Wetenschap verdooft debat over illegale drugs

Wetenschap verdooft debat over illegale drugs

De wereld wordt niet zo rationeel benaderd als men denkt. Ze is misschien maakbaar, maar wat we ervan maken, is zelden het resultaat van een volstrekt rationele overweging.

woensdag 21 januari 2015 13:17

Veel van de beslissingen die wij als individuen of collectief nemen zijn niet gebaseerd op neutrale rationaliteit, maar op morele kaders, emotionele beslissingen en ideologische overtuigingen. Zo ook bij drugs. In feite zijn drugsproducten handelswaren die door een heleboel processen en toevalligheden in het verleden illegaal zijn geworden.

Nu zitten we met een hele problematiek die we liefst willen oplossen door het rationeel te benaderen. In hedendaagse termen wordt dat: de wetenschap zal ons de weg tonen. Die academische laag problematiseert echter de discussie rond drugs en zorgt ervoor dat moraliteit als feit wordt verborgen.

De huidige illegale drugs hebben verschillende stadia doorgemaakt vooraleer ze aan de andere kant van de wet zijn beland. Opium, marijuana en coca hadden voor de periode van de grote ontdekkingen voornamelijk een folkloristisch gebruik. Gaandeweg werden deze middelen geïntroduceerd in de Westerse samenleving, waar zij initieel als medicijnen aan de man werden gebracht.

Na het wegvallen van enkele barrières voor het gebruik, zoals sociale restricties en de hoge kostprijs, werden marijuana, cocaïne en opium gereguleerde handelsgoederen. Reclames voor kinderhoestsiroop met heroïne en Vin Mariani, wijn die aangelengd was met cocaïne, vulden de toenmalige kranten. Het gebruik van deze drugs werd dus op een bepaald moment als normaal geacht en de algemene morele opvatting was dus ook dat deze middelen getolereerd werden.

In de late 19de, vroege 20ste eeuw deed zich een morele paniek voor rond drugs. Het gebruik van deze middelen zou volgens christelijke en progressieve drukkingsgroepen morele schade brengen en de maatschappelijke orde onder druk zetten. De sociale malaise van het moment werd door tijdsgenoten direct gekoppeld aan drugsgebruik, waardoor prohibitie gelijk kwam te staan met armoedebestrijding.

Ook andere elementen speelden een rol, zoals racisme, dalende handelsbelangen en angst voor criminaliteit. In de VS stelde men bijvoorbeeld vast dat wanneer zwarten cocaïne zouden gebruiken, zij meer geneigd waren om blanke vrouwen te verkrachten. Drugs werden dus door deze morele paniek als ‘slecht’ bestempeld. Staten stapten mee in dit verhaal en verzilverden het morele kader van dat moment in nationale en internationale wetgevingen. Tot op de dag van vandaag wordt deze zelfde moraliteit in standgehouden door de wetgeving, met slechts enkele nuanceringen.

Sinds enkele jaren zijn de houdingen tegenover drugs weer aan het veranderen. In de jaren ‘60 stelde de jongerencultuur ook al het morele kader in vraag door massaal marijuana te gebruiken. Tegenwoordig voeren enkele landen, met name Argentinië, Uruguay en enkele staten in de VS, een legaliseringspolitiek rond bepaalde drugs of decriminaliseren zij het gebruik.

In België blijft deze discussie niet uit. Recentelijk pleitten de drie prominente wetenschappers Paul de Grauwe, Tom Decorte en Jan Tytgat eveneens voor legalisering. Ook Bryce de Ruyver, professor in het strafrecht, stelde een alternatief voor het huidige drugsbeleid. De politiek en de publieke opinie blijken maar niet mee te willen stappen in deze discussie. Waarom is dat zo?




Het verschil tussen de discussies in andere landen ligt in het beroep en de sociale rol van de actoren. Het is goed dat deze discussie gevoerd wordt, maar het onderwerp lijkt enkel wetenschappers te bekoren. Dit creërt een probleem. Hoe het drugsbeleid eruit zou moeten zien, is een politieke kwestie over een moreel geladen onderwerp. Als stemmen uit de academische wereld zich laten horen, zou dat in feite alleen zijn om inzicht te geven op de situatie. Wanneer wetenschappers en experten de discussie overheersen en politieke statements maken, wordt dit debat desalniettemin als wetenschappelijk benaderd.

Wetenschap is sowieso niet neutraal, er zal immers altijd een politieke of morele laag liggen in elke uitspraak. Toch heeft de wetenschapper de plicht om nooit expliciet politieke oordelen te vellen. De persoon achter de academicus mag dit uiteraard wel.

Het is echter moeilijk om een onderscheid te maken tussen deze twee rollen wanneer hij of zij in een publieke discussie zit. Politieke of morele oordelen kunnen in deze situatie vermomd worden als feiten. In het rapport van Decorte, De Grauwe en Tytgat staat bijvoorbeeld dat zij “de criminalisering en stigmatisering van mensen die cannabis gebruiken en anderen niet schaden” willen beïndigen.

Dit is geen feit, maar een politieke oproep die je eerder uit de mond zou horen komen van een langharige hippie met een ribfluwelen broek en een lijfgeur waar je wereldvrede mee kan bekomen. Met uitspraken als deze zou je normaal gezien een debat kunnen houden, maar omdat het achter een wetenschappelijke sluier wordt gehouden, verzandt de discussie.

Mensen die geen expert zijn in het onderwerp van drugs doen niet mee aan de discussie omdat zij oordelen dat de wetenschap zich er wel mee bezig zal houden. Ook miskennen ze hun eigen mening omdat zij zichzelf niet beschouwen als deskundige op het gebied van drugs. Door de moed te hebben om zelf een standpunt in te nemen bij het debat en je open te stellen voor andere meningen, kan je echter een expert worden.

Je hoeft geen diploma te hebben dat zegt dat je een specialist ter zake bent om een mening te hebben. Wetenschap moet ook niet als morele maatstaf gebruikt worden, aangezien dat niet haar functie is. Om die reden moet het maatschappelijke debat over drugs werkelijk maatschappelijk worden.

Het is al goed dat academici zich engageren, maar nu moeten anderen zich met een open blik mengen in de discussie. Anders zal wetenschap de opium zijn die het debat verdooft.

Zeger Verleye, hoofdredacteur ZENIT Magazine

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!