There is an alternative: waar wachten ze dan nog op?

There is an alternative: waar wachten ze dan nog op?

maandag 23 mei 2016 23:47

In de bijdrage ‘Is there an alternative?’ op 23 mei 2016 klaagt Ward Van Hassel de ideologische armoede van de Vlaamse socialisten (sp.a) aan. Vandaag heeft de partij, volgens hem, een gebrek aan visie en is ze helemaal ingeschakeld in het hegemonische neoliberalisme. Ze moet zichzelf als een radicaal alternatief voor het kapitalisme poneren. Waar wachten de socialisten dan nog op?

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat die arme Vlaamse socialisten het verwijt krijgen dat ze in hetzelfde neoliberale bedje ziek zijn als de rest van deze gore door winst en overwinst gedreven aardbol. Vorige verkiezingen kregen ze zowaar nog te horen van politieke vijand nummer één Bart De Wever (en die zei dat niet zonder leedvermaak) dat sp.a deel uitmaakt van het N-VA-model. Alle gekrulde socialistische tenen ten spijt, hebben de criticasters niet helemaal ongelijk. In hun verontwaardiging zijn ze echter ook niet helemaal in hun recht. Sp.a heeft wel degelijk een alternatief. Om de sp.a-ideologie te plaatsen, helpt het om kort naar de recente geschiedenis van de partij te kijken.

Geen revolutionaire partij

Reeds vanaf haar ontstaan in 1885 toont de Belgische Werkliedenpartij zich een felle tegenstander van revolutie en stakingsgeweld. In haar naslagwerk over de Belgische politieke geschiedenis, spreekt Els Witte zelfs van een ideologisch samenspel met progressief-liberale krachten. De voornaamste reden voor deze afkeer van echte revolutie is het grote verschil tussen Waalse socialisten en Vlaamse, die niet zo vertrouwd waren met de zware industrie in het zuiden van het land en minder klassenbewustzijn hadden. Lekker kort door de bocht: ook vandaag is dit onderscheid niet helemaal van de baan.

Het is immers maar de vraag of een Vlaamse socialistische partij zich in het huidige politieke klimaat openlijk radicaal socialistische standpunten kan permitteren, zoals de PS dat doet in Wallonië. Getuige hiervan de discussie omtrent de stakende cipiers. Voor of tegen doet hier niet terzake, maar de eerste intuïtie van een doordrongen socialist wijst altijd in de richting van het verzet. Als we echter in acht nemen op hoe weinig bijval de PS-uiting van sympathie met de cipiers kon rekenen, zou ook ik als campagnestrateeg, spindoctor, politieke communicatie-expert (of een ander epitheton naar keuze) John Crombez niet aanraden om Elio Di Rupo te verblijden met een instemmende tweet. (Al speelt hier ongetwijfeld ook een communautaire component, want het blijven tenslotte Walen en die verpesten alles, toch?) 

Maar ik ging natuurlijk niet echt de geschiedenis vanaf de 19de eeuw beschrijven. Waar het om gaat is de evolutie die de Vlaamse socialisten vanaf 1999 hebben doorgemaakt. Na de schandalenjaren en de barslechte verkiezingsuitslag van 1999, ondergaan de Vlaamse socialisten een inhoudelijke bijsturing. Reclameman Patrick Janssens werd voorzitter en Steve Stevaert ging de politiek gezellig maken (van een alternatief gesproken), maar de meest belangwekkende vernieuwing ging uit van Frank Vandenbroucke. Nadat die zich in 1995 ten gevolge van de Agusta-affaire had teruggetrokken in de luwte van de politieke filosofie, introduceerde hij ‘de actieve welvaartsstaat’.

Niet alleen stelde men vast dat er plots geen geld meer was voor de welvaartsstaat, bovendien had ze ook te kampen met een ideologische crisis. Wetende, aldus Vandenbroucke, dat de sociale zekerheid steeds meer een transfer tussen generaties wordt en van hoog- naar laaggeschoolden, is dit dan nog wel verdedigbaar vanuit Rawls’ principe van de sluier van onwetendheid? Zouden we met andere woorden deze sociale herverdeling verkiezen als we niet wisten wat onze positie in de samenleving zou zijn?

Vanuit deze gedachte zet de actieve welvaartsstaat meer in op individuele verantwoordelijkheid, voortdurende bijscholing en flexibilisering van de arbeidsmarkt. Dit was de Derde Weg van het Vlaamse socialisme. Zegt u nu: “Verdorie, dit klinkt me allemaal toch wel bijzonder veel als ouderwetse neoliberale bullshit in de oren?” Wel, dan hebt u opnieuw een beetje gelijk, maar niet helemaal. Vandenbroucke zelf zou immers zeggen dat dit het neoliberalisme voorbij is, aangezien het de welvaartsstaat niet inperkt, maar net versterkt. Opnieuw geldt echter: wie revolutie wil, moet elders aankloppen – en dat wist u al in 1885.

Interne ideologische wrijving

Van Hassel lijkt zich verder te storen aan de nogal eenzijdige focus die sp.a heeft voor economische problemen. Hij pleit voor een cultureel socialisme. 

De interne vernieuwingsoperatie waarvan zonet sprake ging inderdaad eveneens gepaard met een meer nadrukkelijke positionering op de sociaalculturele breuklijn. Sp.a zou zich verjongen, vervrouwelijken en meer open stellen voor mensen van andere etnische achtergronden. Zoals gezegd: Steve Stevaert ging het gezellig maken voor iedereen – en in het bijzonder voor moslima’s van 18 tot 25 jaar.

Hoewel dit niet helemaal zonder succes bleef (zie de verkiezingsoverwinningen van 2003 en 2004), bleek deze inclusieve positionering op de sociaaleconomische breuklijn toch niet zo vanzelfsprekend. Wat was er namelijk het geval? Binnen de partij zijn er enerzijds diegenen die zeer hartelijk alle nieuwe groepen verwelkomen, tot zelfs oude Vlaams-nationalisten als Bert Anciaux, en anderzijds diegenen die – hoe moet ik het beschaafd verwoorden? – nog liever de anus van Filip Dewinter epileren dan thee te drinken met een intelligente gesluierde jongedame. Goed, dit is wellicht wat overdreven, maar een aanzienlijk deel binnen de partij bleek voorstander van een gesloten samenleving.

Mark Elchardus had er dan reeds op gewezen dat deze sociaalculturele breuklijn veel kiezers wegdreef van de SP naar het Vlaams Blok, later Vlaams Belang. Het voornaamste gevolg was echter dat sp.a uiterst moeizaam stelling nam op sociaalculturele thema’s (zie bijvoorbeeld het Antwerpse hoofddoekendebat). Wat bij sp.a leidde tot een voortdurende herinvestering in haar traditionele sociaaleconomische thema’s. Ze was tenslotte uit die sociaaleconomische breuklijn ontstaan.

Als sp.a vandaag Groen moet laten voorgaan op culturele thema’s, dan heeft dat er in de eerste plaats mee te maken dat de partij hierover intern erg verdeeld is. Niet zozeer de top van de partij (al leeft hier de discussie over de lekenstaat versus de openbare tolerantie), maar wel tussen de leden onderling.

Alternatief op de publieke agenda

Sp.a heeft dus wel degelijk goede redenen om zich niet zo radicaal links op te stellen als Van Hassel suggereert. Op culturele thema’s omdat ze dat moeizaam aan haar traditionele loyale achterban kan verkopen. Op economische thema’s omdat ze meent dat dit haar positie in Vlaanderen eerder ten kwade zal komen en omdat ze in haar geschiedenis nooit echt de rol van revolutionaire zweeppartij heeft opgenomen. Bovendien had ze met de actieve welvaartsstaat een gematigd sociaaldemocratisch alternatief. Ik betoog dat het niet zozeer het gebrek aan alternatief is wat sp.a zuur opbreekt, maar het gebrek prominente aanwezigheid van dit alternatief in het maatschappelijke debat. 

Dik vijftien jaar na de actieve welvaartsstaat, lijkt deze term inderdaad meer tot de geschiedenis van de partij te behoren dan tot haat toekomst. Hiervoor zijn verschillende redenen, niet in het minst de Kaltstellung van Frank Vandenbroucke binnen de partij. Niettemin zijn voortdurende vorming en werkbaar werk vandaag nog steeds politiek relevante thema’s (en gaan de tsjeven ermee lopen).

Sp.a is er niet in geslaagd om de media agenda en de publieke agenda met deze thema’s te blijven domineren. Nochtans bleek uit onderzoek van het ISPO dat kiezers tijdens de verkiezingen van 2014 voornamelijk bekommerd waren om het thema werkgelegenheid, waarvoor sp.a, gegeven haar recente en minder recente geschiedenis, dus eigenlijk een voortrekkersrol zou moeten spelen. 

Is het dan allemaal onzin wat Van Hassel vertelt en heb ik deze bijdrage enkel geschreven om te tonen hoeveel data ik kan onthouden en een vuile mop over Filip Dewinter te maken? Een beetje, maar voornamelijk omdat Van Hassel een sentiment verkondigt dat sp.a vandaag beter al te ernstig neemt.

Van Hassel behoort namelijk tot een uitzonderlijke klasse van jongeren: diegenen die een relatief radicaal links gedachtegoed aanhangen en sp.a niet zonder meer als stemkeuze uitsluiten.

Deze bijna uitgestorven soort weerstaat vooralsnog aan de lokgroep van Groen en PvdA+. Ze weigeren zich in te schrijven in een partij die geen traditie heeft met een echte sociaaleconomische strijd en streven bovendien beleidspolitiek (en geen loutere oppositierol) na.

Sinds 2003 trekt sp.a alsmaar minder jonge kiezers aan. Samen met de moeizame positionering op de sociaalculturele breuklijn, een jonge breuklijn, leidt dit verouderend kiespubliek op termijn onvermijdelijk tot een marginalisering van de partij.

Wil sp.a dus relevant blijven, en niet enkel in één twijfelachtige opiniepeiling, dan zijn het jonge kiezers, zoals Van Hassel, die ze moet aanspreken. Dit doet ze niet wanneer het gevoel bestaat dat ze geen alternatief bezit. Omstreeks de eeuwwisseling wilde sp.a voorop lopen in het herdenken van de welvaartsstaat. Om jonge kiezers aan te spreken moet ze deze voortrekkersrol in het publieke debat weer opeisen.

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!