about
Toon menu
Boekrecensie

Pleidooi voor radicalisering: Activist wordt politiek filosoof

Alleen de titel al houdt een waarschuwing in : dit is het essay van een activist die zich ontpopt tot een politieke filosoof en die volgens al de regels van het genre zijn gedachten ontwikkelt om tot maatschappelijke verandering te komen. Zet dus maar het leesbrilletje goed op de neus, want het niet zo dikke boek vraagt om aandachtige lectuur.
dinsdag 6 december 2016

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

L’audace mondiale est radicale, c’est s’attaquer aux causes structurelles de l’impasse mondiale. (..) Nos propositions sont effectivement radicales dans le sens propre du mot: intervenir sur les racines.

Neen, dit is geen uitspraak van Dyab Abou Jahjah, maar van de Belgische-Italiaanse econoom, politicoloog en professor emeritus Riccardo Petrella aan de Université Catholique de Louvain uit zijn recent boek Au nom de l’humanité, l’audace mondiale. Hij stond mee aan de wieg van de mondiale denk- en actiegroep die zich de Groep van Lissabon noemde en ook aan die van de Universiteit voor Algemeen Belang. Het merkwaardige is dat deze bekende figuur vrijwel eenzelfde definitie voor ‘radicalisering’ hanteert als Abou Jahjah maar dat hij niet in hetzelfde verdomhoekje is terechtgekomen waar de auteur van ‘Pleidooi voor radicalisering’ werd en nog steeds wordt geduwd. Hoe komt dat toch?

Uit het verdomhoekje

Het begon allemaal met de rellen in Borgerhout na de moord van Mohammed Achrak in 2002. Dyab Abou Jahjah en Ahmed Azzuz, leden van het toenmalige AEL (Arabisch-Europese Liga), werden op 21 december 2007 in eerste instantie door de Rechtbank van Eerste Aanleg in Antwerpen veroordeeld voor hun zogenoemde opruiende rol tot een jaar effectieve opsluiting en het betalen van een schadevergoeding van meer dan 5.000 euro. Het was het voorlopige einde van een haatcampagne waarin de voormalige premier Guy Verhofstadt en zijn raadgevers, maar ook de pers – ook De Morgen – een weinig fraaie rol hebben gespeeld. Abou Jahjah en Azzuz tekenden beroep aan tegen deze uitspraak en einde 2008 sprak het Antwerpse Hof van Beroep hen over de hele lijn vrij. Nadien vertrok Abou Jahjah naar Libanon, maar ook na zijn terugkeer bleef hij in de ogen van velen persona non grata. In september 2013 kondigde Jahjah zijn terugkeer naar België aan. Hierop pleitte André Gantman, fractieleider van N-VA in Antwerpen, voor de arrestatie van Jahjah wegens vermeend lidmaatschap van Hezbollah, een terroristische organisatie. Op 16 april 2016 zei hij nog hetzerig in ‘Joods Actueel’: ‘Abou Jahjah is en was nooit een man van dialoog. Zij die hem een forum geven hebben geen besef van de schade die zij aanrichten op maatschappelijk vlak.’

Ook met de aangekondigde publicatie van dit boek was het alweer hommeles. Het werd al aangevallen nog voor het gepubliceerd werd. Een aantal auteurs meende uit protest de uitgeverij te moeten verlaten waar Abou Jahjah nu publiceert. Gelukkig doet De Bezige Bij hier niet aan mee en ook de VRT en De Standaard niet waar Abou Jahjah, tot spijt van wie het benijdt, al enkele jaren columnist is.

Ja natuurlijk, de polyglotte en kosmopolitische auteur is een radicale denker én activist. Et alors? Wie hem de voorbije zomer op ‘Zomergasten’ bezig zag, wéét dat deze man geen hardroeper is, maar een geëngageerde intellectueel zoals een Riccardo Petrella of, om nog maar enkele namen te noemen, een Rik Pinxten of een Rudolf Boehm met zijn ‘Kritiek der grondslagen van onze tijd’. ‘Echte’ filosofen mogen dat blijkbaar en waarom mag Dyab Abou Jahjah dat dan ook niet?

Wie zijn ‘De stad is van ons’ heeft gelezen weet dat Dyab Abou Jahjah geen straatvechter is zoals de machthebbers hem proberen weg te zetten, maar wel een linkse, atypische intellectueel met eigenzinnige denkkracht die voortdurend pendelt tussen het reflectieve en het combattieve, tussen woord en daad, tussen Beiroet en Borgerhout en nog veel verder. Ik heb, zoals ook Ludo De Witte - lees zijn uitstekend boek ‘Wie is bang voor Moslims?’ - Dyab Abou Jahjah van in zijn beginperiode met zeer veel belangstelling gevolgd, maar in het conservatieve Nederlandstalige België van toen en nu blijft hij voor vele mensen een zeer controversiële figuur, ook voor arrogante intellectuelen zoals de Gentse filosoof Maarten Boudry die het in een recente uitzending van ‘Terzake’ nodig vond om wat slagen onder de gordel toe te brengen aan Abou Jahjah.

Politiek filosoof en activist

Met zijn laatste boek tapt Dyab Abou Jahjah uit een heel ander vaatje dan we van de columnist in hem gewend zijn. Alleen al de titel ‘Pleidooi voor radicalisering’ houdt een waarschuwing in: dit is het essay van een activist die zich ontpopt tot een politieke filosoof en die volgens al de regels van het genre zijn gedachten ontwikkeld om tot maatschappelijke verandering te komen. Zet dus maar het leesbrilletje goed op de neus, want het niet zo dikke boek vraagt om aandachtige lectuur. Abou Jahjah opent, zoals het gebruikelijk is in een essay, met een begripsomschrijving. Uit een kleine geschiedenis van het begrip besluit hij dat ‘radicaal’ lange tijd synoniem was van ‘progressief’ en ‘democratisch’, maar dat ‘radicalisme’ sinds een paar jaren in het gewone taalgebruik synoniem is geworden van ‘extremisme’. Daarmee sluit hij aan bij de taalkundige antropoloog Jan Blommaert die in ‘Let op je woorden’ constateert dat ‘radicaal’ dat oorspronkelijk enkel sloeg op linkse intellectuelen en linkse ideeën - zie a radical intellectual, a radical thought in het Engels - vanuit een zekere burgerlijke gematigdheid niet langer eerbaar wordt bevonden en daardoor de connotatie ‘extremistisch’ en ‘fanatiek’ - zie ‘radicalisering’ en ‘deradicalisering’ - heeft meegekregen. Voor Abou Jahjah kunnen radicalen progressief of reactionair zijn. Ze kunnen constructief maar ook destructief zijn, zoals IS en de Pol Pots van deze aarde die de gerealiseerde utopie tot een genadeloze dystopie hebben gemaakt. Het revolutionair marxisme in zijn maoïstische vorm gaat dus voor hem ook niet vrij uit. Daarom houdt Abou Jahjah in dit boek een pleidooi voor een constructief radicalisme dat, zoals Boehm het formuleerde ‘Kritiek der grondslagen van onze tijd’ moet leveren en naar oplossingen moet zoeken om los te komen uit de status-quo. Zonder de naam te noemen komt hij hiermee dicht in de buurt van ‘Das Prinzip Hoffnung’ van de Duitse dissidente, marxistische filosoof Ernst Bloch. Ook Antonio Gramsci, die andere dissidente marxist die hij wel uitdrukkelijk vernoemt, is een van zijn inspiratiebronnen.

Mondiaal denken met Gramsci

De grootste omslag in zijn denken is de paradigmaverschuiving van een identitair nationalisme naar actief burgerschap en de opkomst van een mondiale identiteit. Hij gaat er van uit dat het begrip ‘klasse’ aan een up-date toe is, maar het blijft toch volgens hem een sleutelbegrip om de huidige sociale dynamiek die almaar meer een mondiale teneur krijgt, te kunnen ontcijferen. Op basis van het inkomen per dag probeert hij tot een nieuwe mondiale classificatie te komen dat fijnmaziger is dan de 1 en de 99 procent. Hij onderscheidt daarin een mondiale middenklasse die hij globals noemt en die minimaal 50 en maximaal 200 dollar per dag verdienen. De middenlaag van de mondiale middenklasse noemt hij de semiglobals die een gemiddeld inkomen hebben van 20 tot 50 dollar per dag en in de onderste laag daarvan bevinden zich de protoglobals die het met iets van tussen de 10 en 20 dollar moeten stellen. In de mondiale onderklasse die hij naar Gramsci subalterns noemt, onderscheidt hij locals en protolocals, met name 56 procent van de wereldbevolking, voornamelijk in het zuiden, die het moeten stellen met twee tot maximum tien dollar per dag.

Volgens Abou Jahjah is de mondiale middenklasse met haar opkomende cultura franca (min of meer dezelfde consumptiegoederen, gewoonten en waarden) de entiteit die het meeste potentieel heeft om de natiestaat te overvleugelen en een mondiaal subject te worden. ‘Burgerschap als loyaliteit krijgt bij de middenklasse steeds meer een regionale of stedelijke invulling, terwijl zijn roeping juist in de richting van de globalisering lijkt te wijzen. Mensen raken minder emotioneel van vlaggen en andere nationale symbolen en hechten zich meer aan hun stad of regio, maar tegelijk zien diezelfde mensen zich steeds meer als wereldburgers.’ (p.128) Die teneur was ook al aanwezig in ‘De stad is van ons’. Hij vermeldt de naam Eric Corijn niet, maar het is duidelijk dat zijn denken aansluit bij de auteur van ‘Kan de stad de wereld redden?’ en bij figuren als Benjamin Barber en zijn boek If mayors ruled the world .

Het is vanuit die mondiale middenklasse dat Abou Jahjah constructieve radicalen ziet opstaan die met hun kennis en inzet bereid zijn om aan de grondvesten van de macht te zagen. Het aanmaken van nieuwe commons kan volgens hem leiden tot nieuwe niet-gecentraliseerde machtscomplexen, tot middelpuntvliedende krachten op het terrein van de financiën, het onderwijs, de cultuur en het bestuur. Hij vermeldt met veel nadruk de peer-to-peerplatforms van Michel Bauwens, maar ook Wikispeed, Napster, het BitTorrent-systeem, crowdfunding en andere uitingsvormen van een nieuwe deeleconomie die van onderuit beginnen door te dringen.

Invitation à la danse

Het hoofdstuk ‘De commons’ is het meest concrete van de acht uit het boek. Dat zegt vooral iets over die andere hoofdstukken die op een vrij hoog abstractieniveau geformuleerd zijn. Door zijn pogingen om een brede context te schetsen met een visionaire blik, krijgt zijn betoog soms professorale allures die je zeker bij een activist niet zou verwachten. Misschien speelt de vertaling daarin ook een zekere rol, want Abou Jahjah schreef zijn oorspronkelijke tekst in het Engels. Toch blijft ‘Pleidooi voor radicalisering’ een taaie tekst die van de lezer behoorlijk wat inspanning vergt en voorkennis veronderstelt. ‘Dit boek is een essay dat zijn weg zoekt tussen academische afstandelijkheid en een duidelijk standpunt,’ schrijft de auteur in zijn inleiding. Dat evenwicht heeft Abou Jahjah naar mijn smaak niet gevonden. ‘Pleidooi voor radicalisering’ is een belangrijk, maar geen goed boek geworden. Zeker belangrijk omdat Abou Jahjah een aantal concepten en hypothesen lanceert die verder en samen met andere constructieve radicalen kunnen ontwikkeld worden, maar jammer genoeg heeft hij de toonzetting niet weten te vinden om veel mensen aan te spreken. Het essay lijkt me in de eerste plaats bedoeld als een oproep naar gelijkgezinden die out of the box willen denken. Ik hoop dat zij op deze invitation à la danse zullen willen ingaan.

Dyab Abou Jahjah, Pleidooi voor radicalisering, De Bezige Bij, Amsterdam, 2016, 157 blz., ISBN 97890234999831, prijs: 14, 99 euro

reageer

Eén reactie

  • door dr alami op dinsdag 6 december 2016

    Kan hier geen gevaar voor de democratische rechtsorde opleveren, alsook geen ondemocratische methodes kan hanteren die afbreuk aan het functioneren van de democratische rechtsorde kunnen doen. Geen bereidheid om de uiterste consequentie uit zijn denkwijze (met name die van de religieuze opvattingen koppelde aan linkse politiek) te aanvaarden en in daden om te zetten. In het kader van al dan niet religieus geïnspireerde radicalisering is er dus geen enkele sprake de drie "I's" 1.Ideologie 2.Indicatie van het gedrag 3.Identiteit. Deze man is echter buiten het politieke spectrum en heeft niets mee te maken radicalisme en politiek gezien is hij hier dakloos tenzij handicap die zich tegen het naar zijn mening verouderde liberale establishment niet kan fel verzetten. In tegendeel wordt door radicaal-liberalisme vooral de progressieve liberalen (mis)(ge)bruikt als zondebok waar het nodig is, alsook zijn religieuze opvattingen door christen radicaal vooral de progressieve christenen. Kadert wel in het ''Radicaal'' Sociaal Durven Denken Doen.

Lees alle reacties