Opinie - Dominique Willaert

Welke sociale strijd voor deze tijd?

Wat is de toekomst van sociale actie? Over die vraag ging het zondag op een debat tijdens de Gentse Feesten. Dominique Willaert gaf er deze inleiding.

donderdag 28 juli 2016 13:04

1. Historisch inzicht in de constituerende rol van conflict en strijd.

Wanneer we het over sociale actie strijd willen hebben, dan is het interessant om even stil te staan bij de manier waarop onze reguliere media sociale acties en strijd benaderen.

In onze Vlaamse en bij uitbreiding Europese media wordt de verslaggeving van sociale acties en sociale strijd meestal tot een minimum herleid.

In onze eigen media zagen, hoorden en lazen we nauwelijks iets over de felle sociale strijd in Frankrijk tegen de beruchte, fel gecontesteerde loi du travail waarbij op sommige momenten honderdduizenden mensen de straat op kwamen.

De twee succesvolle parades van de nieuwe burgerbeweging Hart boven Hard werden door de reguliere media quasi doodgezwegen.

Als sociale acties door de media worden opgepikt dan merken we steevast een haast obsessieve focus op de vraag of er al dan niet geweld werd gepleegd en welke maatschappelijke overlast en economische kost actievoerders veroorzaken.

Dit soort framing – het berekenen en benoemen van ‘de overlast’ van sociale acties – sluipt in de hoofden van veel mensen en veroorzaakt een historische breuk. Deze breuk houdt in dat we vergeten hoe onze Europese welvaartsstaat tot stand is gekomen, met name: de sociale verworvenheden zijn grotendeels gebaseerd op conflict en strijd vanuit de arbeiders-, vrouwen- en andere sociale bewegingen. En op kleine, machtige elites die enkel buigen wanneer het hen te heet onder de voeten dreigt te worden.

Recent zien we de vreemde paradox ontstaan dat een deel van de bevolking die nog steeds de vruchten plukt van deze sociale verworvenheden zich niet langer kan en wil identificeren met de sociale acties en de sociale strijd die deze verworvenheden verdedigen. De voorbije maanden kreeg de Gentse wetenschapsfilosoof Rogier Delanghe onophoudelijk een forum in onze Vlaamse kranten om de cruciale rol van de vakbonden tot de annalen van onze geschiedenis te verwijzen. Het historisch besef over de manier waarop grondrechten en sociale verworvenheden zich ontwikkelden door middel van sociale strijd ligt volgens mij dan ook ernstig onder vuur.

De vraag is of de sociale – en vakbewegingen niet sterker werk moeten maken van het historische inzicht hoe conflict en strijd ‘constituerend’ zijn: het zijn (machts)opbouwende en cruciale factoren geweest in de ontwikkeling van onze welvaartsstaat.

2. Opschaling van de sociale strijd tot het mondiale niveau?

In Frankrijk is antropoloog Alain Bertho een tiental jaar geleden gestart met het ontwikkelen van een website: ‘L’antropologie du présent’ waarin hij op een mondiale schaal alle opstanden, van groot- tot kleinschalig inventariseert. Samen met studenten en activisten wereldwijd brengt Bertho dagelijks verslag van sociale acties en opstanden wereldwijd. Hij inventariseert de geografische plek, de motieven, de strijdmiddelen, de resultaten en de reacties van de machtshebbers op de vele opstanden, die wereldwijd alleen maar toenemen. Uit z’n onderzoek leren we dat steden steeds vaker de plek wordt waar strijd zich ontwikkelt, op mondiaal vlak de leeftijd van de activisten steeds jonger wordt, heel veel strijd zich tegenover de traditionele instituties situeert en de grootste eisen deze op een waardig leven zijn. Opvallend nog is de vaststelling dat de mobilisering en de verslaggeving van de vele en mondiaal gesitueerde sociale acties zich grotendeels via de sociale media afspelen. Onze reguliere media brengen nauwelijks verslag uit van het groeiend aantal protesten op alle continenten. Wie leest of hoort er iets over de vele sociale acties op het Aziatische continent en in China in het bijzonder?

Moeten we ons eigen (lokale) perspectief niet sterker verbinden met het mondiale perspectief? Andersglobalisten, milieuactivisten, Occupyers en Indignados, syndicalisten, burgeractivisten wereldwijd opereren binnen diverse schalen: deze van de stad, een regio, land, maar veelal ageren ze tegen destructieve (neoliberale) krachten die zich op mondiaal niveau ontwikkelen. Kunnen activisten nieuwe, intercontinentale netwerken ontwikkelen die de sociale strijd op een hogere schaal kan tillen? Moet dus de inzet van de sociale strijd niet een mondialer karakter aannemen willen we de planeet en mensheid redden? De recente strijd en acties tegen de dreigende TTIP- en andere vrijhandelsakkoorden zijn hiervan een interessant voorbeeld.

3. Repolitisering van de civil society gaat gepaard met een grotere onafhankelijkheid van de sociale en syndicale bewegingen t.a.v. politieke partijen.

Binnen Vlaanderen en België worden we geconfronteerd met een civiele maatschappij die deels gedepolitiseerd en grotendeels gepacificeerd is. Veel middenveldorganisaties in dit land kiezen in de eerste plaats voor overleg, pragmatisme en niet zozeer voor sociale actie of strijd.

Angst voor het verlies van subsidies, een voorkeur voor een pragmatische aanpak, de intrede van het managementdenken in de civiele maatschappij, controle door politieke mandatarissen – bv. in raden van beheer – zijn wellicht verklarende factoren. Ook binnen onze vakbonden is strijdsyndicalisme niet altijd een evident en ‘natuurlijk’ gegeven. Het sociale overleg blijft centraal staan. Terwijl de ene vakbond de straat opkomt, houdt dan de andere vakbond de wacht aan. Kan dit er op wijzen dat de leiders van vakbewegingen maar ook sociale bewegingen soms te sterk verbonden zijn met de leiders van politieke partijen? Politieke partijen die de voorbije decennia niet langer ideologisch worden vooruitgestuwd, maar als beheerders en bewakers fungeren?

De regimewissel en systemische shift die ons land en het Europese continent treft is echter zo ingrijpend en destructief van aard, dat op enkele decennia tijd de sociale welvaartsstaat volledig dreigt te worden ontmanteld. We bevinden ons dus in een ‘state of emergency’ terwijl de klassieke linkse politieke partijen die ‘state of emergency’ nauwelijks uitademen of durven omzetten in (nieuwe) strijdperspectieven.

Zelf hanteer ik de hypothese dat wat voor het Europese continent betreft de civiele maatschappij (binnen de diverse schalen, van lokaal tot supranationaal) een maatschappelijke agenda moet ontwikkelen die deels los staat van de partijprogramma’s en de modus vivivandi en operandi van de klassieke linkse politieke partijen. Een agenda met scherpe en nieuwe strijdperspectieven die niet alleen strijden tegen het behoud van sociale verworvenheden maar nog steeds durven uitgaan van vooruitgang. Wanneer de civiele maatschappij de maatschappelijke en politieke agenda wil bepalen, zullen coalities nodig zijn tussen de klassieke vakbewegingen en de nieuwe sociale – en burgerbewegingen. Cruciaal zal de plaats zijn die ‘conflict’ en ‘strijd’ kan en mag innemen. Willen en durven we de gepacificeerde samenleving gedurfd en hoogdringend revitaliseren?

4. Niet langer het bekeren maar het leren van elkaar centraal stellen.

Terwijl de wereld barst van tegenstellingen – tussen arbeid en kapitaal, tussen bezitters en onderdrukten – is een groeiende groep mensen niet langer in staat of bereid deze tegenstellingen onder ogen te zien.

Je leest en hoort het steeds vaker: bepaalde mensen geloven niet langer in de tegenstellingen tussen links en rechts en willen niet langer ‘tegen’ iets maar ‘voor’ iets zijn. Het zich antagonistisch positioneren tegenover de destructieve krachten van het neoliberale regime wordt ingeruild voor nieuwe begrippen als co-creatie, verbondenheid, samen-redzaamheid. Zien we vormen van leefstijlactivisme ontstaan die anders van aard zijn? Verdwijnt hiermee ook het geloof in ‘revoluties’ – in fundamentele omwentelingen en veranderingen ten gronde? Zien we partiële en one issue bewegingen ontstaan en kunnen en willen deze bewegingen zich met elkaar verknopen?

Hoe kunnen en willen de klassieke sociale – en vakbewegingen zich hier tegenover verhouden? Kan de soms veroordelende en de belerende houding t.a.v. elkaar evolueren in de richting van een versterkende beweging. Iets wat we in de herfst van 2014 zagen ontstaan: honderden activisten van Hart boven Hard fietsen in diverse Vlaamse provincies om de stakers aan de vele piketten tijdens de provinciale stakingsdagen een hart onder de riem te steken.

Is het de grote machteloosheid die veel mensen ervaren, die hen doet verlangen en grijpen naar de eerdere kleine en lokale vormen van verzet en actie?

Is het de versplintering, de enorme complexiteit die mensen doet verlangen naar activiteiten en acties waar men greep op zichzelf en de wereld rondom zich probeert te ontwikkelen?

Weegt onze individuele identiteit en autonomie zwaarder door dan de algemene, collectieve belangen?

Als de tijd van de grote verhalen voorbij lijkt te zijn, is dan ook het geloof in grote overwinningen aangetast?

Zelf durf ik te geloven dat de brede transitiebeweging, de vele kleine acties en co-creaties op termijn kunnen verknoopt worden tot een nieuwe massabeweging. Wanneer we met open mond verbaasd staan toe te kijken naar de sympathieën die sommige jonge en minder jonge mensen hebben over sterke leiders en bepaalde vormen van terreur, moeten we ons de vraag stellen of we zelf het vitale en revolutionaire potentieel van de onderdrukte groepen niet hebben verwaarloosd en mee hebben onderdrukt. Jeroen Robbe hanteert binnen vzw Labo de stelling dat de groepen die we op vandaag als ‘armen, allochtonen, werklozen, vluchtelingen’ bestempelen haast automatisch leidt tot ‘slachtofferschap’. We kijken te vaak naar deze mensen en groepen als slachtoffers en niet als onderdrukten. Mensen als onderdrukten beschouwen, betekent meteen dat we in wezenlijke vormen van opstand en verzet durven te geloven. Nooit vanuit een geloof in geweld om geweld, wel in strijd en verzet dat wil uitmonden in een rechtvaardiger en vreedzamer wereld, voor alle mensen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!