Grenzen aan engineering?

Grenzen aan engineering?

zaterdag 4 juni 2011 15:00

Afgelopen zondag hoorden we een vertegenwoordiger van ‘Save our Science’ (inderdaad, ‘their science’, ‘not ours’) aan het proefveld met genetisch gemanipuleerde aardappelen in Wetteren verkondigen dat de basis van de actie ‘technofobie’ is. De vergelijking met een fobie is natuurlijk problematisch, omdat het de actie in het kamp van het irrationalisme duwt, maar er schuilt misschien een kern van waarheid in zijn stelling. Er groeit verzet tegen (een bepaald soort) wetenschap en technologie. Of beter: tegen hoe die tussenkomen in maatschappelijke en politieke kwesties. Als je vragen stelt bij de wereldorde die honger produceert, krijg je het antwoord dat genetische manipulatie het antwoord is. Als je vragen stelt bij het energiesysteem op basis van fossiele brandstoffen, krijg je te horen dat steenkoolcentrales geen probleem zijn, als we ‘carbon capture and storage’ toelaten (een technologie die overigens helemaal nog niet op punt staat). Als je kritische opmerkingen maakt over kernenergie, is het antwoord dat de overheid miljoenen investeert om een technische oplossing te vinden voor het kernafval. Als je stelt dat het huidige energiesysteem onhoudbaar is, krijg je agrobrandstoffen op basis van genetisch gemanipuleerde gewassen op je bord. De bottomline is steeds dezelfde: niets hoeft te veranderen, we moeten maar vertrouwen hebben in de ingenieurs.

Er bestaat zoiets als een wetenschappelijk-technologisch-industrieel complex dat elke sociale of democratische verzuchting vakkundig omturnt in een technologisch op te lossen probleem. Alsof honger in de wereld geen maatschappelijk probleem is, maar op te lossen valt met de adequate techniek. Alsof klimaatswijziging geen maatschappelijke veranderingen behoeft, maar enkel technologische innovatie. De wetenschappers die aan genetische manipulatie doen, roepen dat de actievoerders het debat niet willen aangaan. Maar is er ruimte om dat fundamentele debat aan te gaan? Is er ruimte om het maatschappelijk functioneren van het wetenschappelijk-technologisch-industrieel apparaat in vraag te stellen? Die ruimte is er nauwelijks: het debat moet verlopen volgens de parameters van het wetenschappelijk-technologisch-industrieel complex. Enkel een technisch-wetenschappelijk argument geldt. Maatschappelijke verandering (b.v. de transitie naar een meer lokale en kleinschalige landbouw) wordt a priori afgedaan als naïeve dromerij.

Het wetenschappelijk-technologisch-industrieel complex is nagenoeg immuun voor kritiek: op elk technologisch falen volgt een nieuwe technologische innovatie (die uiteraard vooral commercialiseerbaar moet zijn). Zo sukkelt de landbouw voort: het probleem van bodemuitputting wordt ‘opgelost’ met kunstmest, het probleem van ziektes wordt aangepakt met pesticiden, het probleem van pesticiden gaat men te lijf met genetische manipulatie. De constante: de schaal blijft toenemen, net als de macht van het grootkapitaal op het landbouwbedrijf. Telkens reproduceert de kapitalistische landbouw de ecologische crisis op een hoger niveau: van lokale bodemuitputting tot klimaatswijziging en de vernietiging van de biodiversiteit. Zoals het er nu naar uit ziet, zal de commercialisering van GGO’s de biodiversiteit nog verder ondermijnen, en de handhaving van grote landbouwarealen met dezelfde gewassen verder in de hand werken.

Die technische aanpak is gebaseerd op een reductionistische visie, die weigert een macroperspectief in te nemen op de landbouw en zijn brede maatschappelijke en ecologische inbedding. Het is niet gemakkelijk om de ecologische crisis te politiseren, en voorbij een enge, technologische benadering te gaan. Er blijken extreme toestanden nodig te zijn voor er nog maar een glimp van het noodzakelijke kritische debat oplicht. Een ramp in Fukushima bijvoorbeeld. Of een actie zoals die in Wetteren. Als er geen ruimte is om maatschappelijke problemen te politiseren, dan gaat die politisering onvermijdelijk extremere vormen aannemen.

En ondertussen gaat de ingenieursmentaliteit verder. Wat tot voor kort ondenkbaar is, wordt vandaag de praktijk. In opdracht van multinationals worden genetisch gemanipuleerde gewassen ontwikkeld die beter bestand zijn tegen onkruidverdelgers, zodat er daarvan nog meer gespoten kunnen worden. Terwijl geo-engineering lange tijd als een absurde optie werd beschouwd, vervoegen steeds meer ingenieurs het kamp dat hiervoor wil gaan, samen met een industrie die er brood in ziet.
Dit is geen argument tegen technologie of wetenschap op zich. Het fundamentele probleem is dat sociaal-politieke verandering geblokkeerd lijkt: in laatste instantie zijn het de kapitaalmarkten die beslissen. Ook in het maken van technologische keuzes hebben zij een beslissende invloed. Of waarom jammerden verschillende Vlaamse ministers na de actie in zondag dat het nieuws hierover onmiddellijk heel Europa zou rondgaan, en een negatief innovatie- en investeringsklimaat zou creëren in Vlaanderen?

Er is een duidelijke parallel met de financiële crisis: net zoals er geen debat is over het feit dat banken gered moeten worden en dat werkende burgers daarvan de gevolgen moeten dragen, staat het a priori vast dat de weerstand van de Europese bevolking tegen GGO’s overwonnen zal en moet worden. De economische inzet is gewoon te groot. De EU heeft de beslissingsmacht over het toelaten van GGO’s bij de nationale lidstaten gelegd. Kwestie van de biotech-multinationals stapje bij beetje toe te laten de markt te penetreren, en het verzet in bepaalde landen te omzeilen.

Groene partijen en NGO’s doen zeker hun best, maar hebben nooit het maatschappelijk debat op zo’n manier losgeweekt als de actie in Wetteren dat deed. Een daad van luddieten, zo luidde het her en der. En dat is geen slechte vergelijking. In de 19de eeuw gingen arbeiders de machines vernietigen omdat ze heel goed door hadden dat die machines niet neutraal waren, maar welbepaalde sociale verhoudingen installeerden. Arbeiders dreigden aanhangsels te worden van de machine, hun vakkennis dreigde verloren te gaan, de controle van de baas over hun arbeid nam enkel toe. Met hun radicale actie trachtten ze te politiseren wat nauwelijks tot voorwerp van politiek conflict te maken valt. Ze maakten zichtbaar dat technologie altijd ook een machtsinstrument is.

Het zou beter zijn als we het zonder luddietenacties kunnen doen. Toen zoals nu botsen dergelijke acties op de muur van de ‘onafhankelijke en kritische wetenschap’ (met steun van BASF en het industrieel project van de Vlaamse overheid). Maar ondertussen ontwikkelt de mondiale sociale en ecologische crisis zich verder. Vroeg of laat zal moeten blijken dat de ingenieurs niet overal een antwoord op hebben (zoals ze nu geen afdoend antwoord hebben op pakweg kernafval of CO2-emissies), en dat hun oplossingen de problemen vaak gewoon voor zich uit duwen. In tussentijd zijn luddietenacties meer dan begrijpelijk. Wat gaan we overigens doen om de illusie te doorprikken dat de ingenieurs het probleem van kernafval ooit wel zullen oplossen? Of dat onderzoek naar agrobrandstoffen de magische oplossing voor klimaatswijziging zal opleveren? Of dat carbon capture & storage het overleven van de steenkoolcentrales zal verzekeren? Of dat olieschalie een onschuldige bron van fossiele brandstoffen is?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!