Herbert Spencer
Opinie -

Sommige debatten kunnen we beter niet heropenen

In DeStandaard werd recentelijk een lans gebroken om opnieuw onderzoek te voeren rond thema's als het verband tussen huidskleur en intellegentie. Een bijzonder slecht idee, zo stelt Seppe De Meulder, in de eerste plaats omdat het pseudowetenschap betreft.

maandag 28 oktober 2019 13:00

“Zit seksueel geweld in de genen van mannen?” Onder die titel staat in de wetenschapsrubriek van De Standaard een artikel te lezen waarin de stelling dat mannen die vaker vrouwen verkrachten meer kinderen krijgen en dus evolutionair voordeel hebben. “De suggestie wekt spontaan afkeer, maar dat is geen reden om een theorie te verwerpen”, aldus De Standaard.1

Het idee dat mannen zich ‘van nature’ als bruten gedragen is natuurlijk maatschappelijk niet echt wenselijk. Niet in het minst omdat het seksueel geweld bagatelliseert. “Hij kan er niets aan doen mevrouw, het zit in zijn genen.” Het is ook nogal aanstootgevend voor mannen die zich wel gedragen, alsof ze niet écht mannelijk zijn. De conclusie die er uit volgt is tenslotte dat er altijd seksisme zal zijn en het dus weinig zin heeft om tegen onderdrukkende structuren te strijden. Dat je bepaalde conclusies een onprettige gedachte vindt, is inderdaad geen reden om een theorie te verwerpen. Dat we het niet willen geloven is echter niet de enige reden waarom de suggestie op afkeer stoot. Even belangrijk voor dat gevoel is dat de theorie kant noch wal raakt.

In The Fierce People vertelde antropoloog Napoleon Chagnon al dat moordenaars onder het Yanomamö volk drie keer zo veel kinderen krijgen als de pacifisten. Ondertussen zijn alle serieuze wetenschappers het er niet alleen al lang over eens dat de meeste jagers en verzamelaars uit onze tijd niet representatief zijn voor hoe onze verre voorouders leefden, maar veel contact hebben met landbouwers en stedelingen en door en door beïnvloed zijn door de zogenaamde beschaving, alleen al doordat ze door antropologen zijn bestudeerd. Zo gaf Chagnon de leden van de stam die hij onderzocht bijlen en machetes in ruil voor hun samenwerking, om vervolgens te concluderen dat ze erg gewelddadig zijn.2 Chagnon maakte ook twee niet onbelangrijke rekenfouten. Ten eerste vergat hij te corrigeren voor leeftijd. De moordenaars in zijn database waren gemiddeld tien jaar ouder dan de niet-moordenaars. Echt verbazend is het natuurlijk niet dat iemand van 22 meer kinderen heeft dan iemand van 12. Ten tweede keek Chagnon enkel naar de kinderen van de nog levende moordenaars. Maar het ding met moordenaars is nu net dat ze nogal vaak door iemand anders gedood worden. Wraak, noemen we dat.3 Wat Chagnon doet is dus een beetje zoals uit een database met enkel winnaars concluderen dat je rijk wordt van gokken.4

Het onderzoek mag dan wel volstrekt van de pot gerukt zijn, The Fierce People was wel een bestseller. En de ideeën die er achter schuil gaan blijken nog steeds populair te zijn. Zo stond er enkele weken geleden in dezelfde wetenschapsrubriek van ‘De Standaard’ nog een artikel met als titel “Bestaat er een verband tussen huidskleur en intelligentie?”5 Dit soort theorieën, die machtsverschillen als ‘natuurlijk’ beschouwen en ze zo vereeuwigen, verwijzen meestal naar de evolutietheorie van Charles Darwin. In werkelijkheid staat de evolutietheorie waarin de omstandigheden doorheen contingente afwijkingen de doorslaggevende rol in de evolutie spelen volledig haaks op zulke denkbeelden. In The Decent of Men legt Darwin net de nadruk op het belang van samenwerking in de menselijke evolutie. De meeste biologen spreken in verband met de evolutie van de mens vandaag over de survival of the friendliest. Dat is heel wat anders dan mannen die zich kunnen voortplanten omdat ze vrouwen verkrachten.6

Het soort biologisch determinisme dat schuilt achter stellingen zoals die dat er een verband zou zijn tussen huidskleur en intelligentie, vindt zijn oorsprong niet in het denken van Darwin, maar dat van Herbert Spencer. In tegenstelling tot Darwin die vertrok van feiten die hij als natuurkundige vast stelde en heel voorzichtig was met grote conclusies, is het werk van Spencer door en door ideologisch. Op basis van een uiterst speculatieve interpretatie van de evolutietheorie schetst hij een beeld van de samenleving als de optelsom van individuen die met elkaar in concurrentie leven. Aangezien enkel de ‘besten’ de samenleving vooruit konden gaan waren programma’s om zwakkeren te helpen dan ook absoluut uit den boze. Spencer kan gezien worden als de intellectuele grondlegger van het sociaal darwinisme en de eugenetica, een ideologie die haar gruwelijke voltooiing vond in het nazisme.7

Ook Darwin had dat al snel begrepen dat de ideeën van Spencer niet deugden. “Zijn fundamentele generalisaties zijn vanuit filosofisch standpunt mijns inziens niet erg waardevol en van dien aard dat ze, denk ik, zuiver wetenschappelijk gezien geen enkele zin hebben”, schreef hij over het werk van Spencer.8 Zelf kwam hij op basis van gedegen onderzoek tot exact de omgekeerde conclusies als die van Spencer. “De hulp die wij voelen te moeten verstrekken aan de hulpelozen, is voornamelijk een gevolg van ons instinct tot sympathie, dat we oorspronkelijk hebben verworven als deel van onze sociale instincten, en dat zich vervolgens meer en meer uitbreidde”, schrijft hij.9 Recent onderzoek dat op indrukwekkende wijze samengevat is in ‘De Supersamenwerker’ van Dirk Van Duppen levert een overweldigende hoop bewijs voor dit inzicht en de definitieve doodsteek aan de wetenschappelijke geloofwaardigheid van theorieën over zelfzuchtige genen. In zijn laatste boek ‘De meeste mensen deugen’ verdedigt ook Rutger Breghman diezelfde stelling op meeslepende wijze op basis van een niet aflatende stroom wetenschappelijk onderzoek.

Hoe komt het dan dat theorieën over het verband tussen intelligentie en huidskleur of genetische verklaringen voor seksisme steeds weer opduiken? Ook daar hebben Breghman en Van Duppen een boeiende verklaring voor. Het idee dat de meeste mensen deugen en we eigenlijk van nature liever samenwerken dan concurreren is voor de machthebbers levensbedreigend. Het betekent dat er niets natuurlijk is aan hun positie en dat de maatschappelijke ordening waaraan ze die te danken hebben kan veranderen. Het sociaal darwinisme is een theorie van alles. Economische ongelijkheid? Rijke mensen zijn gewoon slimmer. Racisme? Blanke mensen hebben sterkere genen. Seksisme? Dat is de aard van de mens. Het is niet meer dan een pseudo-wetenschappelijk verhaaltje om elk verzet tegen onrechtvaardigheid als naïef weg te kunnen zetten. Wetenschappelijk is het volledig voorbijgestreefd en ook maatschappelijk heeft het ons geleid naar periodes in de geschiedenis die we beter niet herhalen. Misschien is het dan toch maar beter om te luisteren naar onze spontane afkeer. Sommige ‘debatten’ kunnen we beter niet heropenen.

 

Voetnoten

1 https://bit.ly/35ZIoeU

2 Robert Sapolsky, Behave. The Biology of Humans at Our Best and Worst, Penguin Press (2017), p.314.

3 R. Brian Ferguson, ‘Born to Live: CHallenging Killer Myths’, in: Robert. W. Sussman en C; Robert CLoninger (red.), Origins of Altruism and Cooperation, Springer (2011), p.258-259.

4 Paragraaf gebaseerd op Rutger Breghman, ‘De meeste mensen deugen’, De Correspondent (2019), p. 116-124.

5 https://bit.ly/31KARNT

6 Dirk Van Duppen, De Supersamenwerker, Epo (2016), p.227-317.

7 Ibid.

8 Charles Darwin, De autobiografie van Charles Darwins, Nieuwezijds (2000), p.102.

9 Charles Darwin, The decent of man and selection in relation to sex, John Murray 1871, hoofdstuk 5.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!