Een pleidooi voor een confessioneel vak levensbeschouwing

Een pleidooi voor een confessioneel vak levensbeschouwing

vrijdag 13 september 2019 22:02

Normaal gezien schrijf ik geen opiniestukken. Maar regels zijn er om gebroken te worden. Dat is één van de belangrijkste lessen die ik mijn leerlingen probeer aan te leren. Ik ben zelf immers leerkracht RKG: ik geef Rooms-katholieke godsdienst aan jonge mensen van het 3e tot en met het 6e middelbaar, voornamelijk TSO. Ik ben één van die mensen over wie iedereen een mening heeft, maar die zelf eigenlijk niet zo heel veel aan het woord komen. Schroom, veronderstel ik, want leerkracht godsdienst zijn is niet bepaald cool. Maar misschien ook omdat het heel moeilijk is om concreet te verwoorden wat ons vak nu zo bijzonder maakt…

Sta mij toe dat toch te proberen. Kort. Zonder links of feitjes, gewoon: wat ik denk. Of misschien beter: wat ik voel.

Jezus is een jood. Jezus is een rebel. Het evangelie leert ons dat een goed mens zijn belangrijker is dan goed geloven. Dat de regels breken soms een noodzaak is. Dat een goed mens lef heeft, onfatsoenlijk durft te zijn. God houdt van ons. En als je niet in een god gelooft, geen probleem: iemand houdt van jou. Jij, jijzelf. Hou van jezelf. En als het eventjes niet lukt, geen probleem: ik. Ik hou van jou. Want jij bent van mij: mijn leerling, mijn kindje, mijn medemens, mijn naaste, mijn medegeschapene.

Dat is wat ik mijn leerlingen probeer te leren. Daar is een leerplan voor, een dik papieren leerplan. Eén van de dingen die RKG uniek maakt. Dat leerplan vertrekt vanuit het idee dat elke leerling een individu is met een eigen context en eigen noden en vaardigheden, en dat elke leerling een introductie tot het christendom kan gebruiken omdat het nog steeds de dominante religie is in Europa en de geschiedenis en cultuur van onze bodem heeft gevoed. Soms ten goede, soms ten kwade. Maar ook dat elke leerling iets nodig heeft om zich aan te spiegelen: soms als voorbeeld, soms om er zich tegen af te zetten. Dat is de rol van christendom in ons leerplan.

Geen indoctrinatie dus, zoals ik zo vaak hoor. Expliciet: de leerling moet zelf een eigen levensbeschouwelijke visie ontwikkelen vanuit wat ze thuis al geleerd heeft, en het christendom is daarvoor een toetssteen. Soms zijn dingen herkenbaar, inspirerend, een mooi voorbeeld. Soms zijn ze bevreemdend, fout, bedrukkend. Soms zijn we het allemaal roerend eens met elkaar. Soms zijn de discussies heel erg heftig. En dan oefenen we respectvol communiceren: luisteren voor je praat (heel moeilijk), denken voor je antwoordt (nog moeilijker), dialogeren in plaats van alleen te reageren (kan ik zelf ook niet altijd). En op het einde van de les geraken we allemaal door dezelfde deur weer naar buiten. Daar kan twitter een punt aan zuigen, denk ik dan. En de hele politieke klasse. Mijn kindjes zouden dat een pak beter doen.

Ik geef les in een katholieke school, waar alle levensbeschouwingen door elkaar zitten, net als de overgrote meerderheid van mijn collega’s. Voor ons zou het idee van catechese geven of het christendom preken een onheilige gedachte zijn: niet alleen omdat het in gaat tegen het opzet van het leerplan en het basisrespect voor intra- en inter-levensbeschouwelijke diversiteit dat we onze leerlingen willen aanleren, maar vooral omdat het zelfsabotage is. Aan twintig mondige, kritische, andersgelovige pubers gaan vertellen dat Christus de Weg, de Waarheid en het Licht is en het enige alternatief de Hel? Sign me up for Greenland, Donald, want dat overleef je geen vijf minuten. Het idee dat dat zou zijn wat wij doen, is van de pot gerukt.

Helaas lijken veel mensen te denken dat wij exact dat doen: katholieke indoctrinatie. Ik ben vandaag exact acht lesdagen opnieuw bezig met effectief les geven, en wat hebben we tot nog toe besproken? Mantra’s, Ingeborg, meditatie, de Tempelberg en waarom Jeruzalem zo’n brandhaard is, hoe de god van de joden veel moeilijker te bereiken is dan die van christenen en moslims, waarom het gebed zoveel rust kan brengen (en dat het volgens Viktorya gemakkelijker gaat in de kerk, omdat je daar volgens Lamyae thuis komt in Gods huis), dat je dankbaar kan zijn voor dingen zonder dat je weet waar ze vandaan komen (zoals het leven), wat grondervaringen zijn en hoe ze ons leven kunnen veranderen, hoe voor Guillaume Vanderstichelen de dood van zijn zoontje een grondervaring was, dat Mathis ondanks alles dankbaar is om in een groot gezin geboren te zijn, over ontmoeten en wat een ontmoeting goed maakt en wat een ontmoeting moeilijk maakt en waarom we het zo moeilijk hebben met ontmoetingen met daklozen, dat het vreselijk is als mensen je vragen waar je écht vandaan komt, dat Brent niet in de lift vast wil komen te zitten met een zwart gat en Alex met een homo, dat je best je pil niet doorneemt als ze niet bedoeld is om door te nemen, dat Arthur tot rust komt wanneer hij een knuffel krijgt van iemand die hem heel erg nabij is, en iets met een curryworst dat niet voor publicatie herhaalbaar is.

Klinkt dat als katholieke indoctrinatie? Mij klinkt het als muziek in de oren: de chaos van een klas vol jonge mensen die barsten van vragen en meningen en visies en ervaringen en de tijd en ruimte krijgen om zichzelf te zijn en te oefenen in zichzelf zijn bij anderen.

Mijn vak draait immers niet rond de kennis die ik overdraag of de vaardigheden die ik hen aanleer maar rond hen: wat zij daar mee doen, hoe zij dat ontvangen of waarom ze het verwerpen, hoe ze er met elkaar in gesprek over gaan. En ik sta midden in dat gesprek: ik toon wat het doet met mij, wat ik ontvang en waarom ik sommige dingen verwerp, en ik ga met hen in gesprek. Mijn leerlingen kennen mij, en kunnen inschatten welke informatie objectief is en welke niet omdat ik hen dat eerlijk zeg.

Wij doen niet aan geforceerde neutraliteit. Ik geef alles, objectief, sec de feiten – en dan geef ik mijn eigen mening, en de leerlingen geven die van hen, en we kijken welke argumenten we delen en waar we verschillen. Wie denkt dat leerlingen iets gaan geloven omdat een leraar dat zegt, heeft nog nooit een puber ontmoet. Maar als je niet weet welke kleur de leraar heeft, hoe weet je dan welke dingen door hem gekleurd zijn, en hoe? Hoe weet je waar geloof eindigt en feiten beginnen, en omgekeerd. Een confessioneel vak ontwart dat kluwen, omdat de leraar gewoon eerlijk mag zeggen: kijk, ik heb nu helemaal correct uitgelegd waarom godsgeloof volgens sommige mensen evolutionair gegroeid is en alle argumenten gegeven, en ik zelf heb God ervaren in mijn leven en ik geloof in Hem.

Ik ben de juf godsdienst die hen uitlegt dat in de abrahamitische tradities je lichaam heilig is, een geschenk van God om tijdelijk te bewonen, en tegelijk kan vertellen waarom er een vis op mijn arm getatoeëerd staat. Ik ben degene die hen een overzicht geeft van alle soorten leven na de dood, en dan uitlegt waarom ik er zelf niet in geloof. Ik ben de queer persoon die naar hen luistert wanneer ze uitleggen waarom ze homoseksualiteit zondig vinden, en die ze desondanks leren respecteren omdat zij hen desondanks respecteert. Ik ben degene die met wetenschappelijke informatie komt aanzetten en enthousiast is over dinosaurussen, en waar dan tegen gezegd moet worden “Mevrouw, ik heb u echt heel graag, ik ga voor u bidden want u gaat naar de hel” omdat ik de evolutieleer niet verwerp.

En daarom ben ik tegen LEF. Ik ben niet noodzakelijk tegen een eengemaakt vak. Ik begrijp de kritiek op de opsplitsing en als secularist heb ik een probleem met de uitzonderingen die wél een vak mogen organiseren en de regels die dat niet mogen en dan maar een uitzondering moeten vragen en in de studie gaan zitten. In de praktijk zijn er dat niet zoveel, de meeste van hen kiezen dan iets dat dicht bij hun visie aansluit. Maar het is geen eerlijk systeem. En ik begrijp de argumenten rond kost en organisatorische problemen. En omdat ik kan vergelijken en RKG in een katholieke school persoonlijk veel zinvoller vind, begrijp ik ook het idee van alle leerlingen samen levensbeschouwelijke vaardigheden te laten oefenen. Ik ben daar heel erg voor.

Maar ik ben tegen het idee dat de persoon vooraan neutraal en objectief zou moeten zijn. Dat we die informatie over leven en dood, geloof en liefde, goed en kwaad… zouden moeten geven als loutere kennisoverdracht van onze kant. Dat is niet alleen onmogelijk, het is oneerlijk.

Ik ken mijn leerlingen, en zij kennen mij: zij weten wie ik ben, wat mij drijft, waar ik in geloof en vooral hoe ik dat in de praktijk breng. Ze zien aan de persoon vooraan wat het betekent om een levensbeschouwelijk engagement aan te gaan en tegelijk respectvol in dialoog te gaan en liefdevol samen te leven met andere mensen met andere visies. We zijn niet alleen specialist in ons vak, en moderator in hun gesprekken en groeiproces, maar we zijn ook getuige: we spreken vanuit onze eigen levensbeschouwing. En die meerwaarde is essentieel.

Als tiener was ik zelf atheïst. En strijdbaar atheïst: mijn leerkrachten godsdienst hadden het niet onder de markt met mij. Mijn school was een katholieke school waar we niet meteen met dat katholieke rond de oren geslagen werden. Maar er hing een sfeer van verbondenheid en een gedragenheid van het project die je zelfs als leerling kon ervaren. Er was een fundamenteel respect voor elke leerling. Elke leerling werd gewaardeerd, geholpen waar nodig. Iedere leraar was op haar eigen manier een luisterend oor, een bemoedigende glimlach, een schouder om op uit te huilen. Het was naastenliefde in de praktijk.

Ik heb meer geleerd over hoe je leraar godsdienst moet zijn van alle leraren in mijn school, godsdienst of niet, dan in mijn drie jaar opleiding samen. Omdat een voorbeeld inspireert en uitdaagt. Omdat een gedragen en belichaamde overtuiging raakt.

En mijn mooiste herinneringen als leraar godsdienst hebben ook daarmee te maken: met de manier waarop jonge mensen elkaar raken in die oefenruimte van twee uur die ze krijgen van onze maatschappij. Twee heel kostbare uren, waarin jonge mensen uit de kast komen als queer, vertellen over moeilijke scheidingen en onverwerkte aanrandingen, over hoe hun oma hen leerde bidden en hun mama kaarsjes voor hen brandt, waarin ze leren dat ze respect kunnen opbrengen voor de moed van een niet-gelovige moslim om dat tegen zijn familie te vertellen en empathie leren opbrengen voor de moslima die gesluierd gaat en daarvoor wordt uitgemaakt op straat door wildvreemden. Waarin we oefenen en elk uur een beetje beter worden in samenleven.

En samenleven, lieve lezer, ik geloof niet dat dat iets is van burgerschap. Burgerschap hoort bij instellingen, nationaliteiten, de publieke ruimte. Burgerschap gaat over kiezen en verkozen worden, het nieuws volgen, engagement in het middenveld, papiertjes opruimen op straat. En ik geloof niet dat het iets is dat je leert door er over te leren. Ik geloof dat je het leert door het te doen.

Wij, leerkrachten van de confessionele vakken (en aangezien zedenleer door het Humanistisch Verbond wordt georganiseerd, reken ik zedenleer daar ook bij), doen aan samenleven met onze leerlingen. We maken ons kwetsbaar door onszelf te zijn bij hen, door onszelf te tonen. Dat vergt heel wat lef. Gelovig zijn is niet cool, en het christendom is wellicht de minst coole godsdienst van allemaal. Gelovige mensen zijn een beetje dom, of dat is toch iets wat je leert als je het nieuws volgt. Of: geloof is als een lul: je mag er één hebben, maar hou hem in je broek. Val mij er niet mee lastig… Behalve dat ook dat een geloof is, en dat geloof geen petje is dat je op of af kan zetten, maar je hele zijn en handelen kleurt. Vandaar dat we geduldig zijn, soms net iets geduldiger dan de andere leraren. Dat wij iets vaker de emotionele brandjes blussen en de klasgesprekken doen. Niet omdat we dat beter kunnen, maar omdat wij meer dan wie dan ook op school moeten doen wat we preken.

En als het eventjes niet lukt, geen probleem: ik. Ik hou van jou. Want jij bent van mij: mijn leerling, mijn kindje, mijn medemens, mijn naaste, mijn medegeschapene.

Dat is wat wij onze leerlingen kunnen aanleren door een confessioneel vak te zijn, door vooraan te staan niet als neutrale bron van kennis maar als mens, helemaal, met alles wat daar bij hoort inclusief geloof. Wij zijn de belichaming van intralevensbeschouwelijke diversiteit, van dialoog in respect, van practice what you preach. Veel leerlingen hebben thuis zo geen rolmodel: hun levensbeschouwelijke opvoeding gaat van onbestaande tot extremistisch en gesloten. Onze rol is belangrijk in een samenleving waar geloof steeds meer en meer in donkere hoekjes geschoven wordt, en waar over geloof gesproken wordt in termen van monolieten: islam is zo, christendom is dat, hindoes doen zo… Is dat zo? Onze leerlingen weten alvast van niet, want wij wijken zelf zo vaak af van die veralgemeningen. En zij zelf ook, want in die dialoog vinden we elkaar.

Zijn er goede argumenten voor een andere invulling van de uren levensbeschouwing? Tuurlijk. Er zijn goede argumenten voor bijna alles. Maar ik wilde als tegenargument vooral dit in de schaal gooien: mijn vak heeft een meerwaarde. Het is niet zo gemakkelijk uit te leggen wat het is, maar ik geloof dat het feit dat alle deelnemers aan het gesprek helemaal als mens aan het woord komen, ook de leraar, een integraal onderdeel is van die meerwaarde. En ik hoop dat ik dat ook een beetje heb kunnen uitleggen, en misschien zelfs aantonen

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!