De bouw van de kerncentrale in Bushehr. Voor de Iraanse revolutie steunde het Westen het kernprogramma van Iran.
Nieuws, Wereld, Politiek, Kernwapens, Iran, Tmd, Nonproliferatieverdrag, Oorlog en vrede -

Iran als civiele nucleaire macht: erkennen of bombarderen?

Iran wordt door alle westerse politieke leiders voorgesteld als een van de grootste gevaren voor het westen. Hoe komt dat?

dinsdag 25 januari 2011 17:25

De VS vernoemt Iran expliciet als een van de twee hoofdredenen om een rakettenschild te bouwen. Iran zou werken aan langeafstandsraketten en een kernwapenprogramma. In haar Nieuw Strategisch Concept (2010) schuift de NAVO de ontwikkeling van ballistische raketten en de verspreiding van kernwapens naar voren als de belangrijkste gevaren voor het Euro-Atlantische gebied.

Wij zijn uiteraard geen aanhangers van het Iraanse conservatieve regime, dat bekend staat om haar vele mensenrechtenschendingen, maar elk land dat het non-proliferatieverdrag (NPT-verdrag) ondertekend heeft, belooft af te zien van kernwapens en heeft soeverein en onvervreemdbaar recht op een eigen civiel nucleair programma. Zo ook Iran. Waarom zit het land dan op de schopstoel?

Start met grote westerse steun

Iran ondertekende het NPT-verdrag in 1968 en heeft dus het onvervreemdbaar recht op de productie van civiele kernenergie. Het land wil zich profileren als nucleaire macht en ontwikkelt alle facetten van een nucleaire sector: uraniummijnen, onderzoekscentra, kerncentrales en verrijkinginstallaties.

Iran heeft ook al duidelijk gemaakt dat het de intentie heeft opwerkingsfabrieken te bouwen om plutonium van kernafval te scheiden. Dat kan dan opnieuw dienen als brandstof voor zwaarwater-kernreactoren (en mogelijk ook kernwapens). Iran wil zich dus de volledige nucleaire cyclus eigen maken van erts tot afvalverwerking.

Er zijn twee belangrijke periodes in de geschiedenis van het Iraanse kernprogramma. Voor de Iraanse revolutie in 1979 gebeurde alles met de actieve steun van het westen. In het kader van het ‘Atoms For Peace’-programma kreeg Iran in 1967 een Amerikaanse onderzoeksreactor en kernbrandstof.

In 1976 stemde VS-president Ford er in principe mee in om Teheran een opwerkingsfabriek (om plutonium uit kernafval te halen) te verkopen. (Opmerkelijk detail: Donald Rumsfeld was toen minister van Defensie). Siemens en AEG sloten in 1975 een contract om de Bushehr-kerncentrale te bouwen onder het consortium Kraftwerk Union AG.

Iran kocht een aandeel van tien procent in Eurodif, een gezamenlijke verrijkingsfabriek van Frankrijk, België, Spanje en Zweden op Frans grondgebied. Die zou Iran moeten voorzien van kernbrandstof voor het twintigtal kerncentrales die de Sjah voor zijn land voorzag. Met de Iraanse revolutie kwam er in 1979 een abrupt eind aan de samenwerking en viel het Iraanse kernprogramma stil.

Na de gijzeling van de medewerkers van de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1981 stopte de VS met de uitvoering van zijn contracten. Onder Amerikaanse druk weigerde ook Frankrijk zijn contracten met Iran te honoreren, en stopte het dus met de uitvoer van kernbrandstof naar Iran.

Frankrijk weigerde aanvankelijk ook om het aandeel van Iran in Eurodif terug te betalen. Dat gebeurde pas in 1991. De Duitse contractanten stopten met de bouw van de Bushehr-kerncentrale. Deze werd later, tijdens de Iraans-Iraakse oorlog (1980-1988), verschillende keren gebombardeerd door Iraakse gevechtsvliegtuigen.

Verder zonder westerse steun

Twee jaar na de revolutie startte Iran opnieuw met de verdere uitbouw van zijn kernprogramma, ditmaal zonder de steun van het westen. Integendeel zelfs. Vanaf dan keek Iran daarom uit naar hulp van niet-westerse landen.

Het Internationaal Atoom Energie Agentschap van de VN (IAEA) zou Iran technisch ondersteunen om een eigen verrijkinginstallatie te ontwikkelen, maar in 1983 zette de VS het IAEA onder druk om dat niet te doen. China wou Iran een verrijkingsinstallatie verkopen, maar werd ook door de VS onder druk gezet om daar van af te zien. China verkocht de installatie niet, maar wel de bouwplannen.

Argentinië bleek bereid om laag verrijkte kernbrandstof te leveren, in1993, maar andere contracten werden onder Amerikaanse druk geschrapt. In de jaren negentig sloot Iran een contract met Rusland om de door Duitse bedrijven begonnen constructie van de Bushehr-kerncentrale verder te zetten. De afwerking van deze kerncentrale zit inmiddels in de eindfase. In augustus 2010 werd de eerste (Russische) kernbrandstof ingebracht en de centrale zou vanaf 2011, vijfendertig jaar na de start van de bouw, elektriciteit moeten opwekken.

De hamvraag: heeft Iran een kernwapenprogramma?

In 1992 inspecteerde het IAEA alle Iraanse sites van het kernprogramma na beschuldigingen van niet aangegeven nucleaire activiteiten. Het toenmalige hoofd van het IAEA Hans Blix verklaarde dat er geen activiteiten vastgesteld werden die niet bedoeld waren voor vreedzame doeleinden.

In 2002 werd Iran ervan beschuldigd in het geheim nucleaire installaties te bouwen (een uraniumverrijkinginstallatie in Natanz en een zwaarwaterreactor in Arak). Sindsdien is het Iraanse nucleaire programma niet meer aan de controverse ontsnapt. Met regelmaat van de klok wordt Iran ervan beschuldigd aan een kernwapenprogramma te werken. Dat leidt telkens tot de vraag naar meer transparantie, de roep om internationale controle en inspecties, en de eis om te stoppen met het uraniumverrijkingprogramma.

In 2006 leidde de controverse rond het Iraanse verrijkingprogramma tot de goedkeuring van resolutie 1696 in de VN-Veiligheidsraad, die Iran verbiedt om uranium te verrijken, op te werken of er onderzoek naar te doen. Iran negeerde dat verbod, dat werd gevolgd door tal van andere resoluties die sancties opleggen: verbod op export van nucleaire technologie en rakettenmateriaal naar Iran, reisbeperkingen voor bepaalde Iraniërs, bevriezing van bepaalde tegoeden, enzovoort.

Het laatste rondje VN-sancties dateert van juni 2010. Die leggen een totaal wapenembargo op aan Iran, verbieden alle activiteiten rond ballistische raketten en autoriseren de controle en inbeslagname van schepen waarvan men vermoedt dat ze de regels overtreden. Enkel Turkije en Brazilië stemden binnen de Veiligheidsraad tegen deze laatste resolutie. Al deze sancties komen bovenop de bestaande economische VS-sancties die al dateren van 1979.

Controverse rond uraniumverrijking

De internationale gemeenschap heeft een groot probleem met de wens van Iran om zelf aan uraniumverrijking te doen. Het is correct dat uraniumverrijking controversieel is, aangezien het een technologie is die dubbel kan gebruikt worden. Verrijkt uranium kan dienen als kernbrandstof van energiecentrales, maar ook gebruikt worden voor kernwapens.

Maar Iran is niet het enige land in de wereld dat zelf uranium verrijkt. Om het met de woorden van voormalig IAEA-directeur-generaal El Baradei te zeggen:  “vele andere landen verrijken uranium zonder dat de wereld daar heisa rond maakt” (februari 2009).

Minstens twaalf landen hebben commerciële bedrijven voor uraniumverrijking: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Nederland, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Japan, China, Brazilië, Pakistan, India en Iran. De VS, GB, Nederland, Duitsland, Frankrijk en Rusland produceerden in 2008 samen ongeveer 98% van de totale wereldproductie verrijkt uranium.

De aandachtige lezer stelt waarschijnlijk zelf wel vast dat er een onmiskenbare link is tussen de aanwezigheid van verrijkingsinstallaties en kernwapens. Met uitzondering van Israël staan alle erkende en niet-erkende kernwapenstaten in het rijtje van landen met commerciële uraniumverrijkingbedrijven.

Duitsland en Japan hadden tijdens de tweede wereldoorlog, net als Brazilië onder het militair regime van de jaren tachtig, een kernwapenprogramma. Nederland en Iran zijn -zover bekend- de enige landen met uraniumverrijkinginstallaties zonder een kernwapenprogramma.

Houding van Iran

Daarom is het van groot belang dat er geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van Irans activiteiten op vlak van kernenergie. Dat impliceert dat Iran het IAEA toelaat om alle nucleaire installaties te controleren. Dat is nu niet het geval. Iran bouwde in het geheim verrijkingsinstallaties en andere nucleaire sites.

De intenties van Iran zijn in ieder geval zeer duidelijk. Het land wil zich de volledige civiele nucleaire cyclus eigen maken, met inbegrip van verrijkings- en opwerkingsfabrieken. Het land verklaarde meermaals geen interesse te hebben in het ontwikkelen van een kernbom en het ondersteunt actief de creatie van een kernwapenvrije zone in het Midden-Oosten.

Volgens de hoogste geestelijke leider van Iran, Ayatollah Khamenei, is het gebruik van kernwapens verboden door de religieuze voorschriften. Maar de internationale media en de westerse regeringleiders gaan ervan uit dat Iran wel een kernwapen nastreeft.

Enkele vragen dringen zich onmiddellijk op. Als Iran echt geen intenties heeft om kernwapens te ontwikkelen, waarom schept het dan geen duidelijkheid samen met het IAEA? Waarom lijkt Iran geen inspanningen te doen om de gesprekken te laten vlotten? En bovenal, waarom stopt het dan niet gewoon met de eigen uraniumverrijking?

Iran heeft als lid van het NPT het onvervreemdbare recht om kernenergie voor vreedzame doeleinden te ontwikkelen, met inbegrip van de verrijking van uranium en de opwerking van kernafval. Iran heeft daar volgens de internationale afspraken evenveel recht toe als pakweg Frankrijk of de VS.

Het land ziet dan ook geen enkele reden waarom het bij wijze van uitzondering afstand zou moeten doen van die rechten. Het gelooft bovendien dat het zelfvoorzienend moet zijn, omdat het verleden reeds aangetoond heeft dat beloftes van buitenlandse leveringen niet altijd even betrouwbaar zijn (zie bijvoorbeeld Eurodif).

Wil tot samenwerken met IAEA?

Wil Iran dan niet samenwerken met het IAEA? Teheran laat alle controles toe in het kader van het ‘Safeguards Agreement’ met het IAEA. Dit akkoord regelt de controle en de inspectie van al het nucleair materiaal en alle nucleaire activiteiten die het land aangegeven heeft, om te voorkomen dat materiaal afgeleid zou kunnen worden naar een militair programma. Zo heeft het IAEA bijvoorbeeld de volledige toegang tot de kerncentrale van Bushehr.

De controle van andere nucleaire installaties en van de aangegeven installaties 6 maanden voordat er effectief nucleair materiaal wordt aangebracht, vallen niet onder de oorspronkelijke versie van dit akkoord. Het werd gewijzigd na de ontdekking van het clandestiene kernwapenprogramma van Irak begin jaren negentig, waardoor onder meer de zes maanden-clausule geschrapt werd.

Iran aanvaardde de nieuwe versie pas in 2003. Strikt genomen moest Iran voor 2003 dus geen melding maken van de bouw van nieuwe installaties. Dit betekent dat de bouw van de installaties in Natanz en Arak in 2002 niet illegaal was volgens de toen geldende regels.

Om een nog meer sluitende controle mogelijk te maken, riep het IAEA in 1997 een zogenaamd ‘Bijkomend Protocol’ in het leven. Dat geeft het IAEA het recht om al vanaf de planningsfase alle installaties en activiteiten te controleren, ook uraniummijnen, verrijkinginstallaties en opwerkingfabrieken.

Als vertrouwenwekkende maatregel tijdens de onderhandelingen met de EU-3 (Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland) over de uraniumverrijkinginstallatie tekende Iran in 2003 het Bijkomend Protocol. Iran stelde van november 2004 tot en met februari 2006 al haar installaties open voor IAEA-inspecties. Iran staakte in die periode ook vrijwillig haar uraniumverrijkingactiviteiten.

De bewering dat Iran totaal niet wil samenwerken met het IAEA is dus vals. Het land zette enkele wezenlijke en vrijwillige stappen, en bewees daaermee in ieder geval dat het bereid was tot samenwerking, maar niet tot elke prijs.

Uit onvrede met het gebrek aan vooruitgang van de onderhandelingen, verwijderde Iran in augustus 2005 de verzegeling van de verrijkingsinstallatie. De EU-3 bood Iran enkele dagen later een pakket aan met voordelen op politiek, handel en nucleair vlak, in ruil voor het permanent afzien van uraniumverrijking. Iran weigerde zijn recht op uraniumverrijking echter op te geven en ging niet in op de deal.

Kort nadien werd de zaak Iran voor de VN-Veiligheidsraad gebracht, waar resolutie 1969 werd aangenomen. Deze resolutie verplichtte Iran te stoppen met uraniumverrijking op straffe van sancties. Hierop volgden nog een aantal constructieve voorstellen vanwege Teheran om een internationaal consortium op te richten van verschillende landen die samen uranium zouden verrijken in Iran. De internationale gemeenschap ging hier niet op in.

Waarom doet Iran eigenlijk zo moeilijk over transparantie als het niets te verbergen heeft? De recente geschiedenis pleit niet in het voordeel van de internationale gemeenschap. Iran ervan overtuigen alle gevoelige installaties bloot te geven is dus niet evident.

We moeten niet eens zo ver terug gaan als de verwijdering van de democratisch verkozen Iraanse premier Mossadeq door de CIA in 1953. De westerse steun aan Irak tijdens de Iraans-Iraakse oorlog is ook nog niet verteerd. Het feit dat de VS de twee buurlanden Afghanistan en Irak militair bezet, is ook niet bepaald vertrouwenwekkend te noemen.

Iran weet maar al te best dat “alle opties op tafel blijven liggen” en dat de politieke hardliners in de VS en dichter bij huis, in Israël en Saoedi-Arabië – “sla de kop van de slang nu het nog kan” – openlijk pleiten voor een militaire aanpak. Dat zal wellicht ook niet bepaald aanzetten tot een vlotte samenwerking. Israëls weinig in vraag gestelde status van niet-officiële kernwapenmacht en haar bereidwilligheid om nucleaire installaties in Irak (Osirak, 1981) en Syrië (Dair Alzour, 2007) te bombarderen helpen al evenmin.

De druk wordt verder opgevoerd

Ondertussen worden alle middelen ingezet om het nucleaire programma van Iran tegen te houden. Naast de diplomatieke druk, de sancties en de dreigementen, wordt de conventionele militaire macht in de regio sterk opgevoerd. Denken we maar aan de recente militaire deal tussen de VS en Saoedi-Arabië ter waarde van 60 miljard dollar.

Daarnaast is er sprake van technische sabotage, het ombrengen van wetenschappelijk personeel, vervalsing van bewijsmateriaal, enzovoort. Onderzoekers van antivirusbedrijf Symantec bevestigden in november 2010 dat een computervirus gevonden werd in één van de verrijkingsinstallaties van Iran. Het ging om het Stuxnet-virus, dat tot doel heeft heel specifieke gascentrifuges te vernielen.

Volgens experts was dit het meest geavanceerde virus dat ze ooit gezien hadden. Waarschijnlijk had een team van vijf tot tien mensen een half jaar nodig om dit virus te maken. Het is onmogelijk om te bewijzen wie het virus produceerde, maar het is zo complex en specifiek gericht op het uitschakelen van een geavanceerde industriële installatie, dat het uit te sluiten valt dat het hier een groep overijverige studenten betreft.

Nog in november vorig jaar werden er twee Iraanse kernwetenschappers aangevallen. Majid Shahriari werd vermoord, zijn collega Fereydoon Abbasi raakte gewond. Eerder werd in januari 2010 kernwetenschapper Massoud Ali-Mohammadi vermoord en in 2007 kwam kernwetenschapper Ardeshire Hassanpour in verdachte omstandigheden om het leven.

Een voormalige CIA-medewerker stelde dat het een bewuste politiek is om topwetenschappers te vermoorden om het Iraanse kernprogramma te vertragen en tijd te winnen.

Recent onderzoek van opgevoerd bewijsmateriaal dat het bestaan van een illegaal kernwapenprogramma moet aantonen (met plannen voor de ontwikkeling voor kernwapenkoppen en speciale explosieven), brengt aan het licht dat het hoogstwaarschijnlijk vervalsingen betreft, aangeleverd door de Israëlische geheime dienst om Iran in diskrediet te brengen.

Binnen het IAEA bestond er al heel wat scepticisme omtrent de echtheid van deze documenten. Het IAEA werd onder politieke druk verplicht om eind 2009 de documenten te publiceren, maar toenmalig directeur-generaal El Baradei verklaarde aan de pers dat “er grote vragen zijn bij de authenticiteit van de documenten”. Niettemin worden onder meer deze documenten volop door de media en westerse politici opgevoerd om het vermeende kernwapenprogramma van Iran te bewijzen.

Mogelijke oplossing?

Er worden duidelijk geen middelen geschuwd om het Iraanse kernprogramma in diskrediet te brengen en te verhinderen. De enige manier om echt zekerheid te krijgen over het kernprogramma van Iran is door het land opnieuw een plaats te geven binnen de internationale gemeenschap. Dat kan niet anders dan door Teherans onvervreemdbare recht op de verrijking van uranium te erkennen, wat impliceert dat de resoluties van de VN-Veiligheidsraad moeten verdwijnen.

Een mogelijke voorwaarde kan zijn dat Iran het reeds ondertekende Bijkomende Protocol moet laten ratificeren door het parlement, wat de totale controle van het IAEA op al zijn nucleaire installaties vanaf de planningsfase mogelijk maakt. Dan is het misbruiken van nucleair materiaal voor kernwapens net zomin mogelijk voor Iran als voor België of Nederland.

Als eerste tussenstap is het aan de internationale gemeenschap om vertrouwenwekkende maatregelen te nemen. De afstraffing van de nucleaire deal van Iran met Turkije en Brazilië in mei 2010, gevolgd door een nieuw rondje sancties in juni 2010 is te gek voor woorden, zeker als je weet dat president Obama enkele weken daarvoor zijn Braziliaanse ambtsgenoot nog schriftelijk had verzocht om Teheran te overtuigen de deal te maken.

Deze deal is een goed compromis dat niet de volledige problematiek oplost, maar wel opnieuw beweging kan brengen in het dossier. Het akkoord werkt als volgt: Iran zou een hoeveelheid (1200 kg) laag verrijkt uranium (3,5 procent) naar Turkije brengen, waarna het in Rusland tot 20 procent verrijkt zou worden (dat is nodig voor de Iraanse onderzoeksreactor die medische isotopen produceert). In Frankrijk zou het uranium in brandstofstaven gegoten worden, om vervolgens klaar voor gebruik terug naar Iran gestuurd te worden.

Deze deal kan in Iran zelf op heel wat tegenstand rekenen, want iets minder dan de helft van Irans totale voorraad licht verrijkt uranium (2800 kg) zou hiermee het land uit gebracht worden (cijfers van augustus 2010, IAEA). Maar de politieke leiders waren toch bereid om deze concessie te doen.

Andere vertrouwenwekkende en noodzakelijke stappen zijn: het sluiten van een niet-aanvalspact van de VS en andere landen in het Midden-Oosten met Iran, en het universeel maken van het NPT-regime. Landen als Israël, India en Pakistan kunnen niet buiten het non-proliferatieregime blijven.

Dit alles zou het pad naar een kernwapenvrije regio in het Midden-Oosten moeten effenen. Dat is wat de wereld wil: geen verdere verspreiding van kernwapens. De tijd dringt. Iran blijft ondertussen laag verrijkt uranium produceren (tot 3,5%), en is sinds februari 2010 zelf bezig met de verrijking tot 20%.

Het proces is traag, de capaciteiten laag, en de bestaande voorraad (2800 kg) is twee keer niets in vergelijking met de astronomische hoeveelheden waar de kernwapenstaten over beschikken, maar is ondertussen toch wel (theoretisch) goed voor de productie van twee kernbommen binnen enkele jaren tijd.

Er kan dus maar beter snel een akkoord gesloten worden met het IAEA, die de controle op dat materiaal sluitend maakt. Een goed akkoord dat ook als basis kan dienen voor de vele andere landen in het Midden-Oosten die in de nabije toekomst nucleair gaan: Turkije, Egypte, Koeweit, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, …
 

Dit artikel verscheen in Vrede, tijdschrift voor internationale politiek, nummer 407, januari-februari 2011. Vraag een proefabonnement aan vrede@vrede.be.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!