Demonstratie in Minneapolis op 27 september 2010 tegen de FBI-acties tegen geweldloze activisten (foto: CircleVision.org)
Nieuws, Wereld, Politiek, Palestina, VS, Colombia, FARC, VS-ministerie van Justitie, Criminalisering, Strijd tegen terreur, FBI, Politiek activisme, Regering-Obama, Geweldloze activisten, In These Times, Jeremy Gantz, Buitenlandse terroristische organisaties, Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP), Vijfde Amendement, Materiële bijstand aan terroristen, Humanitarian Law Project, Patriot Act -

Amerikaanse justitie criminaliseert geweldloze activisten

In september 2010 viel de FBI binnen in woningen van 14 geweldloze activisten op diverse plaatsen in de Verenigde Staten. De FBI zocht naar bewijzen voor banden tussen de activisten en hun 'mogelijke medesamenzweerders': twee organisaties die op de lijst staan van 'Buitenlandse Terroristische Organisaties'. Jeremy Gantz van 'In These Times' doet het verhaal.

donderdag 20 januari 2011 16:00

Voor Joe Iosbaker en Stephanie Weiner uit Noord-Chicago leek vrijdag 24 september een doodgewone dag te worden. Maar toen, om zeven uur ’s morgens, klopte de FBI bij hen aan. Meer dan twintig agenten doorzochten, met bevelschrift, hun huis.

Ze namen foto’s van elke kamer en doorsnuffelden schrijfboekjes, videocassettes, boeken, en zelfs de tekeningen van hun kinderen. Sommige voorwerpen hadden te maken met de jarenlange inzet van het koppel voor vrede en internationale solidariteit. Andere dingen hadden daar hoegenaamd niets mee te zien.

“Mappen werden opengemaakt, en brieven uit hun omslag getrokken”, vertelt Weiner, een docent in het volwassenenonderwijs, aan het Wilbur Wright College, één van de openbare universiteiten van Chicago. “Ze droegen rubberen handschoenen, en onderzochten ons huis van onder tot boven.”

“Materiële hulp geboden aan buitenlandse terroristische organisaties”

Tien uur nadat ze gekomen waren – enkele nieuwsploegen waren aan het filmen geslagen, en sympathisanten waren op het voetpad samengetroept – reden de agenten weg, met bijna dertig dozen vol persoonlijke bezittingen, waaronder T-shirts en een foto van Malcolm X. Inmiddels waren Iosbaker en Weiner gedagvaard voor een onderzoeksjury die zich over de vraag boog of er “materiële hulp” was geboden aan “buitenlandse terroristische organisaties”.

Ze waren inmiddels te weten gekomen dat hun huis die dag niet als enige doorzocht was. Meer dan zeventig FBI-agenten hadden zeven woningen in Chicago en Minneapolis doorzocht, en in Michigan, Californië en North Carolina activisten ondervraagd, waarvan er elf gedagvaard waren.

Enkele dagen later kwamen daar nog drie mensen bij, toen het Amerikaanse ministerie van Justitie leden van het ‘Anti-Oorlogscomité Minnesota’ (AWC) dagvaardde. Ook in het kantoor van die vereniging was de politie op 24 september binnengevallen. (nvdr: de redactie van In These Times heeft bekendgemaakt dat begin december nog eens vijf activisten uit de streek van Chicago werden gedagvaard)

De onderzoeksjury en de FBI zoeken naar bewijzen voor banden tussen de 14 activisten en hun “mogelijke medesamenzweerders”, en twee organisaties die allebei op de lijst staan van ‘Buitenlandse Terroristische Organisaties’ van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken: de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC) en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP). Geen van de veertien gedagvaarden werd een misdaad ten laste gelegd, en allemaal ontkennen ze geld of andere materiële hulp aan een buitenlandse organisatie geleverd te hebben.

De veertien beriepen zich op het Vijfde Amendement van de Amerikaanse grondwet (nvdr: dat o.a. stelt dat niemand verplicht mag worden tegen zichzelf te getuigen), en allen weigerden een verklaring af te leggen voor de onderzoeksrechtbank, die, volgens hen, in feite een werktuig is van een regering die kritische stemmen het zwijgen op wil leggen. (De openbare aanklager wilde daar geen commentaar op leveren. De attesten met de huiszoekingsbevelen voor de razzia’s van de FBI, blijven verzegeld.)

De meeste gedagvaarden, onder wie Weiner en Iosbaker, waren ooit actief in de vakbeweging, en/of zijn leden van de Socialistische Organisatie voor de Weg van de Vrijheid (Freedom Road Socialist Organization of FRSO), dat zichzelf een ‘socialistische en marxistisch-leninistische organisatie’ noemt, en ongeveer 100 leden telt.

Kritische actiegroepen in het visier

Er waren echter nog heel wat andere verenigingen vertegenwoordigd: de 71-jarige grootmoeder Sarah Marin is lid van de groep Vrouwen Tegen Oorlogsgekte (Women Against Military Madness) uit Minneapolis; Hatem Abudayyeh is directeur van het Arabisch-Amerikaanse Actienetwerk (Arab American Action Network), een vereniging voor maatschappelijk werk in Chicago; nog anderen hebben banden met de vereniging Studenten voor een Democratische Samenleving (Students for a Democratic Society), de Palestijnse Solidariteitsgroep Chicago (Palestine Solidarity Group Chicago) en het Colombia Actienetwerk (Colombia Action Network), dat protesteerde tegen de militaire hulp van de Verenigde Staten aan Colombia, en tegen de moorden op vakbondsmensen daar. Het enige wat ze allen gemeen hadden, was hun deelname aan een bijeenkomst van het Anti-oorlogscomité (Anti-War Committee) aan de poorten van de Nationale Republikeinse Conventie in St.-Paul, in 2008.

Behalve Mick Kelly en Tom Burke, leden van de FRSO, die PFLP-leden geinterviewd hebben, en Jess Sundin, die tien jaar geleden tijdens een bezoek aan Colombia een ontmoeting had met FARC-leden, zegt geen enkele van de gedagvaarden ooit rechtstreeks met leden van de FARC of het PFLP gecommuniceerd te hebben. Wel zijn veel van de activisten de doelen van die organisaties genegen, en sommigen van hen zijn naar Colombia en Palestina gereisd als lid van een solidariteitsdelegatie.

“Iedereen die aan internationale solidariteit of anti-oorlogsactivisme doet, en iedereen die de Amerikaanse politieke wereld tegen de borst stuit, wordt door dit voorval getroffen”, zegt Kelly, een kok en vrachtwagenchauffeur die aan de Universiteit van Minnesota werkt. “Het is uitermate belangrijk om tegen deze onderdrukking in te gaan. Het treft de beweging in haar geheel.”

Het Hooggerechtshof als boeman

De woorden “materiële bijstand aan terroristen” doen denken aan geld en wapens, of aan andere goederen en diensten die de gewelddadige doelen of handelingen van een terroristische organisatie ondersteunen. In juni keurde het Amerikaanse Hooggerechtshof in het zogeheten ‘Holder v. Humanitarian Law Project’ echter een veel ruimere omschrijving van de woorden “materiele bijstand” goed: één die uitspraken voor vrede en mensenrechten strafbaar stelt, als ze “in samenwerking” met een officiële terroristische organisatie geuit zijn. Die uitspraak bereidde de weg voor voor de razzia’s in september 2010.

“Voor het eerst zegt het Hooggerechtshof dat het misdadig is om vrijuit te spreken, om je te verenigen”, zegt Michael Deutsch, een advocaat van het ‘People’s Law Office’ in Chicago, en één van de leden van het ‘National Lawyers Guild’, dat de activisten bijstaat. “De uitspraak stelt de vrijheid van meningsuiting strafbaar. Dat belooft niet veel goeds.”

Materiële steun aan terrorisme werd voor het eerst strafbaar gesteld door de ‘Anti-Terrorism and Effective Death Penalty Act’ uit 1996 (nvdr: kort na de bomaanslag in Oklahoma City).

De Patriot Act uit 2001 verruimde de definitie van “materiële hulp” met “het geven van raad en het verlenen van bijstand” en voorzag een maximumstraf van 15 jaar. (De Amerikaanse Talibanstrijder, John Walker Lindh, werd beschuldigd van, maar niet veroordeeld voor, het leveren van materiële hulp aan Al Qaeda.)

In 1998 ging het ‘Humanitarian Law Project’ naar het federale gerechtshof om het statuut van materiële bijstand aan te vechten. De vereniging zonder winstbejag wilde de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) helpen bij het oplossen van conflicten en het toezien op het eerbiedigen van mensenrechten.

Later kreeg ze gezelschap van Tamil-Amerikaanse organisaties die medische hulp wilden leveren aan de slachtoffers van de tsunami in Zuidoost-Azië in 2004, waarbij ze zich genoodzaakt zouden zien samen te werken met de, inmiddels verslagen, Tamil Tijgers, die – net zoals de PKK – op de door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken opgestelde lijst met terroristische organisaties staan.

Vrijheid van meningsuiting in het gedrang

Humanitarian Law Project’ voerde aan dat de wet op materiële ondersteuning de vrijheid van meningsuiting, vastgelegd in het Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet, in het gedrang bracht. De meerderheid van de leden van het Hooggerechtshof aanvaardde echter het argument van de regering, dat door de toenmalige viceminister van Justitie en huidig Opperrechter, Elena Kagan, werd opgeworpen, en inhield dat alle niet-gewelddadige hulp in strikte zin illegaal is, omdat het “binnen de organisatie andere hulpbronnen vrijmaakt die voor gewelddadige doelen gebruikt kunnen worden”, en omdat het buitenlandse terroristische groepen “legitimeert”.

In naam van de meerderheid verduidelijkte toenmalig Opperrechter, John Roberts, dat de wet alleen die meningen strafbaar stelt, die “onder de controle van of in coördinatie met de geviseerde buitenlandse groepen” vallen. Iedere ‘onafhankelijke’ meningsuiting zou mogelijk blijven.

Rechters Stephen Breyer, Ruth Bader Ginsburg en Sonia Sotomayor waren het daar helemaal niet mee eens, ze schreven: “Zelfs het ‘ernstige en bloedige probleem’ van internationaal terrorisme kan geen automatische verbeurdverklaring van het Eerste Amendement vergen.”

Aziz Huq, professor Rechten aan de universiteit van Chicago, bindt de strijd aan met het onderscheid dat het gerecht maakt tussen ‘onafhankelijke’ en ‘gecoördineerde’ meningsuiting – een onderscheid dat doorslaggevend kan zijn als de 14 activisten beschuldigd worden van het geven van “materiële bijstand” aan FARC and PFLP. “Sommige meningen kan je nu eenmaal niet onafhankelijk uiten”, zegt Huq. “Er worden hier meningen onderdrukt.”                                                                                                                               
Deutsch gaat akkoord: “Het creëert een afschrikkend effect op mensen die de buitenlandse politiek van de VS betwisten. Als je opkomt voor de rechten van de Palestijnen of als je de regering van Colombia in vraag stelt, of je ondersteunt het recht van de Koerden op hun thuisland, dan zal je altijd in contact komen met deze groepen. Sommige belangen die zij steunen, zal je dan ook verdedigen. 
 
Voor de vroegere anti-apartheidsactivisten, die samengroepten om de blanke overheersing in Zuid-Afrika te beëindigen, is dat een bekende zaak. De anti-apartheidsbeweging werd geleid door het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), dat in 1986 door toenmalig president Ronald Reagan een ‘terroristische organisatie’ werd genoemd.

Moest de wet die materiële steun in vraag stelt al van kracht zijn geweest in jaren 1970, dan hadden de duizenden die de anti-apartheidprotesten leidden in heel de VS als criminelen kunnen worden beschouwd. (Het ANC en zijn leider, Nelson Mandela, werden pas in 2008 van de lijst met buitenlandse terroristische organisaties gehaald, 15 jaar nadat Mandela de Nobelprijs voor de Vrede won.) 

“Het is bijna alsof we terug in de jaren vijftig zijn. Dit is te verregaand”, zegt Jim Fennerty, een andere advocaat die de gedagvaarde activisten bijstaat. Evenzo, voegt hij eraan toe, zou de toenmalige president Jimmy Carter beschuldig kunnen worden van “materiële steun” omdat hij toezicht hield op de Libanese verkiezingen in 2009, wat activiteiten inhield die gecoördineerd werden met Hezbollah, een officiële terroristische organisatie die ook deelnam aan de verkiezingen.
 
In februari 2010, toen het Hooggerechtshof de zaak Holder v. Humanitarian Law Project behandelde, debatteerde David Cole, de advocaat van het centrum voor grondwettelijke rechten, met rechter Antonin Scalia. Cole: “The New York Times, de Washington Post, en de L.A. Times … publiceerden opiniestukken geschreven door Hamas-woordvoerders … waardoor zij Hamas bevoordeelden. [Onder dit statuut] zijn het allemaal criminelen … president Carter — Scalia: [Onderbrekend]: Wel, we – dat is nu niet aan de orde, we kunnen het daar altijd later nog over hebben.”

Een heruitgave van CoinTelPro?

Terwijl velen in de juridische wereld de wet op de ‘materiële bijstand’ veroordelen, richten de gedagvaarden hun woede op diegenen die verantwoordelijk zijn voor de onderzoeksjury en de invasies van hun huizen: Justitie en de FBI.

De activisten zeggen dat de heftigheid van de pesterijen doet denken aan het COINTELPRO-programma van de FBI in de jaren vijftig en zestig dat, onder andere, Martin Luther King Jr., Malcolm X en de leiders van de Black Panthers viseerden. (De langlopende FBI-operatie, die officieel in 1971 eindigde, viseerde ook de volledige New Left-beweging, waaronder de Studenten voor een Democratische Samenleving, de factie die Weiner adviseert aan haar universiteit.) 
 
“Dit is gewoon de zoveelste zaak in een lange lijst van gevallen van onderdrukking uitgevoerd door de FBI en de regering tegen mensen die denken zoals wij en die proberen sociale rechtvaardigheid af te dwingen om zo veranderingen teweeg te brengen in dit en andere landen”, zegt de Palestijnse solidariteitsactivist Hatem Abudayyeh, wiens vijfjarig dochtertje thuis was toen de FBI zijn huis in Chicago binnenviel.

(Veel van de dagvaardigingen vereisten dat de activisten een bewijs van financiële steun aan Abudayyeh, alsook PFLP en FARC voorlegden.) 
 
Volgens Shahid Buttar, directeur van het Bill of Rights Defense Committee, dat plaatselijke wetgeving die burgerrechten beschermt, voorstaat, zijn de laatste jaren vooral twee trends bijzonder verontrustend.

Brief aan Obama uit bezorgdheid

In de eerste plaats, is de regering de meningsuiting, die voorheen grondwettelijk beschermd werd, aan het criminaliseren. In de tweede plaats, zijn bij de FBI indringende onderzoekstactieken veld aan het herwinnen. Buttar hielp mee aan het schrijven van de brief van 19 november 2010, gericht aan de regering-Obama en aan het congres, die werd ondertekend door 45 belangengroepen. In de brief drukken ze hun bezorgdheid uit over “de aanhoudende trend van overheidstoezicht op progressieve activisten in de Verenigde Staten”. 
 
In de week dat de FBI de huizen van de activisten binnenviel, gaf de inspecteur-generaal van Justitie een rapport vrij dat aangaf dat het bureau onterecht een Amerikaanse activist had bespioneerd, die in de jaren die volgden op de aanslagen van 9/11, betrokken was bij activiteiten die beschermd werden door het Eerste Amendement.

Het rapport, terugblikkend op FBI-onderzoeken gevoerd tussen 2002 en 2006 naar belangengroepen, waaronder Greenpeace en de Quakers (Religious Society of Friends), vermeldde dat de FBI “ongepast niet-gewelddadige vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid als ‘terrorisme’ had bestempeld, en daardoor onrechtmatig activisten op de federale terreurlijst zette”. 
 
Weiner zegt dat wat haar in de zaak van haar huiszoeking het meest boos maakt, is dat de echte redenen van het drastische optreden van de agenten in geheimhouding werden gehuld. Ze moesten geen bewijs van criminele activiteiten voorleggen. “Het trauma is te wijten aan de brutaliteit [van de FBI] – ze kozen voor de breedste aanpak – ze wisten niet waarnaar ze op zoek waren.” 
 
Volgens Buttar werd de FBI-bewaking van actievoerders, zonder enig bezwarend bewijs, nog ‘versneld’ onder de regering-Obama. In december 2008, vaardigde de toenmalige minister van Justitie, Michael Mucasey, richtlijnen uit voor FBI-onderzoeken.

Huidig minister van Justitie in de regering-Obama, Eric Holder, had die richtlijnen inmiddels kunnen aanpassen, maar deed dat niet. “We dachten dat dergelijke misbruiken gestopt waren na het [post-Watergate] Church Committee”, zegt Buttar. “Maar verkrachting van de grondwettelijke rechten van actievoerders door de FBI zijn onder Obama enkel nog toegenomen.”
 
Barbara Ransby, die samen met Barack Obama een anti-apartheidsactivist was tijdens haar studietijd aan de Columbia Universiteit in het begin van de jaren tachtig, zegt dat volledig in lijn met de lange geschiedenis van de FBI’s onterechte bewaking van politieke activisten, de recente invallen bij activisten thuis haar niet als een verrassing overkomen. Maar het feit dat dergelijke praktijken nu voor het eerst onder een zwarte Amerikaanse president gebeuren, maakt het extra pijnlijk.

“In bepaalde opzichten geeft dat het een soort van dekmantel”, zegt Ransby, nu als historicus verbonden is aan de universiteit van Illinois-Chicago. Zij hield een toespraak tijdens de laatste bijeenkomst van de afdeling-Chicago van de Nationale Alliantie tegen Racistische en Politieke Onderdrukking. “Het doet de mensen aarzelen om dit als een aanval te zien. Als een gemeenschap van progressieven, op momenten als deze, moeten we echt een stap verder durven gaan en zij die worden aangevallen in onze armen sluiten. Kortom hen zonder meer verdedigen.”

Jeremy Gantz

Jeremy Gantz is redacteur en webredacteur bij het Amerikaanse In These Times
Hij publiceerde dit artikel op 13 december 2010 onder de titel: ‘Terrorist by Association. The Justice Department targets nonviolent solidarity activists’. Deze vertaling is een licht ingekorte versie.

(Vertaling uit het Engels door Steven Haerens en Kelly Huysmans)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!