Opinie, Nieuws, Politiek, België, Tmd, Vooruitgroep, Dossier N-VA -

De N-VA-doctrine: wat IJsland kan, kunnen wij ook

De Vooruitgroep neemt de sociaal-economische standpunten van N-VA onder de loep. Het Vlaanderen van Bart De Wever zal "ultraliberaal, superefficiënt en op wereldwijde economische concurrentie gericht" zijn, menen de leden van de Vooruitgroep.

zaterdag 10 juli 2010 10:20

Het opvallendste kenmerk van de voorbije verkiezingen is wellicht dat de standpunten van de N-VA bijna op geen kritiek stuitten. Alsof er op programma en ideologie niets af te dingen valt. Ook de progressieve partijen Groen! of SP.A konden of wilden geen ernstig tegenwerk bieden. Zij waren soms kritisch over de methode of over de haalbaarheid van enkele punten.

Praktische bezwaren dus en geen principiële. Heeft de N-VA dan de ideale synthese geformuleerd die alle tegenstellingen tussen conservatief en progressief overstijgt in een nieuw maatschappijmodel dat iedereen tevreden stelt?

Het heet dat Bart De Wever het Vlaamse nationalisme ideologisch heeft vernieuwd: weg van de oude romantiek van het vendelzwaaien en de eed aan Vlaanderen, naar een rationeel discours dat over de essentie lijkt te gaan: onze sociaal-economische toekomst zelf vormgeven. Om het in marxistische termen te zeggen: een nationalisme dat zich toespitst op de infrastructuur van economie, rijkdom en werkgelegenheid meer dan op de superstructuur van taal en cultuur.

Mogen we er nu gerust op zijn dat onze belangen in veilige handen zijn? De Vooruitgroep heeft meer dan één reden om hieraan te twijfelen. Juist de ideologische premissen van het nieuw ogend civiele nationalisme, geschoeid op etno-culturele basis, voeden die twijfel.

In deze bijdrage nemen we drie cruciale pijlers van de sociaal-economische doctrine van de N-VA onder de loep. De aandachtige lezer zal merken dat er tussen die drie pijlers een grote convergentie bestaat in de richting van een ultraliberaal, superefficiënt en op wereldwijde economische concurrentie gericht Vlaanderen.

De eerste pijler betreft het bipolaire en op identitaire principes geschoeide (con)federalisme, waarin het zwaartepunt onmiskenbaar bij de delen ligt. Het gaat hier om de voortzetting van de oude Volksuniekreet Federalisme met twee. Kenmerkend is de ideologische halsstarrigheid waarmee het federalisme in België alleen maar op volksnationale criteria kan berusten.

Daardoor moeten de grenzen van de deelstaten samenvallen met de omschrijving van de volksgemeenschappen en kan er geen sprake zijn van alternatieve indelingen, bijvoorbeeld op kantonnale basis. Daardoor ook is er voor Brussel als volwaardig derde gewest geen plaats. Het is dat model dat Vlaanderen quasi soeverein moet maken op alle domeinen, en het de kans moet bieden om autonoom de sociale staat en de bijbehorende solidariteitsmechanismen te herzien.

De tweede sociaal-economische pijler betreft het Europese superniveau als vervanger voor het Belgische staatsverband, dat tussen Vlaanderen en Europa overbodig wordt en daarom kan gaan verdampen. De beschermende Europese paraplu wordt kennelijk nodig geacht om elke kritiek of twijfel weg te nemen dat het Vlaamse bootje alleen te klein is om met zekerheid alle stormen op de wereldmarkt en de internationale politiek te trotseren. De N-VA hoopt de voordelen die de Belgische staat wel nog biedt, te transfereren naar het Europese niveau, zonder nadelen evenwel.

De derde pijler is een onmiskenbare neoliberale visie op het toekomstige Vlaanderen. Vlaanderen moet een topeconomie worden in een geglobaliseerde wereldeconomie waar alleen  the fittest de Darwiniaanse struggle for economic survival zullen overleven. Voor de N-VA zal Vlaanderen tot de overlevers behoren, of het zal niet zijn. Dat dit competitiemodel ook noodzakelijkerwijs verliezers kent, ook binnen Vlaanderen trouwens, en dus de sociaal-economische onevenwichten in de wereld en binnen Europa versterkt, is daarin slechts een jammerlijk neveneffect. Zielig voor Griekenland of eventueel Wallonië, als Vlaanderen maar in de kopgroep zit.

Volgens de Vooruitgroep valt er nogal wat af te dingen op elk van de drie pijlers. En, zoals men weet, hebben zwak gefundeerde constructies de neiging om te vallen.

Confederalisme: een stap in het duister

Bart De Wever stelt een confederaal model voor. In het Belgische politieke jargon betekent dat niet wat het normaal betekent, namelijk een samenwerkingsverbond tussen onafhankelijke staten, maar komt het neer op een ver doorgedreven federalisme, waarbij het federale niveau nog slechts een beperkt aantal, duidelijk omschreven bevoegdheden behoudt en het daadwerkelijke zwaartepunt bij de deelstaten ligt, zelfs wat betreft het bepalen van grondrechten of de inning van belastingen.

Los van het feit dat de N-VA hiermee haar separatistische doelstellingen verdoezelt om haar eigen kiezers niet te bruskeren, gelooft de Vooruitgroep niet dat dit een oplossing kan bieden voor het bestaande Belgische immobilisme, omdat de oorzaken van dit immobilisme onverminderd blijven bestaan.

Die liggen immers in het bipolaire karakter van de Belgische federale constructie (dat door nationalistische partijen gretig wordt aangewakkerd door alle politieke problemen in communautaire termen te vertalen), het door elkaar lopen van regionale en communautaire criteria in het definiëren van de decentrale bestuursniveaus en de waan van de exclusieve bevoegdheidspakketten, gekoppeld aan het ontbreken van een beslissingsniveau dat in geval van verschillen van inzichten knopen kan doorhakken.

De oorzaak ligt verder in de aanwezigheid van een gedeeld terrein – Brussel – dat voor beide gemeenschappen zo beladen is met symboliek en prestige dat men niet anders naar deze stad kan kijken dan door de bril van het vermeende belang van de eigen gemeenschap, nooit vanuit de belangen van Brussel en de Brusselse bevolking zelf. Deze kenmerken van de Belgische constructie zullen blijven zorgen voor immobilisme en conflict, ongeacht de hoeveelheid bevoegdheden dat het federale niveau nog overhoudt. Vooral omdat men daarbij stelselmatig de minderheden negeert: de Franstaligen in Vlaanderen, de Duitstaligen, de vele anderstaligen in Brussel.

De bipolaire, confederale en monoculturele oplossing zonder overkoepelend gezag is een vorm van Belgische politieke bricolage, waarin tegenstrijdige inzichten en belangen moeten worden verzoend, en diedus niet gedacht is vanuit principes van goed, democratisch en doorzichtig bestuur. Het model dat ons als deus ex machina-oplossing voor het Belgische moeras wordt voorgehouden – en zwaar door het Vlaamse nationalisme is geïnspireerd – bestaat nergens anders ter wereld. Over de werkbaarheid valt daarom zo goed als niets betrouwbaars te zeggen.

Wel weten we dat de paar echte confederaties die hebben bestaan ofwel zijn uiteengevallen of zich gaandeweg tot echte federale staatsverbanden hebben omgevormd. En in alle goed werkende federale staten is er sprake van een gebalanceerde verdeling van macht en bevoegdheden tussen het centrale en de decentrale beleidsniveaus, van een dynamisch samenspel tussen verschillende politieke schalen.

Een federale of confederale staat met slechts twee deelstaten is, zoals ook Tindemans in 1971 in het parlement betoogde, een contradictio in terminis. Het federale model is juist gebaseerd op een één-staat-tot-veel-relatie. De machtsverdeling is er het resultaat van een visie op efficiëntie en effectiviteit van bestuur en is dus niet, zoals bij ons, ingegeven door vooringenomen, ideologisch ingekleurde en onbespreekbare nationalistische posities.

Het is die ideologische bias die bijvoorbeeld zorgt voor het exclusieve eenrichtingsverkeer van de herverdeling van macht van het centrale niveau naar gewesten en gemeenschappen, zelfs in die gevallen waarbij dat aantoonbaar nefast is gebleken.

Of het nu federalisme heet of confederalisme: het Vlaamse nationalisme heeft nooit een visie gehad op modern, decentraal bestuur dicht bij de burger, ondanks de lippendienst die hieraan bewezen werd. Het heeft die visie nog steeds niet. Het federale begrippenapparaat werd en wordt slechts gebruikt als hefboom voor de ontmanteling van België en de vervanging van het Belgisch staatsverband door een nieuwe Vlaamse staat.

Er zijn geen tekenen dat die Vlaamse staat zich minder centralistisch zal gaan gedragen dan het unitaire België. De steden en gemeenten klagen nu al over overdreven bedilzucht door de Vlaamse overheid!

Een verdampend België in een verdampend Europa?

De visie van Bart De Wever op België is onderhand bekend. België zal als tussenniveau tussen Vlaanderen en Europa irrelevant worden en uiteindelijk volledig verdampen. Alle bevoegdheden die nu op Belgisch federaal niveau zijn gesitueerd kunnen beter en efficiënter aangepakt worden hetzij door Vlaanderen hetzij – voor die aspecten waarvoor de Vlaamse ruimte te klein is – door Europa. Als onderbouwing voor deze opinie vinden we bij de N-VA – maar ook in andere Vlaams-nationale kringen zoals de Vlaamse Volksbeweging en Vlaams Belang – nogal eens verwijzingen naar het boek van de economen Alberto Alesina en Enrico Spolaore The Size of Nations uit 2003.

Deze auteurs voeren aan dat kleinere naties in een geglobaliseerde economie steeds meer in het voordeel zijn. Voorheen hadden grote naties een duidelijk schaalvoordeel (grotere markt en kleinere afhankelijkheid van de buitenwereld) dat opwoog tegen een hogere heterogeniteit. In de geglobaliseerde wereldeconomie halen grote naties geen aanmerkelijk schaalvoordeel meer uit hun omvang en zijn het de kleine naties die juist voordeel halen uit hun grotere homogeniteit.

Dat geldt met name voor kleine Europese naties, die immers zoals de grotere, kunnen profiteren van de nog grotere schaalvoordelen die de eengemaakte markt binnen de Europese Unie biedt. Voor de Vlaamse nationalisten leek dit boek de wetenschappelijke bevestiging van hun stellingen. Een klein, efficiënt en ultraliberaal Vlaanderen zou het als lidstaat van de Europese Unie in de geglobaliseerde wereldeconomie helemaal maken!

Het centrale begrippenpaar heterogeniteit / homogeniteit in de theorieën van Alesina en Spolaore  wordt door het Vlaamse nationalisme in nationalistische zin geherinterpreteerd. In een economische context verwijzen deze begrippen doorgaans naar politieke en economische preferenties en niet naar een etno-culturele identiteit zoals de Vlaamse. Alesina en Spolaore gaan gemakshalve voorbij aan de vaststelling dat in een geglobaliseerde wereld met grote migratiestromen en mobiliteit en een door de consumptie-economie aangedreven continue proliferatie van nieuwe leefstijlen de heterogeniteit binnen landen sterk toegenomen is.

Als economen hebben zij ook weinig kaas gegeten van politieke democratie en stellen zij heterogeniteit eenzijdig voor als een ‘economische kost’, terwijl verschillen tussen mensen net de levenskracht van een democratische samenleving uitmaken.  De democratie is er vervolgens op gericht de meningsverschillen en dus het samenleven tussen mensen zo goed mogelijk te organiseren. Een democratische kijk op een staatshervorming kan dus niet gaan over het ‘rationaliseren van de heterogeniteit’ via een steeds verder doorgedreven splitsing maar over hoe we het politieke meningsverschil beter organiseren.

Een aantal gebeurtenissen van de laatste jaren plaatsen hoe dan ook kanttekeningen bij de houdbaarheid van de theorieën van Alesina en Spoloare. De meeste verwijzingen naar deze auteurs en hun boek in Vlaams-nationale bronnen vinden we in de periode tussen 2003 en 2006. Er wordt in die periode met plezier verwezen naar de kleine landen die het toen economisch uitstekend leken te doen en Vlaanderen als voorbeeld van zijn potentiële voortreffelijkheid konden worden voorgehouden: de drie kleine Baltische staten, de Keltische tijger Ierland tot zelfs IJsland toe. Op een website van de Vlaamse Volksbeweging vinden we nog steeds een verwijzing onder het kopje Wat IJsland kan, kan Vlaanderen ook!

Inmiddels weten we dat de financieel-economische crisis juist in die voorbeeldlanden de zwaarste klappen heeft uitgedeeld. Zij kwamen in een diepe recessie terecht en werden onmiddellijk tot een streng besparingsbeleid gedwongen, inclusief veralgemeende loonsverlagingen in de Baltische staten. Dat zij voordien zo’n opvallende groei kenden, heeft aantoonbaar weinig te maken met hun bescheiden dimensie en nog minder met hun hoge homogeniteit.

De Europese Unie is daarbij allerminst een beschermende paraplu, maar lijkt vooral te fungeren als een doorgeefluik voor het neoliberale Duitse beleid van kostenbesparingen, afbouw van de welvaartsstaat en flexibilisering van de arbeidsmarkt. De voorbije jaren heeft Duitsland zijn competitiviteit hersteld en door zijn politiek en economisch gewicht in de Europese Unie dwingt het nu de rest van de Europese Unie om hetzelfde te doen.

Zo wordt binnen de Europese Unie een collectieve verarming georganiseerd, die misschien wel de winsten van private bedrijven en banken opvijzelt maar niet tot meer welvaart en jobs leidt. Daarvoor zijn immers investeringen in nieuwe innovatieve producten en diensten nodig en die ontstaan niet zomaar door kostenbesparingen.

Als de Europese Unie niet snel haar sociale rol opneemt zou je met een beetje gevoel voor charge  kunnen stellen dat Europa sneller dreigt te verdampen dan het door nationalisten verfoeide België.

Het volharden in de neoliberale boosheid

Dat de maatschappijvisie van de N-VA het epitheton ultraliberaal verdient, staat als een paal boven water. Dat is natuurlijk geen exclusief kenmerk van die partij, zoals trouwens de twee bovenstaande pijlers dat evenmin zijn. De hele Vlaamse, Belgische én Europese politieke mainstream is gewonnen voor een besparingsbeleid dat de openbare financiën aanpakt, de burgers om opofferingen vraagt en tegelijk de lasten voor ondernemers verlicht, vanuit een verkeerd begrip dat dit automatisch tot meer jobs en welvaart zou leiden. Het unieke kenmerk van het nationalisme à la De Wever zit hem dus niet in elke pijler afzonderlijk, maar misschien wel in de unieke verbinding tussen deze elementen.

De kameleonideologie die het nationalisme is, laat zich aan vele concrete inhouden koppelen. Vroeger was dat een emancipatorische taalstrijd, vandaag is dat een dwingend cultureel en sociaal conservatisme dat het ‘andere’ bijna instinctief wantrouwt, de kleinburgerlijkheid van de Vlaamse verkaveling als norm stelt en alles wat daar buiten valt als niet passend in de Vlaamse volksaard dreigt buiten te sluiten. Dit conservatisme is verder gekoppeld aan een hard neoliberalisme dat mensen persoonlijk verantwoordelijk stelt voor hun eigen werkloosheid, armoede en problemen.

Vlaanderen wil wel de economische vruchten van de globalisering plukken, maar tegelijkertijd zijn rijkdom afzonderen in beschermde verkavelingen in de randstad. Het wil genieten van een verhoogde mobiliteit, maar ontzegt die mobiliteit aan al het andere

Het mag dan wel zo zijn dat de N-VA met haar ultraliberale aanpak niet alleen staat, zij behoort wel tot de partijen die hierin het verst gaan. Haar middenveld is onbestaande en daardoor valt ze terug op Voka en Unizo, wat nu niet bepaald groepen zijn die bekend staan om hun bijdrage aan de sociale samenhang in de samenleving. Niet voor niets hebben critici erop gewezen dat het sociaal-economische luik van het verkiezingsprogramma door VOKA zelf geschreven lijkt te zijn.

Opnieuw rijst hier de vraag of deze aanpak dan echt boven elke kritiek verheven is? De Vooruitgroep stelt vast dat er vanuit de wereld van de economie en de financiën steeds meer kritiek komt op de vertrouwde neoliberale concepten. De veralgemeende toepassing van het austerity-beleid zal zonder enige twijfel leiden tot een daling van de koopkracht van de burgers en dus de vraag binnen de Europese markt verzwakken. Met alle gevolgen vandien.

Steeds meer economen waarschuwen voor een deflatoire spiraal die tot een langdurige stagnatie van de Europese economie kan leiden. Vooral de landen met een systematisch handelsoverschot worden daarbij met de vinger gewezen, in de eerste plaats Duitsland. Dat land, dat pas besloten heeft tot een megabezuiniging van 80 miljard euro, probeert zijn situatie te verbeteren door de loonkosten en de binnenlandse vraag te drukken, de import af te remmen en het Duitse marktaandeel in het buitenland te verhogen. Het dreigt daarmee de schuldenlast van de zwakkere Europese landen te verhogen.

Enkele weken geleden noemde superspeculant George Soros in Wenen het Duitse beleid nog een bedreiging voor de Europese constructie. Hij riep Duitsland op tot een loonsverhoging om de binnenlandse vraag te stimuleren en meer evenwicht te brengen in zijn handelsrelaties met de andere Europese landen. Hij vreest dat het Duitse beleid de zwakkere landen zal dwingen om uit de Euro te stappen.

Eenzelfde conclusie wordt getrokken in een open brief van 100 Italiaanse economen. Ook zij leggen een grote verantwoordelijkheid bij de landen met een systematisch groot handelsoverschot en zijn van oordeel dat die landen, in de eerste plaats Duitsland, de binnenlandse vraag moeten aanmoedigen. Meer in het algemeen pleiten zij voor een eigen Europese uitweg, gericht op toename van welzijn en het behoud van sociale evenwichten.

De Europese neoliberale aanpak met vrij verkeer van kapitaal ging er volgens deze economen vanuit dat een maximale marktwerking zelfregulerend  zou werken en de verschillen binnen de eurozone gaandeweg zou uitvlakken. Soortgelijke conclusies worden ook getrokken door Nobelprijswinnaars Krugman en Stiglitz.

In feite dreigen die onevenwichten er door aangescherpt. Dit leidt tot de paradoxale situatie dat de landen die historisch gezien de steunpilaren van de Europese eenmaking waren, er nu de doodgravers van dreigen te worden. Het liberale Europa leidt niet tot meer, maar tot minder evenwicht. De ultraliberale recepten die tot voor kort op een consensus konden rekenen, liggen nu in de academische wereld steeds meer onder vuur.

Desondanks houden de Europese Commissie en de politieke mainstream in Europa aan deze recepten vast. Hun aanpak heeft veel weg van een volharden in de boosheid, waarbij de zieke tot nieuwe aderlatingen wordt gedwongen zonder dat men goed beseft wat de oorzaken van de ziekte zijn.

De drie geanalyseerde pijlers van de N-VA-doctrine blijken dus verre van solide. Het bipolaire communautaire federalisme heeft niet de beoogde pacificatie gebracht, maar juist de polarisatie versterkt. De Europese constructie leidt niet tot harmonisatie van de Europese economische ruimte maar tot grotere ongelijkheid, in het voordeel van de grote en sterke economieën. De neoliberale orthodoxie, ten slotte, doet nu de wenkbrauwen fronsen van zij die er tot voor kort de pleitbezorgers van waren!

Toegegeven: deze analyse gaat veel verder dan de N-VA en zijn Afrit Vlaanderen, eenvoudigweg omdat de deze crisis Europees en mondiaal is en atypische kenmerken vertoont in vergelijking met eerdere crises. Precies daarom vraagt hij om nieuwe benaderingen, die volgens de Vooruitgroep vooral de linkervleugel van het politieke spectrum kansen bieden. Dat dit progressieve kamp de kansen laat liggen, en zich opgelucht koestert in de gedachte dat het maar een half pakje slaag heeft gekregen, is een droevige vaststelling. Ondertussen is zeker dat de vernieuwing niet van de N-VA zal komen. En voor een door het VOKA bestuurd Beieren aan de Schelde bedanken we!

De Vooruitgroep bestaat uit Johan Van Hoorde, Stijn Oosterlynck (KUL), Karim Zahidi (UA), Pascal Debruyne (UGent), Francine Mestrum (ULB), Eric Corijn (VUB), Sami Zemni (UGent), Jan Teurlings (Universiteit van Amsterdam), Koen Dille, Rik Pinxten (UGent), Herman De Ley (UGent), Eric Goeman (Attac Vlaanderen, Democratie 2000), Monica Triest, Ida Dequeecker, Dominique Willaert (Victoria Deluxe), Leen Van der Vorst (Victoria Deluxe), Aleidis Devillé (KUL), Mohamed El Omari (Divers en Actief), Dirk Tuypens, Pascal De Decker (Hogeschool Gent), Piet Saey (UGent), Jan Blommaert (Universiteit van Tilburg), Jan Dumolyn (UGent), Eric Balliu, Ico Maly (KifKif), Patrick Deboosere (VUB), Koenraad Bogaert (UGent) en Marlies Casier (UGent).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!