Pseudo-intellectueel tijdverdrijf

Pseudo-intellectueel tijdverdrijf

vrijdag 23 juni 2017 00:50

Alle ideologiën gaan uit van het basisprincipe dat op relatief korte termijn een rechtvaardige samenleving een realistisch verwezenlijkbaar goed is. Het kan ook niet anders omdat indien men van het tegendeel uitgaat dit zou impliceren dat elke ideologie niet meer dan een oppervlakkig pseudo-intellectueel tijdverdrijf zou zijn zonder enig praktisch nut.

Ofschoon ze in bijna alle kleuren en smaken voorkomen hebben deze ideologiën toch een belangrijke fundamentele gelijkenis. Namelijk het geloof in een mogelijke rechtvaardiging van macht, daarbij wordt macht niet aanzien als een obstakel maar als een middel om rechtvaardiging te verwezenlijken. Het is de wijze van invulling van die macht die het onderscheid maakt tussen de ideologiën.

Macht wordt veelal aanzien als een titel, wat uiteraard volslagen onzin is. Macht ontstaat door een concentratie van middelen, de directe of indirecte controle over die middelen bepalen waar de macht ligt. Zij kan dictatoriaal elitair van aard zijn of populistisch, al valt er te betwijfelen of er in de praktijk eigenlijk wel een onderscheid bestaat. Omdat het populisme in wezen een vorm van manupilatie betreft waarbij de manipulator evengoed een vorm van dictatoriale macht bezit. Des te populistischer de ideologie wordt des te dictatorialer ook de gepaard gaande macht. In die zin is het onderscheid tussen socialisme en communisme enerzijds en fascisme anderzijds op het vlak van machtsverdeling klein tot in extreme mate nihil.

Waarin zij verschillen van een kapitalistisch vrije markt systeem is de drang tot schijnbaar morele legitimatie van de macht. Het zuiver kapitalisme ziet de concentratie van economische middelen immers als voldoende legitiem en zij ambiëert geen politiek kader voor de macht, maw de mogelijkheid tot onderdrukking is meteen ook haar legitimatie. De meeste andere ideologiën zien een al dan niet terecht geclaimde sterke numeriek overwicht in vertegenwoordiging onder de bevolking als legitimatie. Met andere woorden: onderdrukking wordt legitiem als maar genoeg personen ermee instemmen of wanneer de staat zich profileert als spreekbuis van die meerderheid, dat heet populisme. Links, rechts, het maakt daarin helemaal niets uit.

Wanneer we de klassiek elitair-dictatoriale ideologiën en het zuiver kapitalisme opzij schuiven wegens overduidelijk en daarom oninteressant voor verdere analyse, blijven we over met de zogeheten sociaal voelendere pistes van pragmatische tot ronduit utopische aard. Maar omdat zij numeriek overwicht als meest belangrijke legitimatie zien gaan ze allen uit van een basisprincipe dat de mens als collectief wezen goed van aard is of daartoe op zijn minst eventueel met benodigde dwang bewogen kan worden. Het bewegen tot goedheid onder dwang zoals onze kameraden dit althans voor sommigen noodzakelijk zien zou hilarisch zijn ware het niet dat in de geschiedenis van de 20ste eeuw dit reeds ettelijke miljoenen slachtoffers gemaakt heeft en een zeer groot veelvoud daarvan onderdrukt hield.

Er rest ons dan nog het idee dat mensen als collectief van nature goed zijn of zonder dwang intellectueel en moreel daartoe kunnen groeien. Niets wijst daar echter op, wel integendeel, de geschiedenis leert ons dat massa’s gevaarlijk zelfzuchtige groepen zijn waar rede en moraal geen invloed op hebben. Ofschoon een mens op individueel vlak daarin kan groeien zet die tendens zich niet voort op collectieve structuren. Zolang de mens zich als individu opstelt is er een zekere mate van drang tot rechtvaardigheid aanwezig, mogelijks wordt dit bepaald door de kwetsbaarheid van diens solitaire positie. Maar van zodra hij zich in een groep manifesteert stijgt de hunkering naar machtsontplooiing als groep ten koste van minderheden of dissidenten. Dit is geen ideologisch maar een antropologisch verschijnsel. Rechtvaardigheid als collectief concept bestaat bij sommige diersoorten, maar de mens is er niet één van.

Bovenstaande is echter niet tot wat ik wil komen, het legt louter inleidingsgewijs de problematiek rond macht en haar legitimeringen uit. Waar ik toe wou komen zijn de middelen, met name de problematiek ervan, om naar meer sociale rechtvaardigheid te streven.

Wie claimt te strijden voor sociale rechtvaardigheid dient zich de vraag te stellen wat die rechtvaardigheid inhoudt, dewelke het beoogde doel is en in hoeverre dat doel effectief in realiteit strookt met de geclaimde betrachtingen. De vraag is of het doel het effectief bestrijden van onrechtvaardigheid is of de realisatie van iets anders zoals een politiek systeem en in hoe verre beiden wel compatibel zijn.

In de strijd tegen sociaal onrecht is het essentiëel om geen nieuwe voedingsbodems te creëren voor nieuwe onrechtvaardigheid. De goedheid van mensen laat staan die van ideologiën bieden geen garanties en zijn daarom geen legitimering voor het opzetten van nieuwe machtsstructeren of het wijzigen van oude dewelke niet enkel potentiëel maar ook reëel onrecht voortbrengen, omdat dit eigen is aan macht. De vraag die elke zelfclaimende revolutionair zich zou moeten stellen is dan ook of die zich engageert tegen onrecht of voor een machtsstructuur, een onvermijdbare keuze dewelke men moet maken.

Een andere vraag is of er een noodzakelijkheid bestaat tot legitimering van diens eigen daden, sterker nog: in hoeverre de drang naar legitimering op zich te legitimeren valt. Men legitimeert immers steeds ten opzichte van anderen en wat is die rol van die anderen in dit proces ? Maakt dit deel uit van de bestrijding van onrecht of van het ambiëren van erkenning, wat uiteindelijk een machtsvoordeel oplevert.

Moet het bestrijden van onrecht steeds gelegitimeerd worden ? Men aanziet dit binnen de rethoriek als een evidentie, in die mate dat de argumentering belangrijker wordt dan de daad, waarin ligt daar de meerwaarde tot onrechtbestrijding ? In oorlogssituaties en zeker burgeroorlogen wordt dit heel duidelijk omdat daar burgers verontmenselijkt worden en er heel wat theses naar voor geschoven worden waarop volgens ideologische maatstaven dit gerechtvaardigd zou zijn. De perversiteit van ideologische stellingnames halen daar een hoogtepunt.

Belangrijk is dat onrecht aangetoond wordt, dat maakt een eerste wezenlijk onderdeel uit van de bestrijding ervan. De wijze waarop dit onrecht bestreden wordt, de middelen die gehanteerd worden, is ook belangrijk. Echter de argumentering waarom reageren tegen onrecht legitiem is maakt geen onderdeel uit van haar bestrijding maar maakt onderdeel uit van de eigen legitimatie, in dat geval staat de bestrijding niet centraal maar wel de profilering. Wanneer men in het dagelijks leven geconfronteerd wordt met onrecht, zoals bijvoorbeeld fysiek geweld tegen zwakkeren, dan gaat men niet in debat over de geoorloofdheid van actie, enkel de wijze waarop gereageerd wordt dwz in hoeverre zij niet zelf onrechtvaardigheid met zich meebrengt speelt een rol. Binnen een politieke context ligt dit in de realiteit echter anders, de bestrijding daar wordt veeleer bijkomstig maar de profilering van de aanklager wordt primair: de slachtoffers moeten zich gediend voelen met deze profilering ook als zij gepaard gaat met nieuw onrecht.

Waar ik dus toe wil komen is het duiden op het dubieuze van ideologie in de strijd tegen sociaal onrecht. De daadwerkelijke betrachtingen van revolutionairen en hun relatie tot slachtoffers. Kunnen we al de ideologische onzin en daaraan gekoppelde misgroeiingen niet gewoon overboord gooien en komen tot de essentie: het aanklagen van en de strijd tegen onrecht. In de context van sociale herverdeling is de enige oprechte de dief die steelt niet voor zichzelf maar om behoeftigen te helpen, niet de revolutionair die strijdt om macht en eigen erkenning. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!