gemeenschapsleven. Cruciaal daarbij is het toevoegen van meer treden onderaan de maatschappelijke ladder, zodat individuen en groepen stap voor stap kunnen stijgen op de maatschappelijke ladder. Wat werkgelegenheid betreft, betekent dit het stimuleren van economische ontwikkeling die kwalitatieve en stabiele jobs voor laaggeschoolden genereert. Het stedelijk economisch beleid is te eenzijdig gericht op hoogtechnologische en creatieve sectoren, terwijl werkloosheid zich vooral voordoet bij laaggeschoolden. Wat huisvestiging betreft, moet ingezet worden op een meer gevarieerd aanbod aan woningen in het goedkopere segment. Dit betekent meer sociale huisvesting, een kwalitatieve private huursector en goedkope koopwoningen, zodat bewoners zich langzamerhand binnen de wijk kunnen verbeteren.

Wat onderwijs betreft, betekent dit erkennen dat het Vlaamse onderwijs in aanzienlijke mate faalt voor kinderen uit achtergestelde gezinnen, die geconcentreerd zitten in de steden. Een structurele hervorming van het Vlaamse onderwijs en doorgedreven onderwijsexperimenten in de steden zijn cruciaal. Tot slot moet begrepen worden dat instrumentele vooruitgang in onderwijs en werkgelegenheid enkel werkt als mensen zich ondersteund weten door lokale sociale netwerken van mensen die ze als gelijken beschouwen. De selfmade (wo)man die op zijn eentje uit de achterstelling naar boven kruipt, is een fictie. Dit betekent dat etnische enclaves of achtergestelde buurten niet noodzakelijk een probleem zijn, maar gewoon de ruimtelijke uitdrukkingsvorm zijn van transitieprocessen. De overheid kan hier veel beter inzetten op het ondersteunen van zelforganisaties en het vasthouden van de lokaal ontstane nieuwe middenklassers, eerder dan het aantrekken van middenklassers van buiten de stad.

Gent wordt groter en drukker. De Gentse bevolking groeide van 226.000 bewoners in 1997 tot ongeveer 236.000 in 2008 en zal naar verwachting aangroeien tot 259.000 bewoners in 2021. Deze bevolkingsgroei kan niet enkel opgevangen worden door de verdichting van de binnenstad en door de al erg dichtbevolkte 19de eeuwse gordel. Er is dus nood aan een verstedelijkingsbeleid van de 20ste eeuwse gordel. Dat betekent een verdichting van de bebouwing in de 20ste eeuwse laagbouwwijken en ruimte- verslindende verkavelingen, een goede aansluiting op het openbaar vervoersnetwerk, de uitbouw van stedelijke publieke ruimtes, het behoud van kwalitatieve groene ruimtes en de ontwikkeling van sociaal-culturele programma’s die de verstedelijking begeleiden.

Ook het autoverkeer in Gent neemt steeds verder toe. In februari zei de verkeerscoördinator van de Gentse politie nog dat er geen auto meer bij kan in Gent. Om de stad verkeersleefbaar te houden, is het Mobiliteitsplan uit 1997 niet langer afdoende. Dat plan verbeterde de verkeersleefbaarheid van de binnenstad en verschoof heel wat verkeer naar de binnenring R40, waar het steeds meer een barrière opwerpt tussen stadskern en de omliggende gordelwijken. Door het voeren van een ‘en/en’ beleid, dat naast openbaar vervoer en fiets- en voetgangersmobiliteit, ook blijft inzetten op autoverkeer (zie bijvoorbeeld de ondergrondse parkings in het stadscentrum) blijft echter ook de verkeersleefbaarheid van het centrum onder druk staan. Om daar verandering in te brengen, moet resoluut gekozen worden voor de interne bereikbaarheid van de stad voor haar eigen bewoners, via openbaar vervoer, de fiets of te voet. Dit betekent echter ook dat de huidige externe bereikbaarheid van de stad met de auto, voor zoveel mogelijk verplaatsingen, zal moeten vervangen worden door een systeem van overstapplaatsen op andere vervoersmiddelen, aan de rand van de stad. Deze keuze zal het mogelijk maken om de R40 om te turnen tot een groene, meer verkeersluwe stadsboulevard en eindelijk een duidelijke visie te ontwikkelen op de invalswegen (bv. Bevrijdingslaan/ Phoenixstraat, Wondelgemstraat, Antwerpsesteenweg, etc.), waar de problematische verkeersituatie tot blijvende verloedering en onveiligheid leidt.

Stelling 3: Gent kan pas meer stad worden als ook Vlaanderen meer stedelijk wordt

Van Gent meer stad maken, kan niet enkel in Gent. Gentse politici en middenvelders moeten daarbij ondersteund worden door een Vlaams beleid dat stedelijke ontwikkeling ondersteunt en een middenveld helpt, dat actief een stedelijke visie uitdraagt en promoot. Vlaanderen maakt samen met Nederland, van oudsher, deel uit van een regio die sterk verstedelijkt is. Die rijke stedelijke traditie werd de laatste eeuw eerder ondermijnd dan ondersteund. De Christendemocratie -andere politieke stromingen waren hier evenmin immuun voor- zag de steden als een bolwerk van criminaliteit en zondigheid, van politieke opstand en sociale desintegratie. Daarom voerden ze een anti-stedelijk beleid. Via een fijnmazig publiek vervoersnetwerk en goedkope abonnementen ontmoedigden ze mensen om in de steden te gaan wonen. Via het stimuleren van het bouwen van de eigen woning, promoten ze het wonen in de groene stadsrand en de leegloop van de stad. Tot in de jaren 1980 kende België, noch Vlaanderen, een stedenbeleid. Ondanks de verloedering, verarming en verslechterde leefbaarheid van de steden, erkenden de hogere overheden niet dat er specifiek stedelijke problemen waren die een eigen beleid vereisten.

Vandaag is er wel een stedelijk beleid, zowel op Vlaams als federaal niveau. Dat is positief, maar de financiële middelen die daartegenover staan zijn miniem. Het beschikbare budget voor het Vlaamse Stedenbeleid in 2012 bedraagt 151 miljoen euro, waarvan het grootste deel naar het Stedenfonds en de stadsvernieuwingsprojecten gaat. Dit is uiteraard positief, maar het steekt schril af tegenover een totale Vlaamse uitgavenbegroting van om en bij de 27 miljard Euro. (Het Federaal Grootstedenbeleid beschikt over nog minder middelen, namelijk 55 miljoen euro in 2011 en zal in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid geregionaliseerd worden). Toch is dit voor sommige politici blijkbaar nog teveel, gezien de hardnekkige geruchten over de ambitie van een aantal politieke partijen om het Vlaams Stedenbeleid te ‘heroriënteren’ naar het Gemeentefonds, waaruit alle Vlaamse gemeenten middelen trekken. Dit betekent zoveel als ontkennen dat er in Vlaanderen een specifieke stedelijke problematiek is, waarvoor de hogere overheid verantwoordelijkheid wil nemen.

Belangrijker dan het directe stedenbeleid zijn de effecten van het algemene Vlaamse beleid op de steden. Op dit vlak is de balans overwegend negatief en blijft de Vlaamse overheid volharden in de anti-stedelijke boosheid die de Belgische overheid eerder al kenmerkte. Beleidsbeslissingen van de Vlaamse overheid in diverse beleidsdomeinen, ondermijnen systematisch de sowieso al zwakke pogingen van het Vlaamse Stedenbeleid om steden te versterken. Ik geef drie recente voorbeelden. Het eerste voorbeeld is de beslissing van de Vlaamse regering om het mega-shopping complex Uplace in Machelen een vergunning toe te kennen. De uitbouw van grootschalige winkels buiten de stad of aan de stadsrand verzwakken de stedelijke kernen en verergeren de mobiliteitsproblematiek. Wat voor zin heeft het om via het Stedenbeleid aan kernversterking te doen, als die via beslissingen van andere beleidsdomeinen ondermijnd wordt? Ook in Gent stelt die problematiek zich al decennia, met de uitbouw van baanwinkels aan de invalswegen naar de stad.

Het tweede voorbeeld gaat over de recente beslissing van de Vlaamse regering om te besparen bij de Lijn. Het gevolg daarvan is de afschaffing van het avondnet tijdens de week en het nachtnet tijdens het weekend. Die laatste beslissing werd gedeeltelijk teruggedraaid door sponsoring van een private partner en de stad. Wat voor zin heeft het om mensen via ‘Thuis in de Stad campagnes’ ertoe aan te zetten om in de steden te gaan wonen, om zo hun mobiliteitspatroon duurzamer te maken, als het openbaar vervoersaanbod tegelijkertijd afgebouwd wordt? De Vlaamse Regering verbreekt hier haar contract met de stadsbewoners die aangewezen zijn op en/of bewust kiezen voor openbaar vervoer. Een derde voorbeeld heeft te maken met de strijd tegen de stadsvlucht van (overwegend) blanke middenklasse-gezinnen. Het Vlaamse Stedenbeleid zet hier sterk op in, maar dit beleid maakt weinig kans als de wetgeving op de ruimtelijke ordeningswetgeving, die de open ruimte wil beschermen en wonen in steden promoot, continu uitgehold wordt. Zolang de Vlaamse overheid goedkope bouwgrond buiten de stad blijft aanbieden en de hoge infrastructuurkosten, die het buitenstedelijk wonen met zich meebrengt, doorrekent aan de ganse gemeenschap, zal de stadsvlucht blijven aanhouden. Hoe kan Gent concurreren met de verkavelingswoede in Lochristi, als de inwoners van Lochristi niet geresponsabiliseerd worden voor hun sub-urbane woonkeuze?

Daarom deze derde stelling

Gentse politici en middenvelders moeten, binnen de eigen partij en organisatie, samenwerken met hun collega’s van andere steden om het belang van het Vlaams Stedenbeleid te verdedigen en samen in te gaan tegen beleidsbeslissingen die tegen de algemene belangen van de stad ingaan. Gentse politici moeten, over ideologische en partijgrenzen heen en samen met het lokale middenveld, coalities vormen om stedelijke dossiers en beleid te verdedigen bij de hogere overheden. Gezien Vlaanderen slechts twee grootsteden telt, is het delen van expertise en coalitievorming met Brussel en haar gemeenten en met de Waalse grootsteden Luik en Charlerloi, belangrijk en kan hier een rol weggelegd worden voor een herbekijken van het federaal stedenbeleid.

Stijn Oosterlynck is docent stadssociologie, woordvoerder Centrum Ongelijkheid, Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad, Universiteit Antwerpen.

take down
the paywall
steun ons nu!