De vakbond: medemacht of tegenmacht

De vakbond: medemacht of tegenmacht

dinsdag 12 juli 2011 11:34

Medemacht

De Belgische liberale vakbond ACLVB, klaagt bij monde van zijn voorzitter Jan Vercamst over de improductiviteit van de klassieke manier van actievoering, namelijk betogingen (zie ook dewereldmorgen.be van 3 juli). Met de klassieke manifestaties op straat kan de vakbond volgens hem nauwelijks nog invloed uitoefenen. De beslissingen worden vaak toch gewoon doorgevoerd, acties of niet. In dit euvel kan hij overigens een lotgenoot vinden in de vakbonden bij zijn noordelijke buren. Daar is de vakbond al jaren ingekapseld in wat heet het ‘polderoverleg’ tussen werkgevers, vakbonden en overheid. Het begin van dat polderen was het akkoord van Wassenaar in 1982, waarin de Nederlandse vakbond onder leiding van de ‘socialist’ Kok, akkoord ging met loonmatiging. De vakbond leverde zich daarmee uit aan het neoliberale beleid van werkgevers en overheid, werd de smeerolie van het systeem – het kapitalisme – en heeft zich sindsdien niet meer kunnen ontworstelen aan de positie waarin hij zichzelf had gebracht, namelijk die van neoliberale medemacht. De relevantie van de vakbond – eigenlijk wereldwijd – reikt niet verder meer dan het afschaven van de scherpe kantjes van het kapitalisme, en het aandragen van veranderingsvoorstellen en oplossingen binnen de grenzen die het kapitalisme toestaat.

Harmonie

Jan Vercamst wil nieuwe vormen van meer productieve vakbondsacties. Acties, zo krijg je de indruk,  die verder moeten reiken dan het afschaven van de scherpe kantjes, en die niet blijven binnen de grenzen van het bestaande systeem.  Vakbondsacties vooral die zo productief zijn, dat ze werkgevers en overheid dwingen er rekening mee te houden. Een heimwee misschien naar de kracht en de effectiviteit van vakbondsacties van na WO I en II? In ieder geval verlangt Vercamst naar een meer militante vakbond. En in een wereld van vakbonden die over het algemeen geen vuist kunnen maken, behept als zij zijn met teveel sympathie voor een neoliberaal beleid, waardoor de belangen van het kapitaal prioriteit krijgen boven die van de arbeid, is dat van bijzondere betekenis. De vraag is alleen hoe Vercamst zich een militante vakbond en  krachtige en effectieve vakbondsacties voorstelt?  Wellicht dat daar iets van valt te leren?

Gewapend met deze vraag moet gezegd dat het antwoord daarop niet vrolijk stemt. In de voorstellen van Vercamst blijft de vakbond toch vooral een medemacht en geen tegenmacht. Dat blijkt waar hij de twee volgende suggesties doet voor herbronning van vakbondsacties:

1. lobbywerk bij werkgevers(organisaties) en de politiek,
2. introductie van het Duitse systeem van werknemersparticipatie en inspraak in het beleid van bedrijven

Lobbywerk heeft alleen maar of voornamelijk resultaat in een omgeving die prioriteit geeft aan de belangen waarvoor wordt gelobbyd.  Daarom zijn lobbyisten van het kapitaal bij politieke beleidsmakers zo succesvol. Werkgevers(organisaties) noch politiek behoren tot een omgeving waar de belangen van de arbeid vóór de kapitaalaccumulatie komen. Bovendien draagt lobbyactiviteit de nare bijsmaak met zich mee van ‘binnenkamertjespolitiek’, en dat is een van de manieren om de democratie de das om te doen. Dat moet een vakbond niet willen. En wat betreft het Duitse systeem van werknemersparticipatie: Vercamst ziet zelf in dat invoering daarvan veel tijd zal vragen, omdat volgens hem de vertrouwensrelatie tussen werknemers en werkgevers nog te ver zoek is, en dus eerst hersteld moet worden. Eerst nog polderen dus!

De ideeën van Vercamst ademen de sfeer van het ‘polderoverleg’ van de buren uit het noorden. en het misplaatste vertrouwen (een {neo}liberale vakbond waardig?)  dat lobbywerk in een arbeidvijandige omgeving vermag wat acties en betogingen niet lukt. Dit zijn opvattingen van een vakbondsman die nog droomt van de vakbond als medemacht omdat hij de verhouding tussen kapitaal en arbeid waarschijnlijk niet definieert als een harde strijd en conflict, maar als een harmoniemodel, zonder fundamenteel tegenstrijdige belangen en waar iedereen in harmonie het beste wil voor zichzelf en de ander. En zo denkt niet alleen Vercamst erover, bijna alle vakbonden wereldwijd zijn afgedwaald naar de doodlopende weg van medemacht. En natuurlijk, bij vakbonden die zichzelf positioneren als meelopers, als medemacht, omdat ze over geen fundamentele economische alternatieven beschikken – tijgers zonder tanden dus – hebben  kapitaal en politiek alle gelegenheid de beslissingen door te voeren die ze willen. De effectiviteit van betogingen en klassieke vakbondsmanifestaties op straat, staat of valt met de politieke en economische visie van waaruit ze op touw worden gezet. Het probleem is dus niet zozeer deze klassieke manier van actievoeren op zich, maar de visie daarachter van de leiders van de vakbond.

Naar tegenmacht

De belangrijkste poging waarop vakbonden weer aan invloed en effectiviteit van acties kunnen winnen – en dat geldt wereldwijd – is de overgang van medemacht naar ‘tegenmacht’. Met tegenmacht wordt hier bedoeld de ontwikkeling van acties vanuit een postkapitalistisch alternatief. De reden van bestaan van de vakbond is de behartiging van de belangen van de arbeid. Een verzorging naar behoren van die belangen binnen de contouren van het kapitalisme is per definitie onmogelijk.

1. Want om te beginnen  is de bron van de winst in het kapitalisme het onbetaalde deel van de arbeid. De arbeider/werker/working class people krijgt minder betaald dan de waarde die hij met zijn arbeid schept. De bron van de winst in het kapitalisme is dus per definitie gebaseerd op uitbuiting van arbeid. Het kapitalisme kan niet zonder.
2. Het kapitalisme is ook een systeem dat vanwege de moordende concurrentie bij de verkoop van goederen en diensten op de markt, onvermijdelijk voert naar overproductie, en vandaar  op gezette tijden onoverkomelijk naar economische, financiële, sociale en ecologische crises.
3. En die crises worden niet opgelost door de veroorzaker – het  kapitaal – maar worden door haar en de staat van de kapitalistische samenleving, steevast afgewenteld op de arbeidende bevolking.
4. Ieder economisch stelsel, waarin de waarde van arbeid en goederen en diensten wordt uitgedrukt in geld – zoals ook in het kapitalisme – ontwikkelt zich tot een economisch systeem dat niet ten dienste staat van de samenleving, maar ter wille van zijn overleving juist gedwongen is op haar te parasiteren. Zo voert een dergelijke economische orde, althans als zij ongestoord haar gang kan gaan, op termijn onherroepelijk tot een verarmde, uitgebuite en leeggeroofde samenleving.

In een dergelijk economisch systeem, met zulke onvermijdelijke en onoverkomelijke condities en kenmerken, zijn de belangen van de working class people niet effectief en ten gronde te behartigen. Wie dat toch probeert komt niet verder dan wat de vakbonden momenteel vrijwel wereldwijd aan de dag leggen: stoere en krachtige taal wellicht, maar effectief niet veel meer dan wat ‘gerommel’ binnen de marge die het kapitalisme toestaat. De onverschrokkenheid van de gebezigde vakbondstaal is omgekeerd evenredig aan het maatschappelijk effect ervan. De enige doeltreffende benadering is dan ook de mobilisatie van de working class people voor een postkapitalistische economie. Vakbondsacties kunnen pas werkelijk effectief worden als ze niet bij voorbaat al zich schikken in en richten op de speelruimte die het kapitalisme toestaat (medemacht),  maar als zij zich keren tegen het kapitalisme vanuit een uitgesproken postkapitalistisch alternatief. Op die manier kan ook de domper die de laatste jaren rust op de actiebereidheid van de leden, ingewisseld worden voor de gezindheid tot een fervente en effectieve strijd voor hun belangen.  Niets geeft een grotere stimulans voor zo’n strijdvaardigheid als het perspectief waarin de arbeid niet langer meer hoeft te luisteren naar de wensen en voorwaarden van het kapitaal, maar omgekeerd, kapitaal en staat zich moeten voegen naar de belangen van de arbeid.

Dergelijke verhoudingen kunnen niet van vandaag op morgen gerealiseerd worden, en vragen bovendien niet om een landelijke of regionale, maar mondiale aanpak. Dit mag niet tot ontmoediging leiden. Wat allereerst prioriteit heeft is de ontwikkeling van zo’n postkapitalistisch alternatief, in overleg met de leden.  Het postkapitalisme vertrekt van het feitelijk gegeven dat de techniek en de knowhow op allerlei terreinen ver genoeg gevorderd zijn, er mensen in overvloed zijn die de nodige arbeidskracht kunnen leveren, en dat we ook over voldoende grondstoffen beschikken, om nu en later alle bewoners van deze aarde een bestaan in redelijke welvaart en welzijn te garanderen, in respect voor de natuur. Alleen, onder het kapitalisme kan dat niet gerealiseerd worden, trouwens in geen enkele economie waarin de waarde van arbeid, goederen en diensten in geld(waarde) wordt uitgedrukt. Dergelijke economieën, dus ook het kapitalisme, leiden onvermijdelijk tot een weerzinwekkende en decadente rijkdom van een kleine minderheid, en tot voortdurend geldgebrek voor een gedegen onderhoud van de samenleving en de natuur. Het postkapitalisme moet dan ook een economie behelzen waarin geen geld meer omgaat, een economie dus waarin geld geen paal en perk meer kan stellen aan de gunstige, feitelijk aanwezige voorwaarden voor onderhoud van mens en natuur.

Elders in deze blogs zijn we verder ingegaan op de economische structuur van het postkapitalisme.  We staan daar nu verder niet bij stil omdat het niet de bedoeling is de vakbond een al te concrete vorm van postkapitalisme te suggereren. Het was slechts de bedoeling in dit blog naar voren te brengen dat de belangen van de arbeid in het kapitalisme per definitie niet genoegzaam verdedigd kunnen worden, en dat dit niet is toe te schrijven aan de klassieke manier van actievoeren van de bonden, bijvoorbeeld betogen en de straat op, maar vooral aan de afwezigheid bij de vakbond van een postkapitalistisch alternatief.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!