Opinie - Dounia Bourabain

Gemeenschapsdienst voor werklozen: dwangarbeid of vrijwilligerswerk?

Boterhammen smeren, hondendrollen opruimen, ramen lappen in het hartje van de winter, … De ene klus is al denigrerender dan de andere. Dergelijke jobs zullen binnenkort ingenomen worden door werklozen in ruil voor hun uitkering. Ondermeer volgens Rik Daems (Open VLD) zal dit een mogelijkheid zijn om hen een stapje dichter tot de arbeidsmarkt te brengen. De vakbonden zijn dan weer overtuigd dat dit de werklozen niets zal opleveren.

woensdag 24 december 2014 14:44

Werkloosheidsuitkeringen
zijn publieke en sociale
uitgaven, dit betekent dat ze direct gereguleerd worden door de
overheden. Ze zijn een bevoegdheid van de federale overheid en dit is
één van de taken waar de welvaartsstaat voor dient te zorgen.

De Welfare-Workfare
verschuiving

Door
de gemeenschapsdienst voor langdurige werklozen in
te voeren, vindt
er een duidelijke verschuiving plaats
van de welfare, ofwel verzorgingsstaat, naar een workfare, de
activeringsstaat. De sociale rechten komen in het gedrang. Blijft de
uitkering een recht? Of wordt het binnenkort een vergoeding voor een
wederdienst? Het antwoord is dat wie een tegemoetkoming wil
ontvangen, een deel van zijn vrijheid moet afstaan aan de overheid.
In dit geval wil men het gedrag van de werklozen aanpakken en als het
ware heropvoeden tot harde werkers. Het gevoel dat de burgers te
afhankelijk zijn geworden, is teruggekeerd. Gemeenschapsdienst is
volgens de overheid dé oplossing om die afhankelijkheid af te leren.
Dit past perfect in het voor-wat-hoort-wat verhaal van de
neoconservatieve denkers vanaf de jaren 1970.

Vrijwilligerswerk?

Eerst
en vooral de definitie van vrijwilligerswerk: “Vrijwilligerswerk is
elke activiteit die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht, ten
behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de
activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de
samenleving als geheel; die ingericht wordt door een organisatie
anders dan het familie- of privé-verband van degene die de
activiteit verricht; en die niet door dezelfde persoon en voor
dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een
arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire
aanstelling (Vrijwilligerswetgeving.be, 2009).” Vooral de woorden
‘onbezoldigd en onverplicht’ dienen in het achterhoofd gehouden
te worden.

Rik
Daems, deelstaatsenator van de Open VLD, kwam in 2006 met een
voorstel om gemeenschapsdienst in te voeren voor werklozen. Enkele
jaren later is het voorstel een feit geworden. Nu staat in het
federaal regeerakkoord dat werklozen die meer dan een jaar werkloos
zijn, verplicht gemeenschapsdienst moeten doen in ruil voor hun
uitkering. Concreet wil dit zeggen dat men hen twee halve dagen per
week laat werken. Daems stelde voor om de werklozen in te zetten voor
o.a. het openhouden van cafetaria’s, het assisteren van de lokale
groendienst of de vzw’s helpen bij hun dagelijkse taken
(“vrijwilligerswerk”). Bij
dat laatste knelt het schoentje aangezien de betekenis van
vrijwilligerswerk teniet wordt gedaan door de werklozen te
verplichten om aan vrijwilligerswerk te doen.

Dit
zorgt ervoor dat het verschil tussen gemeenschapsdienst en
vrijwilligerswerk verdwijnt
en dat
het nut van vrijwilligerswerk. Zoals de directeur van het Vlaams
Steunpunt Vrijwilligerswerk goed opmerkte, kan dit leiden tot een
pervers effect: het vrijwilligerswerk waarvoor men zich engageerde,
wordt gezien als irrelevant en dient opgegeven te worden voor het
verplichte vrijwilligerswerk.

Dwangarbeid?

De
vakbonden ABVV, ACV en ACLVB hebben
de voorbije maanden
betogingen georganiseerd
omdat ze het regeerakkoord
van Michel I te asociaal vinden. Bij
dat asociale karakter
hoort ook het
verplicht vervullen van de gemeenschapsdienst voor werklozen, indien
ze hun uitkering willen behouden. De vakbonden zien de
gemeenschapsdienst eerder als een straf dan een hulp. We moeten even
stilstaan bij het feit of het de keuze van het individu is om
werkloos te zijn. Dient iedereen te boeten voor de zogenaamde
‘profiteurs’ die gebruikmaken van het sociale vangnet? Het idee
van ‘wie werkt zoekt, zal werk vinden’ komt sterk naar voren.

Vandaag
wordt werkloosheid gezien als een gevolg van foute keuzes, geen
motivatie en initiatiefzin hebben, kortom een gevolg van individueel
gedrag. Volgens de overheid maken de welvaartsvoorzieningen de mensen
afhankelijk en pakken ze het echte probleem niet meer aan. Daarom
pleiten neoconservatieven dat de welvaartsstaat moet omgebouwd worden
tot een paternalistische staat.
Het invoeren van de gemeenschapsdienst, is één van de elementen die
bijdragen tot het afbouwen van de interventionistische staat. Net
zoals Mead voorstelde, zijn tegemoetkomingen vandaag geen
onvoorwaardelijk recht meer. Met de gemeenschapsdienst wil men het
gedrag van de werklozen vormen en dit wordt als het ware gezien als
een missie voor de overheid. De werklozen ‘arbeidsethos’
aanleren, staat centraal in het ‘heropvoeden’.

Vervolgens
moeten we ook even inzoomen op de groepen die zich onder de werklozen
bevinden. Ten eerste zijn er de ouderen die in de werkloosheid
vertoeven. Ze worden niet beloond voor hun vele jaren harde werk.
Tevens zijn er de laaggeschoolden, waaronder ook vrouwen, die het
niet alleen moeilijker zullen hebben met het combineren van hun
huishouden met de gemeenschapsdienst; ook hun
minderwaardigheidsgevoel
zal
bevestigd worden.

Lost
het iets op?

Volgens
de regering heeft de gemeenschapsdienst verschillende voordelen. Het
wil de werklozen opnieuw arbeidsritme aanleren, sociale contacten
leren leggen en ervaring opdoen. Dit moet ervoor zorgen dat de opstap
naar een nieuwe job vergemakkelijkt wordt. We kunnen de vraag stellen
of dit wel degelijk iets oplevert. Als men kijkt naar landen waar
gemeenschapsdienst werd ingevoerd, zien we teleurstellende
resultaten. Het versterkt inderdaad de sociale cohesie, maar een
opstap naar een job is het
allesbehalve.

Een
goed voorbeeld hiervan is de ‘work for the dole’ in Australië.
Wat regering van Australië aanhaalt, is dat men in eerste instantie
de werkzoekenden een handje wil helpen door hen nieuwe vaardigheden
aan te leren. Werklozen tussen de 18 en 30 jaar dienen verplicht 6
maanden per jaar gemeenschapsdienst te doen én 40
sollicitatiegesprekken per maand te voeren. Kijkend naar de jobs die
men dient uit te voeren, zijn het ongeveer dezelfde die Daems
voorstelt. Ze worden ingezet voor tuinklusjes op scholen, restauratie
van gemeenschapsvoorzieningen, opkuisen van publieke parken en
dergelijke meer. Wel
merkwaardig is het feit dat in het reglement staat dat ze geen
betalend werk mogen vervangen. Dit toont aan dat deze vaardigheden
hen geen mogelijkheid bieden om terecht te komen op de reguliere
arbeidsmarkt.

Wanneer
men kijkt naar de tegenprestatie in Nederland, komen er nog meer
nadelen aan het licht. De tegenprestatie voor de uitkering mag de
re-integratie niet in de weg staan, moet in combinatie worden
gebracht met de huishoudelijke taken en moet passen bij de werkloze.
Opnieuw
zien we dus dat
de tegenprestatie niet in concurrentie mag staan met betaalde banen.
Eenvoudiger gesteld:
men dient werk uit te voeren waar anderen geen loon voor over hebben
. De jobs met een zeer lage waardering op de arbeidsmarkt zijn
dus de enige optie voor een werkloze.

Oplossing

Iedereen
kent wel het bekende voorbeeld van de stratenveger Harry uit
Nederland. Hij werd ontslagen uit zijn functie om nadien te werken
als, jawel, een stratenveger. Voor 400 euro minder doet hij hetzelfde
werk. Is dit waar we in België naartoe willen? Dat verschillende
jobs overbodig worden om nadien werklozen in de plaats te zetten als
vorm van ‘bijdrage aan de gemeenschap’. Er zijn reeds bestaande
oplossingen, die zorgen voor een jobcreërend beleid.

Het
verplichte karakter van de gemeenschapsdienst is wat de mensen
stoort. Als Daems de werklozen willen betrekken in de samenleving,
kan dit op verschillende andere manieren die menswaardig zijn. Er
zijn reeds bestaande oplossingen zoals opleidingsprojecten,
GESCO-werknemer zijn of werkervaringsprojecten, die werklozen helpt
om échte vaardigheden te leren met het oog op het uitstromen naar de
reguliere arbeidsmarkt. Deze klassieke tewerkstellingsprogramma’s
en werkervaringsprojecten zijn vooral gericht op mensen die ongeveer
6 maanden in de werkloosheid zitten of behoren tot de kansengroepen,
zoals laaggeschoolden of
mensen ouder dan 45 jaar.

Kijkend
naar de kenmerken van deze projecten, kunnen we concluderen dat deze
gelijken op het idee dat de gemeenschapsdienst zou willen
verwezenlijken, namelijk werklozen aan het werk zetten. Het grote
verschil is dat de gemeenschapsdienst een verplichtende en
heropvoedende karakter heeft en de werklozen denigrerend wil
aanpakken, wat niet het geval is bij deze projecten. Om hierbij een
voorbeeld te geven, kunnen we kijken naar de GESCO: een werkzoekende
wordt in dienst gesteld door een werkgever in de niet-commerciële
sector, waar deze een gelijke loon ontvangt net zoals de andere
werknemers. Daarnaast is dit ook voordelig voor de werkgevers, omdat
zij gesubsidieerd worden wanneer zij een GESCO-contract aangaan.

De
voorstanders van de gemeenschapsdienst zullen hierop antwoorden dat
deze programma’s teveel geld kosten voor de overheid, maar geldt
dit ook niet voor de gemeenschapsdienst? De gemeenschapsdienst dient
de werklozen ook te begeleiden en
te controleren.
Daar hangt ook een
kostenplaatje aan. Waarom dan kiezen voor het uitbouwen van een
asociaal beleid , wanneer men evengoed een socialer beleid kan
creëren?

Dounia Bourabain is studente aan de VUB

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!