Van De Fonteine naar Minard, naar Romain Deconinck

Van De Fonteine naar Minard, naar Romain Deconinck

zondag 23 juni 2019 11:06

De “Minard” – Hoe het allemaal al in de middeleeuwen begon met ‘De Fonteine’ en verder ging met Romain Deconinck

Romain Deconinck

Op 27 juni 1847 opende de Gentse architect en vrijmetselaar Lodewijk Fransiscus Minard de deuren van de Minardschouwburg. Hij werd gemeenzaam ‘Louis’ genoemd. “De Minard” wortelde in de traditie van ‘De Fonteine’, een oude rederijkerskamer, zeg maar: een gezelschap van amateurdichters en voordrachtkunstenaars. Na WO II nam Romain Deconinck de fakkel over.

DE FONTEINE

Het gezelschap ‘De Fonteine’ bestond al heel lang. Het eerst bekende publieke optreden dateert van 1458, toen de Bourgondische hertog Filips de Goede zijn intrede in de stad maakte. Voorheen kwam het gezelschap samen in een toneelzaal die ooit een gotische kapel was geweest. Dat was tussen de Mageleinstraat en de toenmalige Sint-Janstraat: het huidige Sint-Baafsplein.

 

Rederijkers – schilderij Jan Steen

Auteurs in ‘Literair Gent‘ laten optekenen dat ‘De Fonteine’ een geprivilegieerde positie bekleedde in de jaren 1500 in Vlaanderen. Fonteine “dichtte” zichzelf de titel toe van ‘Hoofdkamer in Vlaanderen’. “In die hoedanigheid erkende of doopte zij nieuwe kamers in Vlaanderen. Ze diende daarbij wel de concurrentie te dulden van de ‘Heilige Geest’ (Brugge) en van ‘Alpha et Omega’ (Ieper).” In eigen stad werkte de rederijkerskamer goed samen met overige kamers, met name: ‘Sint-Barbara’, ‘Sint-Agnete’ en ‘Mariën Theeren’.

Diezelfde auteurs in ‘Literair Gent’ – Anne-Laure van Bruaene en Freddy van Besien – stellen dat in de jaren 1600 niet veel over De Fonteine is geweten. Misschien zat ze in die povere eeuw in zak en as. In 1700 herrees de rederijkerskamer echter uit haar as. Om die reden werd ze toen ook wel de “Feniksgilde” genoemd. Aanvankelijk was ze alleen een dichtgenootschap, maar weldra begon ze opnieuw toneel te spelen.

‘De Fonteine’ gaf haar voorstellingen dan in het ‘Gancxken’ in de Mageleinstraat. De toneelzaal werd echter in 1749 verkocht. Het gezelschap had daarna geen toneelzaal meer. Daar kwam pas drie decennia later verandering in, toen de woord- en toneelkunstenaars in 1780 introkken in een schouwburg aan de Houtlei; met name: de ‘Parnassusberg’, ook nog ‘Rhetorica’ genoemd. Dit was aan de hoek met de Schouwvegersstraat. Was het op de hoek van het kunsthumaniora van Sint-Lucas of was het op de andere hoek? Het is niet duidelijk.

Een kleine tien jaar later werd de zaal vernieuwd. De vorig jaar overleden auteur en vrijmetselaar Guy Schrans stipt in zijn boek ‘Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIde Eeuw‘ aan dat er een café aan de zaal verbonden was, en dat die in de smaak viel bij de toeschouwers van het toneel. De rederijkers zorgden er echter voor dat het niet uit de hand liep. Hij citeert: “er geen en dranck geduerende de representatien aen de aenschouwers sal vermogen gedebitteert ofte gedraegen worden“.

MINARD

Minardschouwburg – minard.be

Het gezelschap was toch niet onverdeeld gelukkig met de mogelijkheden van de zaal. Dit blijkt uit een ander citaat: “met twee rangen logiën en eene schoone galery daerboven; doch niet groot en schoon genoeg voor onze dagen, nu de Vlaemsche zaak langzaem maar zeker wint en de Vlaemsche toneelvertooningen door meer en aanzienlyker persoonen dan voor eenige jaren worden bygewoond“.

“Om die reden” stelt auteur Guy Schrans – “namen de Fonteinisten vanaf 1847 hun intrek in de schouwburg die de Gentse architect Louis Minard-van Hoorebeke …”

Toen heerste de tegenstelling tussen verfranste Gentenaars en Vlaamse Gentenaars volop. De Franstaligen – de bourgeoisie – ging naar de Opera… Dit was een doorn in het oog voor Louis Minard, Vlaamsgezinde vrijmetselaar, die op eigen kosten een schouwburg liet bouwen tussen de Walpoortstraat en de Sint-Pietersnieuwstraat. Toen een belangrijke plek voor het uitgangsleven, want bij het toenmalige Zuidstation. Tegen het eind van die eeuw zou ook het nieuwe Wintercircus er zich vestigen, nadat het oude in de buurt van de Kattenberg was afgebrand.

Op eigen kosten! Allicht niet toevallig vermeld de auteur in zijn citaat naast de naam ‘Minard’ ook de naam van zijn echtgenote ‘van Hoorebeke’. Zij was zijn tweede echtgenote, Maria Jacoba van Hoorebeke was een dochter van de Evergemse brandewijnstoker Petrus J. van Hoorebeke, zoon van een Frans officier die tijdens het Frans bewind verbonden was aan de Prefectuur van het ‘Département de 1’Escaut’ te Gent. Gezien de familienaam weinig Frans klinkt, mogen we aannemen dat de brandewijnstoker een buitenechtelijk kind was? Of was zijn vader van Frans-Vlaamse afkomst, hetgeen de vorige opmerking teniet doet? Maar het punt is dat de echtelieden Minard-van Hoorebeke bemiddeld geweest zullen zijn.

Minardschouwburg binnenzicht – pic minard.be

Op 27 juni 1847 vond de inhuldiging plaats met een opvoering van de operette ‘Brigitte’. Hippoliet van Peene had voor de woorden gezorgd en de neef van zijn vrouw voor de muziek: Karel Miry. Beide waren ook de auteurs van het volkslied ‘De Vlaamse Leeuw’.

Tijdens het Napoleontische Bewind werden de rederijkerskamers afgeschaft. Niettemin mochten ‘de Fonteinisten’ wél nog optreden, zij het onder voorwaarde dat zij, bij de start van elke voorstelling verplicht waren om het Franse volkslied te zingen. Vervolgens diende vanop het podium drie maal geroepen te worden: “Vive la République! Vive la Municipalité de Gand !” De vertoningen waren echter in het Nederlands. Lang heeft dat niet geduurd, want ook ‘De Fonteine’ moest van de Franse bezetter verplicht de deuren sluiten. Zoals welbekend werd het Nederlands/ Vlaams onderdrukt.

De kaarten lagen geheel anders onder het Hollands Bewind. Op de site van ‘Literair Gent‘: “In 1819 werd ‘De Fonteine’ door koning Willem I tot koninklijke maatschappij verheven. Jan Frans Willems was hoofdman van De Fonteine van 1841 tot 1846. Hij moedigde het schrijven en spelen van oorspronkelijk Vlaams toneelwerk aan, wat leidde tot opvoeringen van werken van o.a. Prudens van Duyse, Victor Lemaire, Pieter de Cort, Willem Rogghé en van Willems zelf.”

In de tweede helft van de negentiende eeuw bracht De Fonteine haar voorstellingen, zoals hierboven gesteld, in de Minardschouwburg.

Louis Minard stierf in 1875. Pas in 1897-1898 liet het stadsbestuur aan het Sint-Baafsplein een volwaardige ‘Vlaamse Schouwburg’ bouwen aan het Sint-Baafsplein: het NTG. Tot die datum deed de Minardschouwburg dienst als Nederlandse Schouwburg van Gent.

Het is niet duidelijk wat er in het gebouw al of niet gebeurde tijdens het Interbellum. ‘De Fonteine’ hield op te bestaan als toneelgezelschap. Sinds 1943 geeft de organisatie een boekenreeks uit. De boeken zijn gewijd aan historisch en letterkundige onderzoek van de cultuur van de rederijker.

ROMAIN DECONINCK

Romain De Coninck en Yvonne Delcour in 1977 – romain100.be

Na WO II deed het gezelschap van Romain Deconinck haar intrede in de Minard. Romain Deconinck werd geboren op 7 december 1915 in een arbeidersgezin. Al in zijn prille jeugd schreef hij toneelstukjes en volgde hij tekenlessen aan de academie. In combinatie met toneellessen begon hij aan zijn eerste job als retoucheur bij een fotograaf. Na zijn legerdienst werd hij bediende bij het ‘Gesticht van Bacteriologie en Hygiëne’ van Ugent. Dit, en meer, tekende Sofie Vrielynck, van Amsab-ISG, op in haar ‘Biografie van Romain Deconinck’.

Romain Deconinck zette zijn eerste stappen in de toneelwereld door in cinema’s sketches op te voeren met Hélène Maréchal. Als jongeling werd hij spelend lid bij twee gerenommeerde gezelschappen: de Koninklijke Maatschappij De Melomanen die over een mooie theaterzaal beschikte in de Savaanstraat, en Geluk in ’t Werk in de Ooievaarstraat” schrijft Claude Marissael in ‘Literair Gent’. Zijn eerste revue in “de Minard” kwam er in 1941. Ze heette ‘Past op de velodieven!

Vanaf 1960 werd de Minardschouwburg zijn thuis als beroepsacteur, alsook dit van “zijn beren” zoals de rest van het gezelschap genoemd werd. Hij schreef, regisseerde en speelde zelf. Zijn toneelstukken waren voor de overgrote meerderheid volkse komedies. Zijn tweede vrouw Yvonne Delcour – geboren als Yvonne Verschueren – speelde een actieve rol en was zelf een vedette.

Romain Deconinck zette de traditie voort van de revue, gekenmerkt door ballet, muziek en de gekostumeerde shows. Toen de revue minder volk lokte, veranderde het repertoire van Deconinck’s “beren” naar humoristische opvoeringen. Zijn gezelschap bracht volkse stukken in het dialect. Romain Deconinck was niet alleen auteur van de stukken, hij was ook de regisseur ervan en verantwoordelijk voor decor en muziek.

Van Romain Deconinck werd een standbeeld gemaakt door de Gentse kunstenaar Etienne Hublau. Het staat op de trappen vóór de Minardschouwburg. Als je daar in de begindagen van het standbeeld, een rode knop indrukte, werd een bandopname van een “lolle” van Romain door luidsprekers over het pleintje gestrooid. De “lolle” werd door hemzelf verteld in een vroeger radioprogramma op Radio 2, met de naam ‘De Peperbus’. Wat knipoogt naar ‘De Peperbus’, het torentje uit de laat-Spaanse tijd aan de Isabellakaai aan de overkant van de Muinkschelde bij Kinepolis. Echter heeft knopsysteem niet lang stand gehouden. De knop is samen met de luidspreker verdwenen.

Tussen 1968 tot 1972 schreef hij cursiefjes voor Het Laatste Nieuws. Hij hekelde onrechtvaardigheid en nam het steeds op voor de volksmens, die hij uiteindelijk zelf ook altijd is gebleven.

Romain Deconinckplein – standbeeld met trui

Het pleintje voor “de Minard” draagt sinds enkele jaren zijn naam.

Anekdote: Midden de jaren 1980 ging hij met zijn vrouw Yvonne tijdens het weekend de was doen in het wassalon in de Zwijnaardsesteenweg. Dit wil zeggen: Yvonne laadde de vuile was in de trommel, deed wat klapkes, terwijl Romain in zijn Amerikaanse voituur bleef zitten, die half op het voetpad geparkeerd bleef. Hij zat daar naar de autoradio te luisteren. Scribent woonde in die tijd naast dat wassalon en zag dit met eigen ogen. Lezeres Agnes Crispyn weet dat Romain alleszins tijdens de jaren 1950 in de Lucas de Heerestraat woonde. Vlakbij dus.

Toen de stad Gent de Minardschouwburg kocht, sloot het vrijwel onmiddellijk – om veiligheidsredenen – de deuren. Het gezelschap werd naar het Dienstencentrum in Ledeberg gestuurd. Wat volgde in de Minardschouwburg is een grondige restauratie. Enkel de gevel en de prachtige ‘bonbonnière’ werden samen met de entreepartij en een rijkelijk gedecoreerde Spiegelfoyer behouden.

Verder lees je op de site minard.be: “Maar voor de exploitatie van een dergelijke schouwburg waren op dat moment geen centen meer. Dus deed de Stad beroep op de expertise en het engagement van een aantal Gentse cultuurhuizen. De Stad was bereid een vaste uitbatingssom [sic] ter beschikking te stellen; de programmatie-invulling moest vanuit het culturele veld zelf komen.”

“Kunstencentrum Vooruit, NTGent en de Blauwe Maandagcompagnie (later Toneelhuis Antwerpen geworden, en in deze Gentse constructie vervangen door Nieuwpoort/ Victoria-Campo), dienden zich aan als partners. De nieuwe Minard vzw was geboren…”

Tijdens de Gentse Feesten van 1990 mocht Romain Deconinck en zijn gezelschap nog één maal in de schouwburg optreden, alvorens dat hij zou stoppen. Hij overleed in 1994. Hij zette een aantal onvergetelijke figuren op de planken, zo onder meer ‘Nonkel Miele’ en ‘Fiene Slameur’ maar ook ‘Karelke Waeri’.

Romain Deconinck schreef minstens 150 toneelstukken en hield zich bezig met alle aspecten van de opvoeringen. Daarnaast maakte hij ook platen. Toen de populariteit van de tv en de cinema als gevolg had dat minder volk naar “de Minard” trok, trad hij ook op in televisieseries. Bij de televisieomroep regisseerde hij ook zelf, zoals bv. in ‘De kolderbrigade‘ met Leo Martin en Gaston Berghmans. Hij regisseerde ook de televisieseries ‘Slisse & Cesar‘. Hij speelde mee in films, zoals bv. ‘Mira‘, gebaseerd op het boek ‘De teleurgang van den Waterhoek’ van Stijn Streuvels. In de film ‘Koko Flanel‘ speelde hij Urbanus‘ vader.

persblog.be – Verhalen uit en over Gent

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!